De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Doop en Avondmaal

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Doop en Avondmaal

8 minuten leestijd

Hoe staat het belijdenis doen tot den toegang aan de Tafel des Heeren ?

Wat tot hiertoe aangaande de openbare belijdenis werd opgemerkt, heeft, naar het schijnt, nog weinig nieuws aangaande de positie der jonge lidmaten gebracht. Veeleer zou iemand kunnen zeggen, dat er eigenlijk niets is veranderd. De kinderen der geloovigen zijn reeds jonge lidmaten, voordat zij belijdenis doen. Zij zijn discipelen van Christus, en dit houdt niet op, als zij openbare belijdenis hebben gedaan. De verandering, welke zich in het doen van openbare belijdenis afteekent, schijnt dus geen andere te zijn dan dat men zich bewust is geworden van de conditie, waaronder men ten aanzien der gemeente van Christus verkeert, en getuigenis heeft gegeven van de gezindheid om Hem aan te hangen en te volgen.

Inderdaad is dat ook zoo. En daarom hebben degenen, die belijdenis des geloofs hebben gedaan, toegang tot het Heilig Avondmaal. Immers de kerk heeft geen recht om hen, die geen aanstoot of ergernis geven in leer en leven, van de Tafel des Heeren te weren. Anderzijds is het duidelijk, dat daar voor den heiden geen plaats is. Dit is het Nieuwe Testament in Mijn bloed.

Brood en wijn zijn de teekenen en zegelen van de heilige gemeenschap in Christus. De beteekende zaak is daarmede aangeduid. Calvijn spreekt van het huisgezin Gods, waarover God Zijn vaderlijke zorg uitstrekt en hetwelk Hij onderhoudt.

Zoo worden wij door het Heilig Avondmaal bepaald bij de gemeente des Heeren als de vergadering der ware Christgeloovigen, zooals de belijdenis dat uitdrukt.

Hoe zullen wij nu het huisgezin onderscheiden ? Hoe zullen wij het kennen en de Tafel des Heeren heiligen? Het huisgezin des Heeren onderscheiden ? Als wij dit geestelijk willen zien, als de vergadering der kinderen Gods, is dit niet mogelijk. Wie in dezen weg gaat, dwaalt. De eerbiedige schuchterheid, welke ons past, mag tot zulk een oordeel niet uitdrijven.

En toch leert de ervaring, dat men in de gemeente een schifting maakt tusschen degenen, die aan een geestelijken maatstaf gemeten boven niet zelden het meerendeel der gemeente, dat daarbuiten staat, worden geacht als huisgenooten Gods. Het komt zelfs voor, dat het Heilig Avondmaal niet bediend behoeft te worden, omdat de gemeente niet komt.

Deze zaak vraagt op haar beurt om verklaring en ook daarover zullen wij het hebben. Staan wij echter eerst stil bij de feiten.

Terwijl men weinig schuchterheid betoont tegen het Sacrament van den Heiligen Doop, zelfs den schuldigen eerbied verzaakt en de gehoorzaamheid laat varen, is men jegens het Sacrament van het Heilig Avondmaal zoo gereserveerd, dat het gemakkelijk wordt overgelaten voor de erkenden, en voor de anderen schier tot onverschilligheid wordt.

Dat nu kan zeker niet overeenkomstig de instelling van Christus zijn. Het legt een geheel verkeerd en onschriftuurlijk accent op de verantwoordelijkheid, die zich schuil houdt achter de vrees voor het oordeel, waarvan het Formulier spreekt.

De gemeente des Heeren is geroepen het Heilig Avondmaal heilig te houden, opdat er geen oordeel over haar kome. Zij is echter niet geroepen om te waken, dat niemand tot de Tafel des Heeren nadere dan Gods uitverkorenen. Dit kan haar roeping niet zijn, omdat de Heere alleen weet, wie de Zijnen zijn. De gemeente heeft geen heerschappij over de verkiezende genade Gods. Zij heeft in deze verborgenheid niets te bedillen en zij mag ook niet toelaten, dat degenen, die zich zulk een recht aanmatigen, heerschappij voeren in de gemeente.

De leden der gemeente zijn verplicht en geroepen ook over elkander te waken, doch niet in de dingen, die haar niet toekomen. De profeten zijn den profeten onderworpen, leert de Schrift. Zij dan, die zich het ambt der profeten toeëigenen, zullen daar­ aan gekend worden, dat zij discipelen van den hoogsten Profeet en Leeraar zijn en zich aan Zijn Woord en bevel onderwerpen.

Er is, naar de ervaring kan leeren, gereede aanleiding tot bezinning over de roeping der kerk ook op het stuk van de bediening en het gebruik van het Heilig Avondmaal, en wij mogen wel zegge;  het niet-gebruik van dit heilig Sacrament.

