Zefanja, de profeet van den dag des Heeren
De gerichtsaankondiging.
Hoofdstuk 1 vs. 5 e.v.
Gods bezoeking komt over allen die zich kleeden in uitheemsch gewaad (vs. 8b). Dat is blijkbaar geen zaak, die zoo onschuldig is, als zij schijnt. Zeker is hier een afkeuring van de luxueuze kleeding, waarin Jerusalems grooten hun weeldezucht toonen. En hier niet alleen. Hoor den profeet Amos in heilige verontwaardiging toornen tegen de vrouwen van Samaria, die in overdadige weelde leven en om dat leventje te kunnen voortzetten en goede sier te kunnen maken, hunne mannen geraffineerd aanzetten tot geweldpleging en diefstal: verstooting en verarming zal haar deel zijn. Of denk aan de woorden van Jesaia (h. 3). Maar het gaat veelmeer over het bewaren van het eigen volksleven en het eigen volkskarakter ; dat volk zal zich niet vermengen met de volken rondom; het zal een afgezonderd volk zijn ; het zal alleen wonen en met de heidenen niet gerekend worden. In de Wijsheid van Jezus Sirach — een boek, dat zich door oprechte godsvrucht en hoogen zedelijken ernst kenmerkt en te allen tijde bij Joden en Christenen in hooge achting heeft gestaan 6) — lezen we het wijze woord: De kleeding eens mans en het lachen der tanden en de gang des menschen verkondigen wat hij voor één is (Staten-vert. Wijsh. v. J. Sirach, h 19 vs 28) Het Assyrische kleed openbaart het Assyrisch-gezinde hart, weelderig, verwijfd en van Israels God vervreemd. 7') Calv. verwijst in dit verband naar Matth. 11 vs 8.
Ook in andere dingen komt het binnenhalen van vreemde zeden uit: men springt over den drempel. Ook dat was naaperij van uitheemsch gebruik. Het is de vraag of we hier moeten denken aan wat we lezen in I Sam. 5 vs 5, waar van de priesters van Dagon en van allen die in den tempel van Dagon komen, gezegd wordt, dat zij niet op den dorpel van Dagon treden. Hetzij hier vrees voor de onder den drempel wonende demonen achter zit of dat het alleen geldt zonder eenig nadenken, klakkeloos overnemen van een Assyrische gewoonte, onschuldig is deze gewoonte zeker niet. Zit er een godsdienstige gedachte achter, dan zijn deze menschen in verkeerden zin godsdienstig. Ongaarne zouden ze een demon tegen zich innemen, maar de wetten der moraal houden zij niet 8) Rooven en plunderen vinden ze niet erg, maar een drempel zullen ze niet aanraken. Het doet ons dan wel heel sterk denken aan de dagen van den Heere Jezus, als wel het buitenste van den drinkbeker gereinigd wordt, maar het zwaarste der wet wordt nagelaten. Bang voor een demon, die niets is, maar geen vreeze voor den levenden God, die zijn ordinantiën handhaaft! Zij vervullen het huis hunner heeren met geweld en bedrog : wat ze met bedrog niet kunnen krijgen, nemen ze met geweld. Bedrog en geweld, twee loten van één stam : hebzucht. 9')
Van het Noorden zullen de vijanden Jerusalem binnendringen. En er zal geschrei zijn van de Vischpoort en een gejammer van het tweede gedeelte (Ridderbos vertaalt : Voorstad, Obbink : nieuwe stad) en luid gekraak van de heuvelen, (vs 10). Niets is tegen den vijand bestand ; zijn geweld verbreekt de gebouwen op de heuvelen. Vischpoort en de Voorstad liggen in het Noorden van de stad (Neh. 3 vs 3, 12 VS 39). De voorstad of de nieuwe stad is dat stadsgedeelte, dat omsloten is door de door Hizkia gebouwde muur. 10') Weer anderen denken aan den muur, van Manasse gebouwd. (2 Kron. 33 vs 14) 11') Ook de laagte, het stadskwartier, waar kooplieden en kassiers wonen, — al is het niet met zekerheid te bepalen, waar we ons dit hebben te denken, — moet wel in het Noorden gezocht worden. Daar toch zal het handelsverkeer het meest plaats gevonden hebben, omdat daar de van het Noorden komende karavanen al spoedig werden opgevangen. 12') De vijand zal niets ontzien. Alle gelddragers zullen worden uitgeroeid. Gelddragers, we moeten denken aan geldwegers, met geld kon men slechts betalen, wanneer men het woog, omdat er geen gemunt geldmateriaal was. Dat kwam eerst veel later, na de ballingschap ; Joodsche munten vinden we eerst in den tijd van de Maccabeeën. Mijn geld en mijn goed kan me niet baten, als de Heere ten oordeel komt; dan blijkt, dat straatarm is al wie niet rijk is in God. En wat baat het een mensch, zoo hij de geheele wereld gewint en lijdt schade aan zijn ziel ?
