MEDITATIE
In raadselen tast de mensch rond. Waartoe is hij geschapen, wat is het doel en de beteekenis van het leven? Al martelt hij zich af om met zijn verstand een bevredigend antwoord te vinden, het baat hem niet, zoolang hij zichzelve in het middelpunt plaatst. Troosteloos staat de mensch, wanneer het ontzettend einde komt. Bij den dood staat het verstand stil. Geen antwoord wordt gegeven op de dringendste nooden der ziel. Zulks geldt voor allen onzer, wanneer de Heere, de Rechtvaardige, ons aan ons lot overliet. Echter nam de Almachtige redenen uit Zichzelven om Zich in genade aan Adamskinderen te openbaren en geeft bij het licht des Heiligen Geestes ons het doel der schepping, namelijk de eere Gods, te verstaan. Tevens laat Hij ons niet onbekend met de beteekenis van onzen diepen val en de barmhartigheid, waarmede Hij over Zijn gemeente is bewogen, die van dood levend is geworden in Jezus Christus. Een ieder, die den Zoon verwerpt, verzwaart zijn oordeel. Verwerpelijk in zich zelve, is de gemeente Gods in Christus dierbaar. In al haren strijd bezit zij in de opstanding van Christus het zalige pand harer eigen verrijzenis. De vijanden mogen vele zijn, twijfel haar hart menigmaal verscheuren, dood en verderf haar aangrijnzen, de bange vraag haar benauwen, hoe het met haar lichaam zal gaan in de groeve der vertering, zoo is nochtans haar het evangelie de blijde boodschap, dat Christus, als de Eersteling uit de dooden, haar met ziel en lichaam heeft verlost. Velen loochenen de opstanding van Christus uit de dooden. Ook in dezen kan het vaak donker zijn in het hart van Gods kind. Daarom vragen wij met ernst uwe aandacht, hoe door Paulus de opstanding des vleesches wordt gestaafd, ten troost der opstandingsgemeente en om degenen, die de verrijzenis loochenen, den mond te stoppen en wel naar aanleiding van 1 Corinthe 15 vers 36—42a.
Door twee boeken maakt Zich de Heere kenbaar aan den mensch en wel door het boek der natuur en der Schriftuur. Het eerste is niet toereikend tot zaligheid van den zondaar en beneemt hem alle onschuld.
Toch mag Gods kind in het boek der natuur gaarne lezen. Immers beeldt de natuur af, wat er op geestelijk gebied plaats grijpt. De Heere Jezus Christus toch gebruikt telkens beelden uit de natuur. Op voetspoor van Jezus doet Paulus zulks ook.
Ook de Corinthiërs, welke de opstanding van Christus loochenen en de hoop van Gods kinderen verdonkeren, wijst hij op de natuur. Vele zoogenaamde wijzen loochenen haar en vinden haar een dwaasheid. Met klem betuigt daarom de apostel: „maar nu Christus is opgewekt". De verschijningen bewijzen zulks. De loochening der opstanding werpt het gansche evangelie omver en zouden de, apostelen valsche getuigen zijn. Daarom stelt de apostel de volkomenheid van Christus' verlossingswerk buiten twijfel. „Hoe zullen de dooden opgewekt worden en met hoedanig een lichaam zullen zij komen" „Gij dwaas", zegt Paulus, „hetgeen gij zaait, wordt niet levend, tenzij dat bet gestorven is''. Een levenlooze graankorrel wordt aan den schoot der aarde toevertrouwd. Zij sterft en wordt eene levende plant. Onnadenkend wordt er gezaaid, en toch, iedere zaadkorrel leert den zondaar, hoe de Heere het leven wekt. Op 't oog is zij dood. Geen leven is er, zoolang zij niet wordt gezaaid.
Alsdan sterft het graan, de bekleedsels vergaan, verrotten en eerst daarna groeit de plant omhoog en wordt, een nieuw schepsel. Zoo is het ook met de opstanding uit de dooden. Een dood lichaam wordt aan den schoot der aarde toevertrouwd. De stoffelijke deelen verteeren.
