Volkskerk
Wij hooren vaak over een volkskerk. Wat is dat eigenlijk ? Men zou zoo zeggen de kerk is de kerk. Wat bedoelt men met volkskerk en hoe kan men haar anders zien ? Hoe is een kerk, die geen volkskerk is ?
Beginnen wij bij het begin. Stel het Evangelie wordt gepredikt in een land, waar het nog niet werd vernomen. Het vindt hier en daar gehoor en aanhang. In stad en land ontstaan aanvankelijk kleine gemeenten. De godsdienst van het land overheerscht en de Christelijke gemeenten beperken zich tot kleine vergaderingen, die als een afwijkende en vreemde secte worden beschouwd en in meerdere of mindere mate den tegenstand der in dat land heerschende publieke opinie ondervinden. Zij houden echter stand door de kracht des geloofs, worden allengs geduld en verkrijgen langzamerhand een plaats.
Zooals wij bij de behandeling van den kinderdoop hebben uiteengezet, schuilt er in zulke gemeenten een in zekeren zin „natuurlijk" te noemen groei. Het woordje natuurlijk wordt hier niet zonder reserve gebruikt. Bedoeld is het volgende. Zij, die als volwassen personen door den drang des geloofs toetreden tot de gemeente, voegen zich bij haar als personen, of met hun gansche huis. En ook, indien dit laatste niet altijd het geval is, zoodat alleen de man of de vrouw toetreedt, zal toch in de komende generaties het huisgezin als geheel bij de kerk worden gerekend krachtens het Verbond, gelijk dit ook door het gebruik van den Kinderdoop wordt bevestigd.
De huisgezinnen groeien in de kerk op. Dat is de regel des Verbonds. Het ligt dus in de lijn, dat families en geslachten zich onderscheiden als Christelijke. Welnu, dat bedoelen wij met „natuurlijken" groei, en om dat woord te vermijden, kunnen wij thans beter zeggen: verbondmatigen groei, een toenemen krachtens de orde van Gods Verbond.
Verplaatsen wij ons thans in de reformatie. Deze vond aanvankelijk eenige, later meerdere en allengs zelfs een belangrijk deel der bevolking ander haar aanhangers. Letten wij voorts op het Formulier van den Heiligen Doop, hetwelk uitgaat van het Verbond en derhalve niet alleen op de verbondmatige inlijving in de kerk des Heeren is gericht, maar door sterke vermaning en herderlijke zorg ook op den eisch der gehoorzaamheid wijst.
In een land, waar het reformatorisch geloof zoo'n machtigen invloed verkreeg als het onze, kon dit niet anders ten gevolge hebben dan dat de groote meerderheid des volks door overgang en door verbondmatige inlijving bij de kerk behoorde. Zoo werd de kerk vanzelf een volkskerk. Het kan ook duidelijk zijn, dat dit overal zoo zal geschieden, waar de kerk haar wortels in het volksleven uitslaat. Zonder dit zou men ook niet van gekerstende volken kunnen spreken, maar door deze uitbreiding, der kerk wordt allengs het geheele volk in. het Verbond begrepen, 't Oorspronkelijk heidendom maakt plaats voor een gedoopte natie. Het volk als geheel komt onder de beloften en den eisch der gehoorzaamheid van Gods Woord. En mocht het vervreemden van de kerk, dan blijft Gods Waarheid staan, welke Zijn Verbond handhaaft en dezulken trouweloozen en een wederhoorig kroost noemt. Zoo is de volkskerk niet alleen een groote zegen Gods, maar deze weldaad kan ook tot een oordeel leiden, als God om Zijn rechten komt bijl het volk, dat zich van Hem afkeerde.