Te dien dage zal de Heere Jerusalem met lantaarnen doorzoeken (vs 12) ; zooals de dienaar der Overheid het huis van boven tot beneden tot in zijn donkerste hoeken doorzoekt, zoo zal de Heere doen. Niets zal Hem ontgaan en niets blijft verborgen voor het aangezicht van Hem, met wien wij te doen hebben. Ik kan des Heeren onderzoekende blik niet ontvlieden en aan Zijn adem niet ontkomen. 12')
De Heere zal bezoeking doen over de mannen, die stijf geworden zijn op hun droesem, die in hun hart zeggen : de Heere doet geen goed en Hij doet geen kwaad, (vs 12) Het woord herinnert ons aan het oordeel over Moab (Jer. 48 vs 11) : Moab is van zijn jeugd aan gerust geweest en hij heeft op zijn heffe stilgelegen en is van vat in vat niet geledigd. De wijn is niet van tijd tot tijd overgegoten en daarom is hij dik geworden. Vroeger, b. v. in de dagen van Micha en Amos, stelden de menschen de dag des oordeels nog verre of ze meenden, dat die dag althans voor hen geen kwaad zou brengen, maar enkel goed. Maar de rijken in Zefanja's dagen zijn dat stadium al lang voorbij : zij gelooven, dat er wel niets gebeuren zal, want God doet geen goed, maar ook geen kwaad. Ach, zij vormen zich een god naar eigen gedachte. Hun god is een waan, een afgod. De levende God maakt den vrede en schept het kwaad; Hij formeert het licht en schept de duisternis. Hij, de Heere, doet alle deze dingen. De zondaar ligt op het bed van ijdele rust en meent van God niets te vreezen te hebben, maar in Zefanja's profetie dreunt het gerommel van het opkomende onweder Gods.
Geen goed doen en geen kwaad doen bij den Heere ? Van de afgoden, ja, van die geldt het: Vreest niet voor hen, want zij kunnen geen kwaad doen, ook is er geen goeddoen bij hen (Jer. 10 vs 5). Praktische atheïsten : zij ontkennen niet dat er een God is, o, neen, maar het laat hen koud, steenkoud, zij sidderen niet voor dien God, zooals de duivel doet, zij hebben dien God niet lief, noch vreezen zij Hem, zooals dat volk, dat Hem als goed en goeddoende heeft leeren kennen.
Daarom zal hun vermogen ten roof worden en hunne huizen tot verwoesting. Alle aardsche schatten kunnen geen bescherming geven tegen de straffende hand des Heeren. Radicaal zal de verwoesting zijn ; zij zullen alles verliezen. Huizen zullen ze bouwen, maar er niet wonen; wijngaarden zullen ze wel planten, maar van hun wijn zullen zij niet drinken (vs 13) Al hun arbeid zal tevergeefs zijn en hun moeite zal ijdel blijken; de vrucht van hun arbeid zal een ander in de schoot vallen. Alleen de zegen des Heeren maakt rijk en doet alle arbeid gedijen. De verwachting der goddeloozen zal vergaan. Als de Heere opstaat tot den strijd, dan wacht bittere ontgoocheling allen, die den Heere niet hebben gezocht en naar Hem niet hebben gevraagd.
6) Zie, Aalders in Bijbelsch Handboek, O. Testament, pag. 565.
7') Snijman, De profetie van Zefanja, pag. 69.
8) Smit, Kleine Profeten III (tekst en Uitleg), pag. 70.
9) Calvijn meent, dat het over den drempel springen niets anders bedoelt dan het op onbeschaamde wijze in bezit nemen van de vreemde huizen en bezittingen.
Een geheel andere verklaring geeft Jeremias in Das Alte Testament im Lichte des A. Orients, 4te Aufl. s. 734 : Met al wie over den drempel springt worden bedoeld de hoogwaardigheidsbekleeders des konings. Hij verklaart het woord, dat door de Statenvert. met drempel is weergegeven : de in treden naar boven lóopende opgEing voor het paleis of den tempel.
10) Zie 2 Kron. 32 vs 5.
11) Zie, Snijman, a.w., pag. 76.
12) Sellin, Das Zwölfprophetenbuch, s. 376.
13) In de huizen was het dikwijls donker. Denk maar aan Luc. 15 vs 8, waar de vrouw, die haar penning heeft verloren, eerst een kaars aansteekt voor zij het huis met bezemen gaat keeren. Meestal had men slechts één raam, omdat men overdag Slechts weinig in huis was. Het leven speelde zich af op straat of op dak. Niet zelden was de deur de eenige opening voor licht en lucht. (Zie, Volz, Die biblische Altertümer, s. 292.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 mei 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 mei 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's