Aan den opstandingsmorgen komt uit deze kiem een nieuw lichaam. Hij, die de bladerlooze boom met nieuw loof versiert, het zaad doet ontkiemen en uit de vruchtbare kiem de halm doet ontspruiten, zal ook ons stof bewaren. Zijne almachtige hand waakt over de ontbonden stofdeèlen. De morgenstond der opstanding nadert. Hij schenkt nieuw leven aan de doode stof en het lichaam der opstanding verrijst. Als de landman het zaad uitwerpt, zaait hij niet eene plant; maar een bloot graan van tarwe of eenige der andere granen; doch God geeft het een lichaam gelijk Hij wil en een iegelijk zaad zijn eigen lichaam. Welk een onderscheid is er tusschen de graankorrel en de halm. Toch is die plant hetzelfde zaad; maar ontwikkeld, uitgegroeid. Welke scheppingswonderen worden ons daarin niet geopenbaard. De Heere geeft elk zaad een lichaam, gelijk Hij wil, en 'n iegelijk zaad zijn eigen lichaam. Elke lente predikt luide deze onveranderlijke wet, in den Schepper gegrond. De Schepper alleen doet het zaad ontkiemen. Zoo nu zal het zijn in de opstanding. Groot zal het onderscheid zijn in de opstanding uit de dooden tusscben het lichaam des doods en dat der opstanding. Toch zal het een eigen lichaam zijn. Is de eik niet dezelfde als de kleine loot? Door de zonde is het lichaam verdorven, moet het sterven, opdat bet onsterfelijkheid zal aandoen: Geroepen is Gods kind om den lof des Heeren te verkondigen. Welnu, met een hemelsch lichaam zal het eenmaal God volkomen groot maken. Vleesch en bloed beerven Gods Koninkrijk niet. In den dood valt alles weg, wat van de aarde was. In Christus ontslapen, wordt het verderfelijk lichaam in onverderfelijkheid opgewekt.
Door den dood des Heeren verlost, mag hij in Hem leven. De dood is voor 's Heeren volk de losmaking van het lichaam der zonde en des doods, opdat het volkomen aan zijne goddelijke roeping beantwoorden kan. In oneere wordt het gezaaid, in heerlijkheid opgewekt. Een natuurlijk lichaam wordt er gezaaid, een lichaam van vleesch en bloed. Een opgewekt lichaam openbaart zich, los van alle aardsche behoeften. Voor het denkend verstand is dit niet te doorgronden? Zeker zal het wel schooner zijn, evenals de plant, uit het zaad gegroeid. Al de Zijnen worden ten leven opgewekt.
Zalig vooruitzicht, waarbij niets Gods kind zal beletten om den drieëenigen God te loven. Als zal plaats vinden hetzelfde, wat in de natuur geschiedt. Alles verheerlijkt den Schepper op zijne wijze in de natuur.
Zoo zal het ook zijn in de opstanding der dooden. In heerlijkheid opgewekt, zullen alle verlosten op verschillenden toon den Heere loven. Aller heerlijkheid zal opgaan in het lied. God en het Lam ter eer. De glans van den Eerstgeborene uit de dooden zal op de Zijnen nederdalen. Eene heerlijkheid, die geen oog heeft gezien en geen oor heeft vernomen, zal allen vervullen. Zalige troost en belofte Gods, dat aan den strijd eenmaal een einde komt. Omkleed met een zelfde lichaam, met onverderfelijkheid begiftigd, wordt alsdan Gods Kerk met eer gekroond, al zal de een den ander in luister overtreffen. Met een beroep op de natuur staaft Paulus de opstanding uit de dooden.
Te midden van allen druk gaat Gods kind in dit blij vooruitzicht moedig voort. Wat baat het u echter, wanneer gij dit alles beaamt en voortleeft in uwe eigen gekozen wegen? De ontgoocheling zal alsdan zoo ontzettend zijn. Van nature zijn wij allen vijanden van de vrijmacht Gods en zijn wij aan de Joden gelijk, welke meenden vrij te zijn en deden, hetgeen zij wilden. En toch hebben wij de prediking vernomen, dat God Christus tot zonde gemaakt heeft, dat Hij voor goddeloozen den dood inging. Een vijand zijn wij er van, om door Zijne gerechtigheid verzoend te worden. Zijn bloed wordt onrein geacht.
