De Tafel des Verbonds
Wij kiezen dezen titel, om daarmede op de overeenkomst van Doop en Avondmaal te wijzen, die beide teekenen des Verbonds worden genoemd. Christus zelf spreekt van het Nieuwe Testament in Zijn bloed, ten aanzien van het Heilig Avondmaal, terwijl Hij den Doop verbindt aan het bevel der prediking.
Ook al staan wij met eenige reserve tegenover allerlei verbondstheologie, laten wij toch het Verbond niet los, omdat het naar de Schriften is. Het Verbond is voorts de eenige grond, waarop de kerk den kinderdoop verdedigt en onderhoudt. Wij blijven er bij, dat de kinderdoop als doop der jonge kinderen in dien particulieren zin niet is geboden. Wanneer daar gesproken wordt van den stokbewaarder en al de zijnen, dat is, die in zijn huis waren, zegt dat op zich. zelf niets van de jonge kinderen. (Vgl. Hand. 16 : 33). Het zegt echter meer, het ziet op het huis in breederen zin, omvattende de huisgenooten, waartoe ook de gedienstigen, en waarvan de man het hoofd is. Dat plaatst ons onmiddellijk in den regel van het Verbond. En als zoodanig is ook de leer van het Formulier verantwoord, dat de Doop in de plaats der besnijdenis is gekomen.
Beide sacramenten zijn alzoo teekenen en zegelen des Verbonds. En het Verbond vindt in de gemeente des Heeren, in de kerk, zijn zichtbare zijde. Dat valt niet te betwisten. De kerk is de familia Christi, het goddelijk huisgezin, in zijn aardsche openbaring. In het licht des Verbonds is de kerk in haar aardsche gestalte de vergadering der huisgenooten Gods. Die vergadering wordt door God uit de geslachten der aarde bijeengebracht.
Men kan het daarmede eens zijn, of niet, maar men zal toegeven, dat de Heilige Schrift dat zoo leert. (Ef. 2 : 19). Daar kunnen huisgenooten zijn, die dat niet beseffen, deze conditie, waaronder zij verkeeren, niet erkennen of waardeeren. Dat kan alles zoo zijn, maar de gemeente des Heeren is niet een grooter of kleiner getal individueele menschen, die naar eigen believen of willekeur een gezelschap uitmaken. Zij is er ook in haar algemeene verschijning op aarde krachtens een daad van goddelijke verkiezing en beschikking. De kerk is een gemeenschap naar goddelijke ordinantie, welke geslachten omvat.
De kerk is derhalve geen gezelschap op menschelijk statuut. Zij is niet gesticht door menschen. Haar fundament is Christus. De kerk als zichtbare verschijning teekent het Verbond verder niet als een begrip of idee, bevattende Gods beloften en bedreigingen, maar als vervullende daad Gods, als werkelijkheid en goddelijke werkzaamheid.
Aan deze werkelijkheid hebben wij ons kerkbegrip te toetsen. Daaraan beantwoordt de werkelijkheid van de verhouding, waarin allen, die bij de kerk zijn, verkeeren, als werkzame verhouding. Het kind ondervindt, dat de verhouding, waarin het bestaat, geen doode, maar een werkzame is, zoodra het de orde van het gezin overschrijdt.
Zoo zet het Verbond Gods de kerk in een werkzame verhouding, die niet liegt, omdat het Gods daad is. De bedreigingen van het Verbond zijn even zoo weinig ijdele woorden als de beloften. Daarmede heeft de kerk te rekenen als de zichtbare gestalte van het huisgezin Gods, maar daarmede hebben allen ook individueel te rekenen, die onder het Verbond als onzichtbare werkelijkheid vallen.
De kerk en een iegelijk lid afzonderlijk zijn voor God verantwoording schuldig. Zij zijn schuldig zich als gemeente van Christus en als huisgenooten Gods te gedragen.
Op die verantwoordelijkheid kan niet genoeg de nadruk worden gelegd. Gehoorzaamheid is het beginsel der geestelijke tucht, waartoe de gedoopten behooren te worden vermaand, opdat het Sacrament des Doops heilig worde gehouden en in het licht van de bijzondere roeping Gods, die op de personen uitgaat, wordt verstaan.
