De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de kerkelijke Pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de kerkelijke Pers

10 minuten leestijd

Meer predikanten--Afstichting.

Meer predikanten

In meer dan één blad hebben we den laatsten tijd kortere of langere stukjes kunnen lezen over „Meer predikanten".

In „Belijden en Beleven" zegt Prof. Dr F. W. Grosheide hiervan, dat het een groote zegen is, dat in een niet zoo klein aantal kerken 't aantal predikanten wordt uitgebreid. De Geref. Kerk van Utrecht staat aan de spits. Boven het gewone aantal konden hier twee dienaren des Woords worden beroepen. Wel wordt geloofd dat er verband is tusschen het karakter van den tijd, waarin wij leven, en deze uitbreiding. Maar dit wordt — terecht — bijzaak geacht. Hoofdzaak is, dat meerdere kerken hun roeping gaan verstaan. En het woord roeping wordt dan door Prof. Gr. nog eens onderstreept door 't volgende te schrijven, „Er is geen sprake van dat één dienaar des Woords twaalf honderd of zelfs vijftienhonderd leden der gemeente behoorlijk kan verzorgen.

Allerminst in een tijd, waarin er zooveel moet worden getroost, zooveel moet worden terechtgewezen. Het persoonlijke contact tusschen predikant en gemeenteleden moet in onze dagen bijzonder groot en bijzonder nauw zijn. Aan elk der broeders en zusters moet rustig kunnen worden gezegd, wat hij of zij naar het Woord des Heeren van noode heeft.

Wanneer we de genoemde getallen hooren, dan schrikken we toch wellicht als we daarbij denken aan onze grootere gemeenten in onze Kerk. Het is toch geen zeldzaamheid dat één predikant dan enkele duizenden gemeenteleden heeft te verzorgen. Dit brengt over schier de geheele linie meer arbeid mede. Gelukkig is er dan ook nog wel sprake van persoonlijk contact, maar een ieder, die eenigszins met de toestand op de hoogte is weet dat hier veel aan moet ontbreken. Vooral in plaatsen met sterk wisselende bevolking. In dit opzicht liggen tal van onze gemeenten ten achter bij andere kerken waar het aantal gemeenteleden per predikant geringer is.

Ook onder ons zou een grootere activiteit in deze richting niet overbodig zijn en zeer toe te juichen. Wat zou hier remmend werken ? Ongetwijfeld leeft de gedachte bij meerderen nog wel dat de predikant zijn werk best aan kan. Men ziet niet wat er zooal gedaan moet worden en hoeveel intensiever velerlei arbeid zou moeten worden aangepakt. Anderzijds zal men het „geld''-bezwaar naar voren schuiven. Prof. Gr. gelooft dat dit in zijn kerk geen onoverkomelijk bezwaar is, zooals door vele voorbeelden wordt aangewezen. Hij hoopt dat men althans op de ingeslagen weg zal voortgaan, hoewel hij ook maant tot voorzichtigheid. Ook met geld. Eerst kostenberekening en dan torenbouw. Maar deze vermaning van den Heiland mag vooral niet als oorkussen voor onze traagheid om niet te zeggen onze gierigheid worden gebruikt. Waar Christus roept, weet het geloof ook van wagen. En de Koning der Kerk, Wiens gemeente moet worden geweid, roept hier zeker.

Ook wij gelooven dat het geld geen bezwaar is wanneer deze roepstem des Konings wordt gehoord en gehoorzaamd. Als allen hier de handen ineenslaan, kan er zoo geweldig veel worden verricht. Wij kennen ook allen wel plaatsen waar noodig één of meerdere predikanten moesten worden beroepen om te arbeiden in de gemeenten.

Zou zulks nu beslist onmogelijk zijn ? Deze zaak verdient toch wel ernstige overweging. Of moet het aantal gemeenteleden daarvoor altijd de drie duizend flink gepasseerd zijn ?

Voor de zoo zeer noodige goede bearbeiding der gemeente wijst Prof. Hepp in Credo op

Afstichting.

Hij schrijft hierover het volgende. Afstichting is een Zuid-Afrikaansch woord. Dit wordt er mee bedoeld. „Wanneer een kerk voor één predikant te groot wordt, gaat de kerkeraad na, welk deel der gemeente voor zelfstandige institueering in aanmerking komt." Dit zal dan vanzelf dit deel zijn dat het verst van het kerkgebouw afwoont en in een wijk of kwartier, waar uitbreiding kan worden verwacht. Met die leden belegt de kerkeraad dan een vergadering ter bespreking van eigen-gemeentevorming. Of de leden alles zelf bekostigen kunnen mag niet op de voorgrond staan. Want de moederkerk moet voor een behoorlijke uitzet zorgen.

