UIT DE HISTORIE
Luthers verklaring van Paulus' Brief aan de Galaten
Het doel der Wet. Vers 19—29.
Hoofdstuk III.
Het doel der Wet. Vers 19—29. Vervolg vers 23.
Een christen kent dus in zijn hart een tijd der Wet en een tijd van genade. De tijd der Wet is het, wanneer deze mij kwelt en plaagt; wanneer zij mij tot kennis der zonde brengt en deze doet toenemen. Geschiedt zulks, dan openbaart de Wet zich in haar ware gedaante. Zoolang een christen leeft, zal hij op deze wijze met de Wet te maken hebben.
Zoo was ook aan Paulus een scherpe doorn in het vleesch gegeven, namelijk een engel des Satans, die hem met vuisten sloeg. Gaarne zou de apostel vreugde in zijn gemoed en de gelukzaligheid van het eeuwige leven reeds hier immer gesmaakt hebben ; ook had hij liever gewild, dat aanvechtingen van dezen aard hem bespaard gebleven waren. Maar een en ander was niet het geval, doch de Heere zei hem : „Mijn genade is u genoeg. En Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht".
Deze zelfde strijd wordt door ieder christen ervaren.
Vele uren zijn er, in welke ik met God twist en waarin ik Hem met ongeduld wedersta. Ik word dan wrevelig over Gods toorn en Zijn gericht. Daarentegen weet ik, dat God een mishagen heeft aan mijn ongeduld en murmureering.
Dit alles is de tijd der Wet, onder welke een christen, zoolang hij leeft naar het vleesch, zich steeds bevindt. Want het vleesch begeert steeds tegen den geest: zij het in den een meer, dan in den ander.
De tijd der genade is het, wanneer het hart door de belofte van Gods barmhartigheid uit genade opgericht wordt, zeggende: „Wat buigt gij u neder, o mijn ziel, en wat zijt ge onrustig in mij".
Het is, als wordt tot ons gezegd: ziet ge dan niets anders, dan de Wet, zonde, verschrikking, droefheid, wanhoop, dood, hel en duivel? Weet ge niet van het bestaan der genade, van vergeving van zonden, van gerechtigheid, van troost, van vreugde, van vrede, van leven, van hemel, van Christus, van God ?
Laat ons dan zeggen: houd op, mijn ziel. met onrustig te zijn in mij. Want hoe groot is de waarde der belofte, in vergelijking met de Wet, de zonde en al het kwaad! Hoop op God, die Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar die Hem ter wille van uw zonden heeft overgegeven tot den smadelijken dood des kruises.
Men behoeft dus niet voor eeuwig onder de Wet besloten te zijn, doch tot de komst van Christus.
Wordt ge dus door de Wet verschrikt, zeg dan tot haar : hoor eens, vrouw Wet, ge moet niet denken, dat gij alléén alles over mij te zeggen hebt. Buiten u is er nog iets grooters en voortreffelijkers, namelijk de genade, het geloof en de zegen van Gods belofte, door welke ik niet aangeklaagd, verschrikt of veroordeeld word. Veeleer troosten deze gaven Gods mij, de belofte schenkende, dat ik geen reden heb om te wanhopen, doch dat de overwinning van Christus en de zaligheid vast en zeker is.
Er is dus geen enkele reden, waarom ik tot vertwijfeling zou behoeven te komen. Wie deze dingen goed verstaat, kan eerst met recht een theoloog genoemd worden.
De dwaalgeesten van dezen tijd, die het voortdurend laten voorkomen, alsof zij door den Geest gedreven worden, meenen werkelijk, dat zij echte theologen zijn en de zaken, die hier aan de orde zijn, grondig doorzien.
Ik en mijn volgelingen echter, — wij voor ons verstaan van deze dingen slechts de eerste beginselen, alhoewel wij vlijtige leerlingen zijn in de school, waar deze zaken geleerd worden. Wij nemen weliswaar in kennis toe, maar zoolang het vleesch en de zonde heerschappij voeren, worden wij nooit volleerd.
Een christen is dus als het ware een twee-mensch. Voor zoover hij naar het vleesch leeft, verkeert hij onder de Wet. En voorzoover hij kennis heeft aan den Geest, bevindt hij zich onder de genade.
Het vleesch is steeds begeerlijkheid, gierigheid, eerzucht en hoogmoed eigen. Ook behooren onkunde en verachting van God bij het vleesch, alsmede ongeduld, murmureering en gramschap, omdat Hij een verhindering is voor hetgeen wij willen, en Hij degenen, die Hem verachten, niet terstond straft. Deze laatste zonden komen vooral bij de vleeschelijke beschouwingen van christenen voor.
Ziet men dus alleen maar op het vleesch, dan moet men altoos onder de Wet blijven. Maar werden die dagen niet verkort, — geen mensch zou behouden worden. (Mattheüs 24 vers 22).
De Wet kent dus een einde, waar zij ophoudt. Daarom is de Wet niet eeuwig ; haar einde is Christus.
De tijd der genade daarentegen duurt eeuwig, want Christus, die éénmaal gestorven is, sterft nimmermeer. (Romeinen 6 vers 9). Christus is eeuwig; en daarom is ook de tijd der genade eeuwig.
Over deze heerlijke uitspraken van Paulus mogen wij niet achteloos heenloopen, gelijk de papisten en de aanhangers van allerlei secten doen.
De woorden van den apostel zijn „woorden des levens", die bedrukte zielen wonderlijk troosten en sterken. En degenen, die zich aan deze uitspraken houden, kunnen uitmaken, wat geloof, en wat ware of valsche vreeze Gods is. Insgelijks kunnen zij oordeelen over hetgeen de menschen doen of laten, terwijl zij het vermogen bezitten, de geesten te beproeven, of zij uit God zijn.
Vreeze Gods is heel belangrijk en heerlijk, maar zij zal niet altoos duren. Vrees zonder meer lijdt tot knechtschap en vertwijfeling.
Een christen moet namelijk in het geloof aan het woord der genade de vrees overwinnen, de oogen van de Wet als zoodanig afwenden en slechts zien op Christus Jezus.
Wie dat doet, zal God, behalve vreezen, ook liefhebben.
Ziet een mensch alleen op de Wet en de zonde, zonder het geloof te laten spreken, dan mist hij het vermogen om de vrees uit te bannen, en zoo komt hij ten slotte tot wanhoop en vertwijfeling.
Het leerstuk der Wet moet door ons zorgvuldig nagegaan worden en wij moeten weten, hoe wij de Wet zullen houden, want anders komen wij er toe haar geheel te verwerpen, zooals de dwaalgeesten in het jaar 1525 gedaan hebben. Tijdens den boerenoorlog zeiden zij namelijk, dat de Evangelische vrijheid de menschen van alle wetten volkomen vrij maakte. Ook moeten wij er voor oppassen dat wij aan de Wet geen kracht toekennen om rechtvaardig te kunnen maken.
Beide uitersten zondigen tegen de Wet. Aan de eene zijde is het gevaar, te meenen, dat de Wet rechtvaardigt; aan den anderen kant bestaat het euvel, te gelooven dat men van de Wet geheel bevrijd is. Men moet dus de middenweg bewandelen en de Wet noch gansch verwerpen, noch haar meer beteekenis toekennen dan zij in werkelijkheid heeft.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 mei 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 mei 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's