In de leerschool van Christus
Over het verband tusschen het doen van belijdenis en het Sacrament des Doops werd een en andermaal door ons gehandeld, mede op verzoek, dat tot ons kwam.
Om de juiste verhouding in het licht te stellen, werd er vooral op gewezen, dat de kleine kinderen der geloovigen niet bij de kerk behooren, omdat zij gedoopt zijn, maar dat zij gedoopt worden, omdat zij bij de kerk behooren. Zooals het Formulier zegt: omdat zij in het Verbond begrepen zijn.
Zoo doen zij dus, op den leeftijd der onderscheiding gekomen, geen belijdenis des geloofs. omdat zij gedoopt zijn, maar uit het besef, dat zij van Godswege bij de kerk behooren en om aan de roeping Gods gehoorzaamheid te bewijzen. De zedelijke verhouding, in het Verbond gesteld, is tweeërlei: De kinderen des Verbonds zoeken de gehoorzaamheid des geloofs, of zij betoonen zich een wederhoorig kroost, dat geen lust heeft in den weg des Heeren.
In dit opzicht heeft het een goeden zin van tweeërlei kinderen des Verbonds te spreken. Men zij er echter op bedacht, dat wij in dit verband slechts op de uitwendige levenshouding zien. Over de innerlijke gesteldheid hebben wij geen oordeel, daar de werking des Heiligen Geestes in het verborgen geschiedt.
Voorts werd telkens op de herderlijke zorg der kerk over al haar leden gewezen, en dan ligt het voor de hand, dat het afgekeerde en wederhoorige de meeste zorgen vraagt. Doch de kerk late zich daardoor niet weerhouden, want de Heere zoekt het afgedrevene, d. i. hetgeen door den vloed der wateren wordt meegevoerd.
Geestelijk verstaan, verkeeren allen in die conditie van afgedreven te zijn en telkens weer afgedreven te worden, maar wie geestelijk heeft leeren onderscheiden, weet dat de Heere doet, wat Hij zegt, en het afgedrevene zoekt.
Maar zooals gezegd, wij zien aan, wat voor oogen is en dan is er ook in het uitwendige sprake van afgedrevenen. Aan dezulken heeft de pastorale zorg een taak. Deze taak nu zal minder moeilijk zijn, naarmate de leden der kerk zich meer bewust zijn van de verhoudingen, waaronder zij naar Gods Woord zijn gesteld en naar hun vermogen des naasten nut en voordeel bevorderen.
Dat is de weg des Woords, die ook veel van de nuttelooze vragen zal wegnemen, waarmede men zich dikwijls bezighoudt. Uit dien hoofde leggen wij telkens den nadruk op de zedelijke verhoudingen des Verbonds, op de beloften en de bedreigingen, op Gods zegeningen en bestraffingen, en dus op de verantwoordelijkheid, welke op óns rust, die van Godswege in de Gemeente des Heeren verkeeren. Die Verantwoordelijkheid zullen wij niet kunnen afschudden, Wij staan tegenover dien God, die Zich jegens ons openbaart, gelijk Hij door Woord en daad doet.
In de gemeente des Heeren, zoo schreven wij. Zoo is het toch. Als leden der kerk verkeeren wij in de gemeente des Heeren, doen wij belijdenis in haar midden van haar geloof, en voegen wij ons onder Zijn heerschappij, waartoe Hij ons heeft geroepen en in welken weg wij als Zijn discipelen of leerlingen werden onderwezen en voortdurend onderwezen begeeren te worden.
Het woord discipel is teekenend voor deze verhouding ook naar het bevel van Christus : predikt het Evangelie aan alle creaturen, hen onderwijzende, tot discipelen of leerlingen makende.
Willen wij discipelen van Christus zijn ? Want, omdat wij in de gemeente des Heeren verkeeren, zijn wij in de leerschool van Christus. Zooals de ouders hun kinderen naar school zenden en tot leerlingen van den aangewezen meester maken, zoo heeft Christus ons in Zijn leerschool gebracht, opdat wij door Hem geleerd worden. Niet alle leerlingen zijn even bekwaam en leergierig. Sommigen willen liever in 't geheel niet leeren. Zoo zijn er ook onder de leerlingen in de leerschool des geloofs. Er zijn ook eigenwijze leerlingen, die de letters nog niet kennen en met den meester zouden willen twisten over de nuttigheid van het lezen en zelfs over den weg, dien hij bij zijn onderwijs wil volgen. Zoo zijn er ook, die met den weg van den hoogsten Leermeester niet tevreden zijn, maar naar hun eigenwillig goeddunken handelen.