Het begin moet dan vanzelf klein zijn. Geen kathedraal, maar een eenvoudig, aardig kerkje dat voor de naaste toekomst toereikend is.

Bij de Gereformeerden in Noord-Amerika zet men soms voorloopig een „basement", wij zouden zeggen een sous-terrein, dat later voor vergaderlokalen is bestemd en waarboven eens de eigenlijke kerk zal verrijzen.

Bij beroeping van een eigen predikant belooft de moederkerk het ontbrekende geld bij te passen. Dit systeem werkt uitstekend. De dochter groeit de moeder wel boven 't hoofd, waardoor weer nieuwe „afstichting'' plaats heeft. Vanzelf zijn hier bij moeder en dochter moeilijkheden te overwinnen. Maar aan Prof. Hepp zijn geen gevallen bekend „waarin de doortastendheid het niet in den weg van overtuiging won." Aan kerkgebouwen wordt niet geknoeid om wat meer schaapjes te kunnen bergen en den herder tegelijk te overbelasten. Geen lapmiddelen.

Prof. H. vraagt dan of dit ook hier niet kan.

Voor verschillende kerken zal dit onmogelijk zijn. Afstichting brengt hier geen baat. Maar Prof. H. ziet nog genoeg kerken, waar de voorwaarden voor afstichting aanwezig zijn. Hij wijst op Amerika, waar men met 150 gezinnen en zelfs nog minder, best durft te beginnen. Dat is dan een 400 zielen. Op den duur redt zoo'n gemeente zich financieel wel. Eerst is het wat duurder, maar later is men voordeeliger uit.

De financieele zijde wordt bekeken, omdat het lieve geld bij ons vaak een groote — vaak te groote — rol speelt. Bovendien moet nog een hard stuk conservatisme worden overwonnen. Maar de tegenstand zal verzwakken, als men er maar eenmaal van doordrongen is, dat het geestelijk belang der gemeente zulks eischt. Als winst wordt gezien o. a. dat de gemeenteleden elkaar beter zullen kennen. Dit zal ook profijt opleveren bij de verkiezing van ambtsdragers. Voorts zal de gemeenschap der heiligen beter kunnen worden beoefend.

Als bij de drang naar meer predikantsplaatsen nu ook nog, waar mogelijk, de afstichting kwam, dan zou dit nog meer reden tot blijdschap zijn, volgens prof. H., en de zaak des Konings zou er door worden gediend.

Twee uitnemende middelen worden ons gewezen tot betere bearbeiding der gemeente, meer predikanten- en afstichting.

Wat dit laatste betreft, zal er in onze Ned. Hervormde Kerk met haar „richtingen" wel onoverkomelijker moeilijkheid zijn dan in andere kerken. Ten deele zal dit ook nog belemmerend werken op uitbreiding van predikantsplaatsen. Toch zullen er ongetwijfeld nog wel gemeenten zijn, waar in dit opzicht geen hindernis bestaat voor een noodzakelijke predikantsplaats. Zou onder ons dan het geld een belemmering zijn ?

Ook dat gelooven wij niet. We bedoelen daarmee, dat een Herv. (Geref.) gemeente van een drieduizend zielen toch zeker financieel wel twee predikantsplaatsen voor haar rekening kan hebben. Daarvoor is het geld zeker aanwezig. Als nu de noodzakelijkheid maar wordt ingezien. Dan zou er hier en daar zeker voor meerdere predikantsplaatsen worden gewerkt. En wat zou daardoor de arbeid kunnen worden bevorderd. Vooral meer persoonlijk bezoek zou tot zijn recht kunnen komen. En — vergeet dat óók niet — er zou een enkel uurtje voor rustige studie over kunnen schieten.

Of is dat soms niet noodig ? Komt dat de gemeente ook niet ten goede ? In grootere gemeenten, bij drukkere werkkring, moet nu het een wel eens om het ander lijden.

Waarbij het anderzijds toch telkens weer uitkomt, dat wie het het drukst heeft, ook weer het meeste werk vaak verzetten kan.

