Vasten
In de afgeloopen maanden zijn meerdere bededagen of biduren gehouden. Met het bidden nu wordt door de Schrift en daarom ook in 't gesprek vaak het vasten verbonden. Bidden en vasten. Of bidden èn vasten in de practijk echter nog voorkomen, is een andere vraag, 't Is al maanden geleden, dat Prof. Hepp de wenschelijkheid uitsprak aan onze bededagen het vasten weer te verbinden. Door meerderen werd deze uitspraak opgemerkt en over deze kwestie kwamen toen enkele pennen in beweging. Uit Credo vernemen we, dat Ds Ferwerda in de Amsterdamsche Kerkbode er over schreef. Hij merkt daarin o.m. het volgende op. In den kring van de kerken der Hervorming heeft de practijk van het vasten nooit recht willen aarden, hoewel de Reformatie van de 16de eeuw er niet vijandig tegenover stond. Het wettisch karakter, dat Rome er aan toeschreef werd sterk veroordeeld evenals het verdienstelijk element dat er zich al sterker in Het gelden. De practijk van het vasten zelve echter werd alleszins stichtelijk en profijtelijk geacht voor den welstand van het geloofsleven.
Calvijn veroordeelt sterk de Roomsche vasten-practijk, maar op het rechte vasten wordt sterk door hem aangedrongen.
Door de Gereformeerde Kerken in ons Vaderland werd het „vasten met bidden" aangeprezen in tijden van oorlog, pestelentie en vervolging der kerk, alsook bij de verkiezing van ambtsdragers.
In de 17e en 18e eeuw is het desondanks almeer in onbruik geraakt, gedurende de vervolging die de Afgescheidenen te verduren hadden dook het nog weer even op en daarna verdween het vrijwel geheel. Een krachtig, schriftuurlijk pleidooi voor de hernieuwing der practijk is door Kuyper gehouden in den laatsten bundel van „Uit het Woord". Voorzoover Ds F. bekend is kwam hij hierop echter nooit meer terug. En Bavinck heeft het bij de opmerking gelaten, dat naar zijn meening, het vasten ten onrechte schier geheel in onbruik is geraakt. Hoewel de tijd van den achter ons liggenden wereldoorlog af ernstig genoeg was, is er toch van een drang tot vasten onder ons geen spoor te merken geweest. Blijkbaar zit de schrik voor de Roomsche zuurdeesem er wat dat betreft diep in. Een vraag, die echter aan de orde blijft is deze, of deze schrik er ons van terughouden mag om de in onbruik geraakte practijk weer in eere te herstellen. Het valt toch niet te betwijfelen of het rechte vasten, zooals Calvijn dit bedoelt, heeft een schriftuurlijken grond.
Hierna wordt gewezen op het vasten, zooals dit in de gemeente des Heeren ten tijde van de Apostelen bij verschillende bijzondere gelegenheden in gebruik was. Neem Hand. 13 : 2 en 3. Daar wordt van de leeraars in de gemeente van Antiochië gezegd : „En als zij den Heere dienden, en vastten, zeide de Heilige Geest: zondert Mij af, beide Barnabas en Paulus tot het werk, waartoe Ik hen geroepen heb. Toen vastten en baden zij, en hun de handen opgelegd hebbende, lieten zij hen gaan".
In Handelingen 14 is sprake van de verkiezing van ambtsdragers. In vers 23 lezen we: En als zij hun in elke gemeente, met opsteken der handen, ouderlingen verkoren hadden, gebeden hebbende met vasten, bevalen zij hun den Heere, in welken zij geloofd hadden". Vervolgens kan nog gewezen worden op 1 Cor. 7 : 5, 2 Cor. 6 : 5, 2 Cor. 11 : 27.
Als we deze uitspraken lezen komt de vraag op : Is het in onbruik laten van deze practijk niet een symptoom van zekere geestelijke verachtering ? De Schrift noemt vasten en bidden in één adem. Calvijn noemt dan ook het vasten een voorbereiding tot het bidden. Tot zoover enkele gedachten van Ds F. Slaan wij het vierde boek van Calvijn's Institutie op, dan vinden we daar wat de Hervormer over het vasten zegt. Met gestrengheid keert Calvijn zich tegen de Roomsche practijken. Hij zegt, dat bij de verkeerde ijver des volks ook nog gekomen is de onwetendheid en onkundigheid der bisschoppen en ook hun lust tot heerschappij en tyrannieke gestrengheid. Goddelooze wetten zijn er gemaakt, die de consciëntiën met verderfelijke banden verstrikten. Het eten van vleesch werd verboden, alsof het den mensch bezoedelde. De eene heiligschennende meening is aan de andere toegevoegd, totdat men tot de diepte van alle mogelijke dwalingen gekomen is — aldus Calvijn. Scherper kan derhalve het vasten naar menschelijk goeddunken niet worden veroordeeld. Het wordt door den Hervormer beter geacht dat van het vasten in 't geheel geen gebruik wordt gemaakt, dan dat het naarstig wordt onderhouden en intusschen bedorven is door valsche en verderfelijke meeningen.
In de eerste plaats moet er de nadruk op gelegd worden dat de harten gescheurd moeten worden. Vervolgens mag het nimmer voor een verdienstelijk werk of een soort van godsdienst gehouden worden. In de derde plaats wordt het gevaarlijk als men het vasten als een van de voornaamste plichten al te angstvallig en te strak eischt en het zoo onmatig prijst dat de menschen meenen iets uitnemends te hebben gedaan als ze gevast hebben. Calvijn noemt het vasten op zichzelf een middelmatige zaak. Maar dat neemt niet weg, dat er toch een heilig en een wettig vasten kan zijn, naar de Schrift.
Zulk vasten ziet Calvijn met drieërlei doel. We gebruiken dit vasten om het vleesch te verzwakken en te onderwerpen, opdat het niet losbandig worde. Vervolgens om ons beter voor te bereiden voor heilige overdenkingen. Tenslotte als een getuigenis van onze verootmoediging voor God. Het eerste komt dan meer in aanmerking bij het persoonlijke vasten, terwijl de beide andere doeleinden zoowel de enkele persoon als de kerk en het geheele volk raken.
Naar den nood der tijden het eischt — aldus Calvijn — moet dan ook het volk opgewekt worden tot vasten, openbare gebeden of tot andere oefeningen der vernedering, der boetvaardigheid en des geloofs. De tijd, de wijze, de uiterlijke vorm zijn niet door Gods Woord voorgeschreven, maar zijn aan het oordeel der Kerk overgelaten.
In de oude Kerk van den tijd der apostelen en in het Oude Testament, is het vasten in gebruik geweest. Voor ons heeft dit daarom ongetwijfeld beteekenis. We hebben acht te nemen op het scheuren des harten ; op de verwerping van het vasten als een verdienstelijk werk; „op het onmatig prijzen van dit stuk". Maar, als dit bedacht wordt en beoefend, moeten wij in hoofdzaak dit weten, zegt de Hervormer : „zoo dikwijls als er aangaande de religie zich een geschil voordoet, dat of door een synode of door een kerkelijk oordeel beëindigd moet worden, zoo dikwijls het gaat over het verkiezen van een dienaar, kortom, zoo dikwijls als een moeilijke zaak en die van groot belang is, behandeld wordt, wederom wanneer oordeelen van des Heeren toorn gezien worden, gelijk pestilentie, oorlog en hongersnood, dan is dit een heilige en voor alle tijden heilzame instelling, dat de herders het volk aansporen tot algemeen vasten en buitengewone gebeden".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 mei 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 mei 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's