Dit alles is oorzaak, dat de aanblik van de gemeente des Heeren veeltijds wat anders te zien geeft dan met haar roeping en waardigheid overeenkomt. Niettemin is zij de gemeente des Heeren en behoort zij daaraan steeds te worden herinnerd. Velen waren ook de discipelen, die den Heere volgden, toen Hij op aarde was. Doch wij vernemen uit Zijn mond, dat velen Hem volgden om de spijze, die vergaat, Toch mag dit geen aanleiding zijn om de ongehoorzame en óntrouwe discipelen over te geven. De Schrift geeft daaromtrent een andere onderwijzing. Men leze de profeten, die niet ophouden op de trouweloosheid en wederspannigheid te wijzen, waartoe zij van God waren gezonden. Daarin wordt de roeping der kerk duidelijk aangewezen. Inzonderheid het profetische ambt heeft hier een taak, en daaruit volgt vanzelf, dat het een voortdurend beroep heeft op de leden der kerk, met name op, de opzieners en de ouders, maar ook op allen, die krachtens het ambt der geloovigen hun gaven tot nuttigheid der anderen hebben aan te wenden en de dingen van het Koninkrijk Gods hebben te zoeken.
Het woord van Christus, dat van onderwijzen, eigenlijk discipelen maken, spreekt, opent een aspect op de gemeente des Heeren als leerschool des geloofs. Allen, die zich bij haar voegen of bij haar behooren, zijn in deze leerschool van Christus tezaamgebracht.
Dit werpt ook een eigenaardig licht op de jonge lidmaten als kinderen der geloovigen aangewezen, die als zoodanig bij de kerk behooren. Als discipelen des Heeren in het midden der gemeente, behooren zij onderwezen te worden. Dat is geen zaak van willekeur, maar plicht der gehoorzaamheid. Ouders, die dezen plicht verzaken, handelen niet als geloovige ouders, maar betoonen zich zelf een wederhoorig kroost en schuldig voor God en voor de menschen. Immers de gemegnte des Heeren moet zich zulk een nalatigheid aantrekken. Ook zij heeft ten aanzien van deze zaak een taak.
Bepalen wij ons nog even bij het beeld van de leerschool, dan volgt daaruit ook iets voor het belijdenis doen. Het discipelschap des Heeren heeft meer dan één kant, evenals het geloof. Het is niet alleen een stellig weten, maar ook een vast vertrouwen. De oefening des geloofs is een toenemen in kennis en vertrouwen. De belijdenis heeft betrekking op beide. De discipel betoont zich een discipel te zijn, als hij kennis draagt van de dingen van het Koninkrijk Gods en zijn geloof uit zijn werken toont.
Daarom houdt iemand ook niet op een discipel des Heeren te zijn, als hij openbare belijdenis heeft gedaan. Bij een goede orde mag het zoo zijn, dat hij getoond heeft met de voornaamste zaken van den inhoud des geloofs bekend te zijn. Zijn belijdenis beteekent ook instemming van zijn persoonlijk geloof en genegenheid om een getrouw discipel des Heeren te zijn en te blijven. Het discipelschap blijft. Want hebben wij op de uitwendige verschijning van de kerk als leerschool van Christus gewezen, zij is maar niet een uitwendige zaak. De Heere beveelt de Zijnen te onderwijzen, maar Hij Zelf is de hoogste Profeet en Leeraar, de overste Leidsman des geloofs.
Hij onderricht Zijn gemeente door den Heiligen Geest. Dat goddelijk onderwijs houdt niet op en zoo blijven ook al de Zijnen in Zijn leerschool.
Allen, die dat gevoelen, verheugen zich daarin, dat zij daartoe verwaardigd zijn. Zoo zullen ook de jonge lidmaten, bij wie het besef is levend geworden, gaarne genegen zijn zich in de leerschool van Christus te voegen en daarvan in het openbaar belijdenis te doen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 mei 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 mei 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's