Een regel, die we op alle terrein nogal eens zien doorgaan. Intusschen geven we er ons heel goed rekenschap van dat we niet binnen afzienbaren tijd enkele nieuwe predikantsplaatsen zien gesticht. Waarbij nog komt, dat wij ook niet alleen mogen en moeten zien op wat er nog niet is en wij toch wel wenschen. Wij hebben ons ook wel terdege af te vragen of wij reeds gebruik gemaakt hebben van de krachten, die er in de gemeente zijn, om die te activeeren voor het werk in Gods Koninkrijk. Het zal misschien wel eens voorgekomen zijn dat er geroepen werd om meerdere predikanten, om kleinere gemeenten, dat er geklaagd is over overbelasting, over te veel „zielen" ter bearbeiding, terwijl men naliet de krachten die er waren te mobiliseeren voor het werk in Gods Koninkrijk. Wanneer er gezegd wordt: Die predikant heeft wel 3 of méér duizend zielen te bearbeiden — dan is dat niet het allerbelangrijkst. Maar 't komt er op aan wat er gedaan wordt onder die menschen. We weten allen heel wel, dat het God Zelf is. Die het huis bouwt. Die Zijn Koninkrijk doet komen, maar dat ontslaat ons niet van onze roeping te arbeiden zoolang het dag is, naar de mate van de kracht, die God ons heeft geschonken. Daartoe moeten allen meewerken. Alle krachten moeten gemobiliseerd worden. Predikanten, ouderlingen, diakenen, wijkbezoekers, enz. Alle lauwheid moet verre van ons zijn. De Koning der Kerk roept tot Zijn dienst. En dan niet omzien, als we de hand aan de ploeg slaan, want dan zijn we onbekwaam tot het Koninkrijk Gods. Laten hiervan vooral de vaders en de moeders goede nota nemen.

Want het gezin mag wel allerminst vergeten worden. De ouders hebben alle krachten in te spannen om de kinderen waarlijk christelijk op te voeden. Daartoe behoort ook het trouw opgaan als gezin tot den dienst des Woords en der Sacramenten. Hierin hebben we de kinderen toch zeker niet vrij te laten. Of zelf thuis te blijven en de kinderen te sturen.

Dr G. P. van Itterzon wijst in de Vragenbus in de Geref. Kerk op de trouwe kerkgang, ook bepleit door de afgevaardigden ter Dordtsche Synode. Door de Friesche en Overijselsche kerken was namelijk een bezwaarschrift ingediend tegen de verwaarlozing van de Catechismusprediking op Zondagmiddag. Als redenen hiervoor werden, opgegeven: nalatigheid van de predikanten, combinatie van gemeenten en de last om de landlieden des Zondags naar de kerk te krijgen. En wat was de meening der Synode ? Deze gaf als haar meening te kennen dat, al was 't getal hoorders klein, dit den predikant niet ontsloeg van zijn verplichting den middagdienst te houden. Om een voorbeeld te stellen, moest hij desnoods alleen voor zijn gezin optreden. Een nalatig predikant moest worden gecensureerd. Dit moest ook geschieden niet hen, die belijdenis deden en weigerden de middagpreek bij te wonen of hun gezin hiertoe te brengen.

Alleen op dit gedeelte van Dr Van Itterzon's antwoord willen we thans de aandacht vestigen. Opdat het ter harte genoinen worde. En wilt ge hierover nog iets hooren van Calvijn? Zie dan wat hij schrijft in zijn preek over 't 4e gebod (Het gepredikte Woord IV, blz. 86, 87) : „Maar intusschen moeten wij er aan denken, dat het niet het een en het al is en dat het heel armzalig zou zijn, de handen en de voeten te laten rusten, en er was niets meer dan dat. Wat is dus noodig ? Dat wij deze rust tot een hooger doel aanwenden; dat wij ons verre houden van onze eigen werken, die ons zouden kunnen verhinderen om de daden Gods te overdenken. Zijnen Naam aan te roepen en ons te oefenen in Zijn Woord. Als wij den Zondag besteden om goede sier te maken, om ons te vermaken, : en eenig tijdverdrijf te hebben, zal God daarmee geëerd worden ? Is het niet een bespotting, ja zelfs ontheiliging van Zijn Naam? Maar, wanneer de werkplaatsen des Zondags gesloten worden, dat men niet op de gewone wijze zal werken, is dit om 'ruimte' en vrijheid te krijgen zijn tijd te geven aan hetgeen God ons beveelt, n.l. dat; wij onderwezen worden door Zijn Woord, dat wij samenkomen om belijdenis te doen van ons geloof, om Zijnen Naam aan te roepen, : om ons te oefenen door de Sacramenten te gebruiken''.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 mei 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Uit de kerkelijke Pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 mei 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's