De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

NIENKE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

NIENKE

FEUILLETON

5 minuten leestijd

Verhaal uit het friesche volksleven

(Met toestemming Uitgever J. H. Kok te Kampen) 89) 

„Lieden van de wereld", zooals de H. Schrift hen noemde. Doch waar mijmerde zij over, dezen mooien morgen, terwijl daar buiten de vogeltjes zongen en de vlinders fladderden en de geur van jasmijn en reseda soms door 't open venster kwam? Was zij niet een geteekende ? Gelukkig op weg naar beterschap en met 99 pCt. kans op volkomen herstelling, zooals de dokter gezegd had, doch niettemin een geteekende, omdat zij drie jaar lang in een tentje gelegen had en nog langen tijd een nakuur moest volhouden, en schrok dat niet af ? Was het werkelijk voor een t.b.c.-patiënte wel zoo'n zegen, in het leven te mogen terugkeeren? Zag de heele maatschappij haar niet aan als een zwakkeling, die altijd zeer voorzichtig moest zijn en voor wie men zichzelf in acht te nemen had, omdat die vreeselijke ziekte zoo besmettelijk en erfelijk is ? Werd zij niet altijd gewaarschuwd, nu eens voor de kou en dan weer voor de warmte, en dan weer voor elke geringe inspanning ? Had Maaike laatst niet gezegd, dat zij wel in een porceleinkast mocht worden opgenomen, of in zoo'n glazen vitrine, gelijk er in 't Rijksmuseum te Amsterdam stonden, waaronder men kostbaarheden bewaarde ?  Groote tranen welden op in haar oog. 't Had haar pijn gedaan, dat giftige woord van haar zuster, die nooit iets mankeerde ; die niet wist, wat ziek-zijn beteekende ; die 't leven genoot en met volle teugen dronk uit den vreugdebeker, welke overal werd aangeboden. Waarom moest dit alles zoo zijn ? 

Eigenaardig, toen zij zoo hulploos neerlag, was er maar één begeerte : beter te mogen worden en nu die beterschap daar was, viel het niet mee. Hoe kwam dat ? Was dat ondankbaarheid, of het gevolg hiervan, dat het leven héél andere eischen heeft dan de krankheid, en dat, om aan die eischen te kunnen voldoen, héél de persoonlijkheid, lichaam, ziel en geest, in uitstekende conditie moet zijn ? 

Opeens werden haar gedachten afgeleid door ouden Jacob, die bezig was de paden, rondom de boerderij, te schoffelen. Onwillekeurig keek zij naar hem. In zijn mond slingerde de pijp, die als een trouwe kameraad overal mee heenging en overdag niet veel koud was. 't Rooken onder het werk was hier anders verboden; alleen Jacob maakte een uitzondering vanwege zijn ouderdom. Jacob had niet veel levenseischen. Als hij zijn dagelijksch brood slechts kreeg en eenige kleeren om fatsoenlijk voor den dag te komen, dan was hij tevreden. Men kon het wel zien aan zijn rustig gelaat en zijn vriendelijken blik. Wat was 't anders een leven voor zulke menschen! Werken van den vroegen morgen tot den laten avond, weer of géén weer, 's zomers en 's winters, altijd dóór, met slechts weinig afwisseling en verpoozing, voor betrekkelijk een laag loon en toch altijd even opgeruimd en blijmoedig. Daarbij getrouw tot in het kleine en dank­baar voor elke vriendelijkheid.

Hé, zij kon ook wel eens meer om hem denken en wat voor hem doen. Jacob had haar zoo voor en na al zooveel diensten bewezen, — vanmiddag moest hij dezen brief weer meenemen voor Nienke Huitema. Plotseling kreeg zij een idee. De elleboog keek zoo brutaal door zijn verschoten boezeroen ; zij zou hem een nieuwen maken. Antje bollenkoopster kon wel een lapje stof uit het dorp meenemen, en op de machine had zij aanstonds zooiets in elkaar gestikt. En dan kon zij hem voor den winter wel eens zoo'n warmen das breien van zuivere wol. Wat zou dat den ouden man aanstaan. Een St. Nicolaascadeautje bijvoorbeeld. Het vorig jaar had hij een afgedankte overjas van vader gekregen, om die aan te trekken, en als hij 's morgens en 's avonds naar „Donia-state" ging, vaak door weer en wind. Hij was hem wel aan den grooten kant, maar dekte warm en hij had er erg veel genot van gehad. 

Gabe zorgde nogal eens voor de zuster van ouden Jacob, die achter de kerk woonde. Hoe die daar kwam ? Onlangs had zij gehoord, dat hij haar een enkele maal bezocht en den vorigen winter had hij haar ook brandstof en aardappels laten brengen. Anders niets voor Gabe, om zich met zulke arme menschen te bemoeien. Moeder had ook al gezegd: „Een vreemde jongen toch ! Eigenlijk laat heel Zevenhuizen hem koud, en sinds de auto er is, vliegt hij de geheele provincie en het gansche land soms door, maar voor die arme weduwe schijnt hij iets te gevoelen", 't Zou wel door Jacob komen. Gabe had wel een goed hart en kon best iets missen. Eigenlijk was hij de royaalste van allen en deed misschien nog wel méér goed, dan geweten werd. Wanneer het niet zoo in het oog liep, dan wilde zij zelf vrouw Paulussen ook eens opzoeken, wanneer zij in 't dorp kwam. Maar de menschen zouden wel zeggen : „Wat moet dat volk van „Doniastate" daar telkens achter de kerk in dat armvoogdij-kamertje doen !" En daar zou heel wat uit worden afgeleid en dan zou misschien gedacht worden, dat de weduwe wie weet wat ontving en 't zou het oudje maar kwaad doen. 

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 mei 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

NIENKE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 mei 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's