De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE HISTORIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE HISTORIE

Luthers verklaring van Paulus' Brief aan de Galaten

5 minuten leestijd

Hoofdstuk III.

Het doel der Wet. Vers 19—29. (XIII) Vervolg vers 23.

De woorden „bewaard en besloten onder de Wet" zijn niet zonder inhoud of als sophistische spitsvondigheid te beschouwen; ze zijn ernstig bedoeld en hebben wel degelijk beteekenis.

De kerker der Wet toch is als het ware een geestelijke verschrikking, waardoor, 's menschen gemoed, zóó in de knel komt, dat het in de gansche wereld geen plekje vinden kan, waar het zich veilig voelt.

Zoolang deze verschrikking aanhoudt, worden we door zulk een hevigen angst bevangen, dat we het er voor houden, dat de hemel en de aarde, al waren zij nog tienmaal omvangrijker, niet grooter zijn dan een muizegaatje.

In een zoodanige gemoedsgesteldheid wordt de mensch ontdaan van alle wijsheid; zijn krachten begeven het, en alle gerechtigheid, raad en hulp laten hem in den steek, 's Menschen gemoed is namelijk een heel teer iets, zoodat het, wanneer het in een kerker opgesloten zit, nergens een uitweg ziet; veeleer schijnt het dan, dat de benauwdheid der ziel nog oneindig toeneemt en zwaarder wordt. Men ervaart dan den oneindigen toorn Gods, en men beseft, dat men Hem niet ontvluchten kan.

Psalm 139 vers 7 zegt: „Waar zou ik heengaan voor Uwen Geest, en waar zou ik heenvlieden voor Uw aangezicht ? "

Zooals nu op natuurlijk gebied het opgesloten zitten in een kerker een lichamelijke plaag en kwelling is, zoo is in geestelijk opzicht de gevangenis van de bekommering en angst des harten, evenzeer eene bezoeking. Want hij, die opgesloten zit voelt zich beroofd van den vrede en de rust des harten. En hij meent, dat zulks voor altoos is, doch een en ander duurt slechts totdat het geloof zijn intrede in 's menschen hart doet.

Daarom moet een ziel, die in den kerker der Wet opgesloten zit, aldus vertroost worden :

Lieve broeder, ge zit nu wel gevangen, maar ge moet weten, dat zulks niet voor eeuwig wezen zal. Er staat namelijk geschreven, dat wij opgesloten blijven „tot de komst van het geloof. Derhalve wordt ge in den kerker niet getuchtigd tot uw verderf, maar opdat gij straks door het gezegende zaad zoudt verkwikt worden. Ge wordt weliswaar door de Wet gedood, maar dit geschiedt opdat ge straks door Christus levend gemaakt zult worden. Kom dus niet tot vertwijfeling, zooals Kaïn, Saul en Judas, die, toen zij in geestelijke gevangenschap kwamen te verkeeren, op niets anders gezien hebben dan op hun banden, waardoor zij tot vertwijfeling gekomen zijn. Gij behoort u anders te gedragen ; ge moet weten, dat het tot uw bestwil geschiedt, wanneer ge opgesloten zit en benauwd wordt. Ge moogt niet tot wanhoop geraken, doch ge behoort in te zien, dat ge uw gevangenschap goed moet gebruiken en dat ge u behoort te richten op het geloof. Want God wil niet, dat ge in een dergelijken toestand blijft; Hij doodt u niet, om u dood te laten. In Ezechiël 33 vers 11 zegt de Heere : „Zoo waarachtig als Ik leef, zoo Ik lust heb in den dood des goddeloozen, maar daarin heb Ik lust, dat de goddelooze zich bekeere van zijnen weg en leve". God brengt u in angst, opdat ge u zoudt verdeemoedigen, en opdat ge tot de erkentenis zoudt komen, dat de barmhartigheid Gods en de weldaden van Christus door u niet ontbeerd kunnen worden.

De bewaring onder de Wet moet dus niet altoos duren, doch slechts tot de komst van het geloof.

In Psalm 147 vers 11 lezen we: „De Heere heeft een welgevallen aan hen, die Hem vreezen, die op Zijn goedertierenheid hopen".

Dit wil zeggen, dat de twee zaken („vreezen en hopen") met elkaar verbonden moeten worden, hoe verschillend zij in den grond der zaak ook mogen zijn.

Wat ligt er meer van elkaar, dan Gods toorn vreezen, en op Zijn goedertierenheid hopen!

Het eene is de hel.

Het andere de hemel.

En toch moeten beide in 's menschen hart nauw verbonden zijn. In theorie is deze verbintenis gemakkelijk tot stand te brengen, maar in de practijk gaat dit niet zoo gemakkelijk. Ik heb dit zelf dikwijls ervaren.

De papisten en uitvinders van secten weten van deze dingen niets. Wanneer zij Paulus' woorden hooren en lezen, dan zijn ze duister voor hen en niet te verstaan.

Wijl nu de Wet ons pijnigt en kwelt, en onze kerker is, waarin wij gevangen zitten, zoo staat het vast, dat wij niets met haar ophebben, doch haar grondig haten.

Wie de Wet bemint, die liegt en weet niet, wat hij zegt.

Een dief toch, die het prettig zou vinden om in de gevangenis te zitten, moet voor dwaas en krankzinnig gehouden worden !

Zoo zijn ook wij bittere vijanden der Wet.

Om kort te gaan: wij houden van de Wet en haar gerechtigheid evenveel, als een moordenaar van zijn kerker.

Hoe zou het nu mogelijk zijn, om door de Wet te worden gerechtvaardigd ?

...... zijn wij besloten geweest tot op het geloof, dat geopenbaard zou worden. Slot vers 23.

Dit heeft betrekking op den tijd, toen Christus kwam.

Gij kunt dit evenwel ook op uw eigen hart toepassen. Want wat ten tijde van Christus zich historisch voltrokken heeft, namelijk de afschaffing der Wet en de openbaring van vrijheid en eeuwig leven, dat heeft nog dagelijks plaats in het hart van ieder christen, zij het dan in geestelijk opzicht. In het gemoed des menschen toch treft men bij afwisseling een tijd der Wet en een tijd van genade aan. ^)


) Luther poneert hier wel een heel gevaarlijke stelling, waarop we niet nalaten kunnen even de aandacht te vestigen. Al bedoelt de hervormer het ongetwijfeld goed, — zijn terminologie is niet zonder bedenking. Wanneer in het hart van een christen de heerschappij der Wet plaats maakt voor de vrijheid des geloofs, dan geschiedt beslist niet hetzelfde, als wat zich voltrokken heeft in de heilsfeiten, die maar éénmaal hebben plaats gehad, en niet voor herhaling vatbaar zijn.

De toepassing vandaag van de door Christus verworven gerechtigheid, is nog iets anders, dan het door den Middelaar verrichte werk zelf.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 mei 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE HISTORIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 mei 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's