MEDITATIE
NAAR DEN HEMEL
Gij Galileesche mannen! wat staat gij en ziet op naar den hemel ? Deze Jezus, die van u opgenomen is in (naar) den hemel, zal alzoo komen, gelijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zien heenvaren. Hand. 1 : 11.
NAAR DEN HEMEL
Wanneer gij, lezers, dit nummer van de Waarheidsvriend onder de oogen krijgt, hebben wij juist weer de Hemelvaartsdag mogen vieren en herdacht hoe onze Zaligmaker en Middelaar Jezus van de aarde naar den hemel werd opgenomen.
Werd opgenomen; dat is het eerste wat de engelen aan ons te boodschappen hadden. Het maakt ons bekend, dat in deze Hemelvaart van Christus de hand van God werkzaam was, die zijn Zoon niet langer op deze aarde liet. God heeft aan alle dingen zijn perken gesteld, Hij schept het begin en Hij bepaalt ook het einde. Hij roept ons tot aanzijn en Hij neemt ons weer uit het leven weg; het gebeurt alles op Zijn tijd en door Zijn hand. Zoo heeft Hij ook de tijd voorzien, waarin Zijn Zoon Zijn Middelaarswerk op aarde moest verrichten, maar nu is dan ook die tijd ten einde. Niet Zijn dóód heeft aan Christus' aardsche leven een einde gemaakt, want Hij is teruggekeerd tot het land der levenden ; maar de hand Zijns Vaders maakt aan Zijn aardsche leven een einde door Hem op te nemen naar den hemel, door Hem uit den staat Zijner vernedering te verheffen tot de heerlijkheid die Hij bij den Vader had, lang reeds voordat de wereld er was (Joh 17 : 5).
Het is genoeg, zoo heeft Gods mond gesproken, de gestelde tijd is vervuld, het opgedragen werk is volbracht, thans moet de Heilige Geest U aflossen van Uw post om Mijn Getuige te zijn op de aarde: Ik neem U op in Mijne heerlijkheid (Ps. 49:6).
In dit opnemen van Christus door God naar den hemel ligt uitgedrukt de voldoening des Heeren over al het werk, dat Jezus hier op aarde heeft verricht. Nadat het „volbracht" over Golgotha geklonken had, was Jezus' werk nog niet ten volle gedaan. Hem wachtte nog de verkondiging en het bewijs van Zijn opstanding en leven. Maar als ook dit is geschied en de gemeente op aarde een paar honderd ooggetuigen heeft gekregen van het feit dat Jezus leeft en Gods Kerk vastgegrond is in het geloof van den levenden Heer, dan is ook dit werk aan het fundament volbracht en Christus wordt teruggeroepen van Zijn zending om in den hemel de kroon te ontvangen en het loon op Zijn arbeid.
Het welbehagen Gods over het Middelaarswerk van Christus, dat laat de Hemelvaart ons zien. In dat „naar den hemel'' hooren wij denzelfden klank van Goddelijk welbehagen, waarmee Hij al de Zijnen na volbrachten en getrouwen dienst tot Zien neemt, maar dan toch oneindig dieper en heerlijker — want hier geldt het Hem, die nooit heeft opgehouden Zijn geliefde Zoon te zijn, hier geldt het ook Hem die niet met leege handen komt, maar die met zich meeneemt een heele schare van verlosten, die door Zijn zaligmakend werk den hemel nu vullen met lof en eer voor den Drieëenigen God.
Opgenomen naar den hemel : dat beduidt een, werk Gods. En hoe is Jezus daaronder? Zooals steeds, gewillig en gehoorzaam. Want we lezen verder : gelijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zien heenvaren, of, zooals het er precies staat: zooals gij Hem naar den hemel hebt zien gaan. Wanneer God een mensch plotseling door den dood uit het leven wegneemt, dan voelen wij dat als wreed, als iets tegennatuurlijks, waartegen wij ons zouden willen verzetten als we konden. Maar we zijn daartegen machteloos en dat drukken we uit in de woorden : „uit het leven weggerukt" of „door den dood ons ontrukt". Maar op deze wijze werd onze Heere Christus niet van de aarde weggenomen; bij Hem is geen openlijk noch verborgen verzet tegen het werk van Zijn God. Wanneer het Gods tijd is dan gaat Hij ook weg, dan verlaat Hij de aarde en de zijnen, dan vaart Hij ten hemel; wanneer God Hem „opneemt naar den hemel" dan schrijdt Jezus ook willig en waardig voort naar den hemel. Christus gaat in gehoorzaamheid naar alle plaatsen, waar Zijn Vader Hem heenzendt om Zijn volk te redden : naar de aarde, naar de hel, tenslotte ook naar den hemel.