Welhcht zal iemand vragen, of een volkskerk niet altijd tot verval moet komen in de volgende geslachten. Men kan toch niet verwachten, dat allen, die verbondmatig bij de kerk zijn ingelijfd, onder de uitverkorenen zullen worden gevonden, wier getal slechts een overblijfsel en gering zal zijn, vergeleken bij die veelheid. Zonder twijfel, maar bok nergens kan men in Gods Woord vinden, dat de zichtbare kerk alleen uit kinderen Gods zal bestaan. Denk maar eens aan de vermaning van Paulus aangaande het gebruik van het heilig Avondmaal en aan de toestanden in de gemeente te Corinthe, om daarbij maar te blijven. Niet zonder grond zegt de confessie, dat er altijd hypocrieten in de kerk zijn. In zooverre is iedere kerk op aarde een gemengde vergadering, zij zij dan volkskerk of sectekerk.
Dat maakt dus in beginsel geen verschil. Een secte kan zoo nauwgezet en bijzonder zijn als zij wil, maar een kerkje van enkel uitverkorenen bestaat niet onder de zon. De gemeente zonder vlek en zonder rimpel is in den hemel.
Volkskerk en sectekerk staan in dit stuk gelijk, al zijn de bijkomstige omstandigheden anders. Zoolang een kerk nog klein is en voor een secte wordt gehouden, staat zij onder een veel strengere tucht. Toetreding is niet gemakkelijk. Zij kost offers, vooral, indien zij wordt verdrukt of vervolgd. Daarentegen is de volkskerk tot een machtige geestelijke openbaring in het volksleven geworden, terwijl men daarbij door geboorte is ingelijfd. Maar daarom ook staat de volkskerk in buitengewone mate bloot aan seculariseerende invloeden. Wereldgelijkvormigheid, verwereldlijking staan niet maar voor de deur, maar zijn binnen in haar werkzaam en bedreigen haar geestelijken welstand. De geschiedenis leert, dat zij daaraan niet ontkomt. Het zuurdeeg in drie maten meels doorzuurt het gansche deeg, maar als het zuurdeeg geen kracht openbaart, of verhinderd wordt in zijn werking, waarmede zal het dan gezuurd worden?
Wij moeten alweer van het kerkje in de kerk spreken, maar dan als het zuurdeeg in drie maten meels. Welk een taak heeft dat in de volkskerk en wat moet er van deze worden, als het zuurdeeg zich onttrekt en sectekerkjes gaat vormen ? Als zulke kerken groeien, komen zij bij de volkskerkelijke toestanden uit en als zij geen levensvatbaarheid vertoonen, zijn ze weinig meer dan conventikels. Men kan de vrucht daarvan genieten en toch trouw blijven aan zijn roeping in de kerkelijke saamleving.
De verachtering van het geestelijk leven in de volkskerk is oorzaak geworden van conflicten, die op afscheidingen zijn uitgeloopen. Zoo ligt de kerk verdeeld, terwijl iedere afzonderlijke kerk op haar beurt een beroep doet op het Verbond. Wij willen daarmede niet zeggen, dat zulks ten onrechte geschiedt, doch wijzen er op, dat het Verbond niet gedeeld is en de eene kerk geen meerder recht heeft als de andere. Zij staan ten slotte in hetzelfde Verbond, gelijk daar ook slechts één kerk des Heeren is, over de gansche aarde verspreid. Het Verbond, waaruit de kerk opkomt, ligt in den Raad Gods, welke in den Christus vervuld werd. Het zal er dan ook niet om gaan, tot welk kerkverband men toetreedt of in welk kerkverband men geboren werd, maar of men zich bewust is van de weldaad Gods, dat men in het Verbond begrepen is en of men de gave Gods niet veracht.
De volkskerk kwam op uit het Verbond en de kerken, die zich van haar afscheidden, wortelen in datzelfde Verbond. Zoo staan ten slotte allen in één verband, geroepen tot eenzelfde gehoorzaamheid, onder dezelfde beloften en bedreigingen Gods. Men kan zich van de gezamenlijke verantwoordelijkheid niet losmaken en de gemeenschappelijke schuld van het gebroken kerkelijke leven niet van zich afschuiven.