Vergelijken wij dit eerst met het Sacrament des Doops. Is dat minder heilig dan dat van het Avondmaal ? Dat zal niemand durven beweren. Maar het onderscheid ligt daarin, dat de kerk de bediening des Doops aan de kinderen der geloovigen overeenkomstig den wil Gods in de sfeer van het behoorlijke ziet getrokken. Als kinderen der geloovigen behooren zij gedoopt te worden. De kerk staat voor een voldongen feit. Zij leert, dat de kinderen der geloovigen in Gods Verbond begrepen zijn. Zij zijn in de groote familie van Christus' gemeente geboren. Dat is een beschikking Gods, die men slechts kan aanvaarden. Kinderen dergenen, die bij de kerk zijn, zijn ook bij de kerk. Het Verbond Gods omvat de geslachten. De naensch kan dat feit veronachtzamen, daartegenover een onverschillige houding aannemen, maar hij kan het niet ongedaan maken. Dies worden er vele kinderen gedoopt, omdat het behoorlijk is, met de goede kerkelijke zede overeenkomt, uit gewoonte en ook uit bijgeloovigheid, of omdat men geen heiden wil zijn en zijn kind niet tot een heiden wil maken.

Dit laatste argument is, zooals wij in den breede hebben aangetoond, zelfs een onchristelijk argument, want de kinderen der kerk zijn geen heidenen, als zij ongedoopt blijven, en zij kunnen, gedoopt zijnde, den heidenen gelijk zijn.

De practijk wijst dan ook uit, dat degenen, die zoo scrupuleus willen zijn ten aanzien van het Heilig Avondmaal, kind en kleinkind ongaarne ongedoopt zien, blijven.

Er is zulk een onderscheid in waardeering van de beide sacramenten, dat men tegelijkertijd wordt gewezen op een oorzaak in de beteekenis van het Sacrament, anderzijds in een duiding, die niet met de Heilige Schrift in overeenstemming kan zijn.

Wij wezen op het voldongen feit van het in de gemeente zijn door geboorte en daarom in het Verbond begrepen zijn. Verder op het behoorlijke van gedoopt te wezen.

Dat laatste wijst echter op een zedelijke verhouding, welke onmiddellijk een beroep doet op de gezindheid en op de verantwoordelijkheid.

Het geldt hier niet een vormelijkheid, een vorm, waaraan men zich op gezag van goede zede of gebruik houdt. Zooiets van fatsoenshalve. De beteekenis van 't woord behoort gedoopt te wezen, grijpt veel dieper. Omdat de kinderen door God tot Zijn kerk zijn vergaderd, in de gemeente zijn gebracht, én daardoor de voorrechten des Verbonds deelachtig en van de heidenen onderscheiden, is het behoorlijk, dat zij daarvan het teeken en zegel dragen.

Dat behoorlijk steunt op de erkenning van deze goddelijke beschikking, op de gezindheid overeenkomstig de roeping des Verbonds te handelen, op de genegenheid zich onder de heerschappij des Heeren te stellen.

Dat behoorlijk wijst terug op het geloof en de geloofsgehoorzaamheid der ouders. Het is behoorlijk, zijnde in overeenstemming met de verhouding, waarin wij door Gods beschikking zijn gezet, zooals die in het geloof wordt gekend en erkend.

Indien dat niet aanwezig is, is de bediening des Doops zelfs niet meer behoorlijk, ondanks het bevel. Daar geschiedt geen ding bij geval. Zoo kan een kind gedoopt worden naar de ordinantie Gods en toch op een ongepaste en onbehoorlijke wijze, dat is op een wijze, die naar Gods Woord geoordeeld is.

En dat is nu juist een zaak, waartegen de kerk naar haar vermogen heeft te waken — want het is een onheilig gebruik van het heilig Sacrament. De kerk haalt zich daarmede niet minder een oordeel op den hals dan door de ontheiliging van het Avondmaal des Heeren.

Dat komt trouwens uit het onheilig gebruik zelf voort. Als de gehoorzaamheid bij de ouders ontbreekt, hoe zal het dan bij het jonge geslacht zijn ? En hoe zullen zij tegenover den Doop staan ? Als de geestelijke tucht gaat ontbreken, zal dit voor het geheele kerkelijke leven gevolgen hebben, die het karakter der kerk aantasten. Zij zal in zich zelf verdeeld worden en haar roeping in het midden des volks niet meer kunnen volbrengen. Daarin steekt op zich zelf reeds een oordeel.

Anderzijds is er in het sacramenteel verband door den Doop een uitwendige kant, welke in de practijk bewijst gemakkelijker tot formalisme en gewoonte te voeren dan dit met het Heilig Avondmaal het geval is.

Wellicht vindt dit aanleiding in hetgeen wij telkens reeds opmerkten : n.l. dat de regel niet is, dat iemand zich voegt bij de kerk en daarom, het teeken des Doops verlangt, maar dat men door geboorte tot de kerk behoort. De bediening van den Doop aan het kind geschiedt in den weg der gehoorzaamheid der ouders, niet op grond van persoonlijk geloof van den doopeling. Daarentegen is het gebruik van het Heilig Avondmaal een daad van gelofsgehoorzaamheid en derhalve van persoonlijk geloof.

Tegenover de veruitwendiging van den Doop laat zich een vergeestelijking van het Avondmaal waarnemen. Het een hangt met het ander saam. Hier is een wederkeerige beïnvloeding van waardeering, welke gevolg is van het gebrek eener geestelijke tucht, die door de Schrift wordt geboden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 mei 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Doop en Avondmaal

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 mei 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's