Alleen onder die conditie zal de schare der discipelen de kenmerken dragen van de gemeente des Heeren, en de vergadering der huisgenooten Gods.
Zal de geestelijke tucht waken over de heilighouding van het Sacrament van den Doop, en den sacramenteelen band voor een onbehoorlijke veruitwendiging bewaren, zij zal ook een gezonde en Schriftuurlijke waardeering van het Heilig Avondmaal bevorderen.
Herinneren wij aan het Avondmaalsformulier, dat aanvangt op het woord van Paulus te wijzen (1 Kor. 11 : 23—29), dan moge op den voorgrond worden gebracht, dat het bevel er ligt: neemt, eet.
Daaraan wordt toegevoegd: doet dat tot Mijne gedachtenis en zoo dikwijls gij den drinkbeker drinkt : gedenkt den dood des Heeren.
Zoo is het Avondmaal een zichtbare en zwijgende prediking van den dood des Heeren, die weerklank vindt, in het hart dergenen, die aanzitten.
In deze gedachtenis is de gemeenschap gelegen, alzoo zij in dat gedenken van het lijden en sterven van den eenigen Zaligmaker met Hem en in Hem met elkander verbonden zijn.
Gelijk zij de teekenen van brood en wijn aan de Tafel des Heeren tot zich nemen, zijn zij als een huisgezin vereenigd tot een zichtbaar teeken van de vaderlijke zorg voor Zijn huisgenooten, die Hij met Zijn geestelijke spijze voedt en onderhoudt.
Gods Verbond verschijnt naar zijn diepste werkelijkheid in het teeken van de gemeente, die aan de Tafel des Heeren de gemeenschap Zijns lichaams oefent, in de aanschouwelijkheid.
En het spreekt voor zich zelf, dat zij, die zich schikken onder de huisgenooten, deze dingen geestelijk verstaan. Vandaar, dat het Formulier na de inzetting des Avondmaals overgaat tot de zelfbeproeving, opdat men de teekenen in het geloof tot zich neme.
Dat is te meer noodig in verband met de vermaning van den apostel om niet onwaardiglijk te eten en te drinken.
Onwaardiglijk — de verklaring staat er bij: niet onderscheidende het lichaam des Heeren.
Dat komt inderdaad overeen met wat wij onbehoorlijk noemden ten aanzien van den Doop. Ook daarbij treedt de onderscheiding van het lichaam des Heeren op den voorgrond. Niet om te onderzoeken of de doopeling wel wedergeboren is, of daarvoor gehouden moet worden, maar of de ouders het lichaam des Heeren onderscheiden, waarvan de kerk een openbaring is. Daarom de kinderen der geloovigen, want het geloof onderscheidt het lichaam des Heeren, omdat het uit die onderscheiding opkomt, onderscheiden is van de wereld.
Wie zijn kind niet uit geloof laat doopen, doet zulks evenzeer onwaardiglijk, als iemand, die zich aan de Tafel des Heeren schikt, doch niet uit het geloof.Het geloof is de onderscheiding. Daarom vraagt het Formulier beproeving, of er geloof is, inzonderheid omtrent de dingen, die het Avondmaal predikt.
Ten aanzien van de ouders, die den Doop voor hun kinderen vragen, kan dat niet anders zijn.
Verder onderzoekt het Formulier naar de genegenheid om naar het geloof te wandelen. Daardoor toch wordt de onderscheiding van het lichaam des Heeren openbaar. Ook dit geldt ten aanzien van het Sacrament des Doops.
De onderscheiding van het lichaam des Heeren, door de Schrift geëischt, wijst dus wederom terug op het Verbond Gods en wel op het geloof in den God des Verbonds en op de openbaring naar buiten.
Die onwaardiglijk eet en drinkt, eet en drinkt zichzelven een oordeel, omdat hij geoordeeld is, want al wat niet uit het geloof is, is zonde. Men kan dat terecht op allen toepassen, die onwaardiglijk in de gemeente des Heeren verkeeren.