De kerk, door de geslachten heen, is nu eenmaal één kerk. Gelijk de geslachten organisch verbonden zijn, vormen ook de geslachten, welke God in Zijn kerk vergadert, één geheel. Hij is een God van geslacht tot geslacht. De kerk van weleer is niet verdwenen, al is zij niet meer op aarde. Zij leeft in Christus Jezus. Zoo is het ook de gemeenschappelijke roeping der geslachten om des Heeren Verbond in trouw en gehoorzaamheid te bewaren. Daarom ligt er ook een bijzondere roeping op het volk, hetwelk God tot Zijn kerk vergaderde om het naar het voornemen Zijner verkiezing deel te geven aan Zijn eeuwig Koninkrijk. Die roeping gaat uit over het gansche volksleven. Zij stelt dit in het licht Zijner goddelijke gerechtigheid en genade.
Maar daarom kan de saeculariseering der kerk voor God geen verontschuldiging vinden, omdat zij tot een volkskerk werd uitgebreid. Integendeel, die schuld drukt op kerk en volk beide. Bovendien treft zulk een geestelijke verachtering ook het nageslacht door verarming van geestelijke kracht en weerstand. Omgekeerd ondervindt ook het kerkelijk leven daarvan den weerslag. Het treedt op den voorgrond en werkt verdeeldheid en sectarisme in de hand.
Kan een volkskerk dan eigenlijk wel volkskerk blijven, of gaat zij ten onder in de vervulling, van een algemeene roeping?
Haar eigen geschiedenis toont aan, dat zij zulk een roeping heeft betreffende de kerstening der volken en dat zij als zoodanig rijken zegen verspreidt. Zij maakt het volk tot een doorwaterden hof, die vruchtbaar opbloeit, zij verrijkt het leven met nieuwe cultuurkrachten, die haar invloed op alle terrein des levens openbaren. Daarin moge voor haar zelf een gevaar schuilen, het feit valt niet te ontkennen. Een gezond kerkelijk leven is een zegen voor heel het volk. Doch hoe zal men een gezond kerkelijk leven in een tot volkskerk geworden kerk onderhouden? Hoe zal men waken tegen haar verwereldlijking? Het klinkt misschien al te simpel, als wij zeggen, dat zij doen moet wat der kerk is, dat zij niet anders kan kerk wil zijn en zich niet moet laten verblinden door haar grootheid. En toch is het zoo. Zij heeft eenvoudig te waken over het haar toebetrouwde pand. Zij moet getrouw blijven aan haar opdracht, getrouw aan het Woord, getrouw aan haar belijdenis. Om volkskerk te blijven, moet zij zeker niet vóór alles volkskerk willen zijn en bijeen houden, wat niet bijeen behoort, maar zij moet den moed en de kracht hebben om tucht te oefenen, gelijk haar van Christus' wege bevolen is. De volkskerk, die de tucht nalaat, zal haar plaats en invloed inboeten en wordt tot een kweekplaats van allerlei wind van leer, partijzucht en strijd, omdat zij de strengen van Wet en Evangelie laat vieren. Naarmate zij grooter plaats in het volksleven inneemt, zal haar waakzaamheid dreigen te verslappen, terwijl zij met meer ijver behoort te waken. Wordt dit vergeten of veronachtzaamd, sluimeren de wachters op den muur, dan overvalt hen de dag, waarop zij vergeefs alarm maken.
Calvijn noemt de tucht onder de kenmerken der ware kerk. De ervaring leert, dat zij haar gezag en waardigheid ziet verkwijnen, als zij dit kenmerk niet bewaart. De Schrift wijst op den vijand der kerk, die omgaat als een briesende leeuw, of haar zoekt te verleiden als een wolf in schaapskleederen. En de, Christus vermaant Zijne discipelen te waken en te bidden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 mei 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 mei 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's