Door schijndeugden en eigen vroomheid wordt gepoogd zelf de bewerker der zaligheid te zijn. En wij weten van nature niet, dat wij arm, naakt en ellendig zijn. Het opstandingsraadsel tracht men op allerlei wijze te ontzenuwen. En dat waarom ? Alleen om zijne zonden te kunnen botvieren en te leven naar de begeerten van het hart. Immers als het waar is, dat er ieene opstanding ter verdoemenis is voor den zich verhardenden zondaar, wordt men onrustig. Alsdan kan men niet langer zich vergenoegen met hetgeen de wereld aanbiedt en wordt men pijnlijk gestoord in zijne aardsche genietingen. Mocht daarom een heilige onrust u aangrijpen. Vanwaar toch laat de prediking des Woords zoovelen koud ? Omdat zij zich zelve niet kennen, zooals zij zijn voor den Heere en geen minste besef hebben van de vleeschwording des Woords. Allerlei vijgebladeren worden gebruikt omi eigen naaktheid te verbergen. Daarom is zoo noodig, dat wij een zondaar voor God worden en de Heere ons wederbare door Zijn Woord en Geest. Eerst toch met Christus in Zijnen dood begraven te zijn, zal er van een opstanding in Hem kunnen sprake zijn. In Christus alleen wordt u uit genade de zaligheid aangeboden en de hoop der opstanding des vleesches. Blijven hierbij vele vragen voor ons onbeantwoord, zoo geldt daarvan, dat de geopenbaarde dingen zijn voor ons en onze kinderen; maar de verborgen dingen voor den Heere, onzen God. De opstanding des vleesches is zeker. Gods Woord getuigt daarvan op de meest stellige wijze.
Hoe vreeselijk zal het dan niet wezen na een leven der zonde, dat ziel en lichaam eenmaal eeuwig smart zullen lijden. Nog echter is de Heere gewillig om ons te behouden, is Hij lankmoedig voor een ieder onzer en roept Hij ons waarschuwend telgen : „Waarom weegt gij geld uit voor hetgeen geen brood is en uwen arbeid voor hetgeen, dat niet verzadigen kan". Gij moogt meenen het tegen den Heere te kunnen uithouden. Ééns echter zal blijken, , wanneer gij verloren blijft, dat Gods heerlijkheid daardoor niet zal verduisterd worden. Holt gij voort op uw eigen gekozen weg, zoo hebt gij het aan u zelve te wijten, wanneer gij voor eeuwig omkomt. Opene de Heere daarom alsnog uwe oogen voor den verderfelijken weg, welke gij van nature bewandelt.
Daarentegen welk een waarborg heeft de gemeente des Heeren in de trouw van haren God, Die haar opzocht en haar een zalig toeverzicht schenkt in de heerlijke opstanding des vleesches. Immers begeert zij van harte niet naar het vleesch te wandelen ; maar naar den Geest. En te midden van alle bestrijding, verzoeking en vervolging, ligt het anker harer hope vast in Christus. Ongeloof, twijfel, de zonde, mogen vaak het blij vooruitzicht benevelen, vaak het blijde leven des geloofs in die zalige toekomst ver te zoeken zijn en Gods kind meene alsnog om te komen, nochtans zal zulks nimmer geschieden, waar de Heere de Onveranderlijke is. Die met de Zijnen is tot de voleinding der wereld.
Hij geve u, die Hem vreest, telkens te zien op de kroon der overwinning, die u in het hemelsch Jeruzalem zal worden geschonken. Hier op aarde gevoelt gij u een vreemdeling op weg naar het Vaderhuis, al zijt gij ook telkens bezoedeld met de onreinheid der zonde. Steeds meer echter wordt er eene afsterving gezien van den ouden mensch en de opstanding van den nieuwen mensch. Dat daarvan uw wandel getuigenis moge geven in uw leven. Hoe meer gij in afhankelijkheid van den Heere leeft, hoe meer gij het leven in en door Christus zult ervaren. Geeiie vrees behoeft u alsdan aan te grijpen, wanneer het lichaam straks zal worden afgelegd. Immers eens zal het in onverderfelijkheid worden opgewekt. De troostvolle belofte Gods ligt er toch, dat in de voleinding uwe ziel en lichaam, in heerlijkheid opgewekt, Hem eeuwig zal loven en prijzen. Ziet gij op u zelve, dan is zulks eene onmogelijke zaak, waar gij in uwe zonden openbaar komt en u verloren gevoelt. Het is dan ook het heilgeheim, hetwelk de Heere aan Zijne vrienden openbaart, dat Jezus Christus alles voor u heeft volbracht en de prikkel des doods voor u heeft weggenomen. Door de opstanding uit het graf is het leven, door God in het hart uitgestort, tot volle ontplooiing gekomen. Hij wendt Zijne hand tot de kleinen, die alles verloren hebben in zich zelve en zich in de hand des Heeren hebben overgegeven. Alsdan zal de blijdschap des geloofs het hart vervullen, de troost der opstanding des vleesches verlevendigd en het blijde geloofslied in het hart weerklank vinden :
„Uw vrije gunst alleen wordt d' eere toegebracht! Wij steken 't hoofd omhoog en zullen d' eerkroon dragen. Door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen. Want God is ons ten schild in 't strijdperk van dit leven En onze Koning is van Isrels God gegeven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 mei 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 mei 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's