Het onwaardiglijk begint niet bij het al of niet aanzitten aan den Disch des Heeren, maar het treft heel het kerkelijk en persoonlijk leven, dat niet uit het geloof is. De Heilige Schrift vermaant dus den ongeioovige zich van de Tafel des Heeren te onthouden, om hem aan zijn ongeloof te herinneren en aan den voor God geoordeelden staat, waarin hij verkeert. Daarin betuigt zij, dat er ongeloovigen in de gemeente verkeeren, en dat zij, zoolang zij in hun onbekeerlijken wandel volharden, geen deel hebben onder de huisgenooten Gods.
Dat is de vermaning tot geestelijke tucht, welke ook van de prediking des Woords behoort uit te gaan.
Nog eens zij er op gewezen, dat de Schrift zelf hier openbaart, dat er ongeloovigen in de kerk zijn, gelijk zij ook van wederhoorige kinderen des Venbonds menigmaal getuigt. De Heere brengt een volk tezamen, dat van nature verdorven en weerspannig is, en noemt het Zijn volk, Zijn gemeente. Het is Zijn wil, dat het zich als zoodanig onderscheide, en Zijn welbehagen om door Zijn Woord en Geest Zijn uitverkorenen te vergaderen. Daarom stelt Hij het onder Zijn Wet, opdat Hij gekend wordt in de onuitsprekelijke genade, welke Hij in Christus heeft geopenbaard.
Dat alles ligt in de werkelijkheid van Zijn Verbond, hetwelk bestendig in vervulling gaat. Niet onderscheidende het lichaam des Heeren. Dit woord heeft een veel verder gaande strekking dan welke daaraan veelal wordt toegekend, als wilde het van de Tafel des Heeren afmanen. Dat wil het zeker niet, want dat ware tegen het goddelijk bevel en de inzetting.
Het roept tot zelfbeproeving, niet of men waardig is om aan te zitten, maar veel eer, of men onwaardig is om te verkeeren in het huisgezin Gods en daarom geen andere toevlucht heeft dan Jezus Christus en Dien gekruisigd.
Het is een roep niet voor het moment, maar hij treft ons geestelijk leven als geheel. Hoe verkeeren wij in de gemeente des Heeren ? Als menschen, die geen behoefte hebben aan de geestelijke spijze, of als hongerend en dorstend naar gerechtigheid?
En het is dezelfde prediking, welke ook van den Doop uitgaat. Wordt hij het bad der wedergeboorte genoemd, zoo is zij niet alleen een teeken en zegel daarvan, maar ook als zoodanig een prediking : Gijlieden moet wederom geboren worden.
Intusschen voegt hij, die zich aan de Tafel des Heeren schikt, zich welbewust onder de huisgenooten Gods. Dat is een zwijgende daad van persoonlijk belijden, waartoe men telkens weer geroepen wordt, als het Heilig Avondmaal wordt bediend. Als belijdende daad staat zij echter niet op zichzelf. Heel het leven moet belijden zijn.
Let men nu op dit belijden als zwijgende daad, dan kan men verstaan, waarom aan de openbare belijdenis de toegang tot het Heilig Avondmaal is verbonden. Het is nog wat anders. De geestelijke tucht over de tafel des Heeren kan met die zwijgende belijdenis geen genoegen nemen.
Juist op grond van de apostolische vermaning kan de kerk maar niet berusten in de zwijgende belijdenis dergenen, die zich tot het Heilig Avondmaal schikken. Daaraan zal een sprekende belijdenis moeten voorafgaan. Op welke wijze dit geschiedt, is een zaak van orde en kerkelijke tucht. Dat kan onder verschillende omstandig heden verschillend zijn, maar het kan duidelijk zijn, dat bij den groei der gemeente de jonge lidmaten, die, daartoe genegen en wel onderwezen, in de gelegenheid werden gesteld zich aan het onderzoek te onderwerpen en belijdenis des geloofs te doen, opdat hun de toegang tot het Avondmaal wordt geopend.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 mei 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 mei 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's