En let er dan ook op, hoe onze Heiland niet eerder ten hemel vaart als wanneer Zijn God Hem wegneemt. Bij onzen Heiland is geen popelend ongeduld dat Hem reikhalzend doet uitzien naar dat oogenblik met veronachtzaming van Zijn vrienden en van Zijn werk. Rustig wandelt Hij nog naar het laatste toe, onderwijzend en zegenend, met Zijn discipelen. Ook is er bij Hem geen eigenmachtig grijpen naar de kroon, die voor Hem is weggelegd; Hij wil Zijn loon niet eerder ontvangen, dan wanneer Zijn God het Hem geeft: eerst wanneer God Hem opneemt, dan laat Hij zich wegnemen; eerst als God Hem ten hemel trekt, dan laat Hij zich trekken ; eerst na 40 dagen is daar de dag dat onze Heere en Heiland ingaat in Zijn Koningsheerschappij'.
Ziet, hoe onze tekst; ziet, hoe alles op den Hemelsvaartsdag ons wijst naar den hemel! Het is als wanneer wij staan midden in het werk van Gods schepping, zooals zich dat aan ons voordoet in het vlakke Friesche weideland, waarboven zich het ruime hemelrond welft: en overal om ons heen zien wij daar, dichtbij en verre, de kerktorens oprijzen u allen naar den hemel wijzend. Het spreekt alles één taal: naar den hemel! Zoo is het ook in onzen tekst: Gods werk in Christus' hemelvaart wijst ons omhoog naar den hemel. God laat ons zien waarheen wij gaan moeten en waarheen wij gaan mogen. Wat Hij in Zijn welbehagen doet aan Zijn Zoon, die Zijn aardsche werk heeft volbracht, dat heeft Hij gedaan met het oog op ons, die door dat werk zijn behouden geworden. In den hemel is een genadige, een verzoende God. die Christus' zondaars-gemeente, door Hem gerechtvaardigd, naar den hemel trekt. — En ook het werk van Christus in Zijn hemelvaart, Zijn gehoorzaam heengaan, wanneer de Vader het wil, wijst ons eveneens ten hemel.
Daar gaat de eersteling onder vele broeders den weg, welke Hij door Zijn sterven en opstanding heeft gebaand! Daar is het bewijs, dat de hemel niet meer gesloten is, en waar Hij heengaat, daar mogen en kunnen ook al degenen Hem volgen, die met Hem in het geloof zijn begraven en opgestaan, op den tijd dat de Heere ook hen oproept.
En waar alles zoo naar den hemel wijst, waar God zoo naar den hemel toe werkt en onzen Zaligmaker zoo naar den hemel streeft; daar kan 't niet meer verwonderen dat wij de discipelen vinden, staande en opziende naar den hemel. Daar is des Heeren Kerk op aarde, wier oog gevangen is en wier hart geboeid wordt door dat van-aarde-en zonde-verlossend werk van onzen God, en zij kan niet anders doen, dan opzien naar den hemel. De vraag van de engelen : Gij Galileesche mannen! wat staat gij en ziet op naar den hemel ? bedoelt dan ook geen berisping, maar is een vraag, die aanleiding moet zijn om zich rekenschap te geven.
Engelenmond komt aan u en aan Christus' gansche gemeente op den Hemelvaartsdag rekenschap vragen : Waarom is het dat gij opziet naar den hemel ? Waarom is het dat gij uw handen opheft naar den hemel ? Waarom is het dat gij uw hart opwaarts in den hemel verheft? Wat zult gij dan antwoorden ?
Wanneer gij uzelf bekennen moet, dat gij doende zijt om met eigen kracht een toren te bouwen, welks opperste in den hemel reiken moet; wanneer gij moet ontdekken dat gij bezig zijt u een ladder van eigengerechtigheid te maken; of ook, wanneer gij bemerkt dat uw ziel zoo licht is dat gij meent straks vanzelf wel naar den hemel op te stijgen; dan is de plaats waarop gij staat niet meer dan losse en een valsche grond. Dan mag uw blik al ten hemel gericht zijn, maar het is de blik van hem die tevergeefs omhoog naar hulp uitziet, terwijl hij in 't bedrieglijke en doodende drijfzand wegzinkt en naar beneden gezogen wordt. Zulk zien naar den hemel is nutteloos en vruchteloos, want niemand is ten hemel opgeklommen dan die eerst van den hemel is neergedaald (Ef. 4 : 9).
Maar die op den Heere hun vertrouwen stellen en hun vreugde vinden in Gods wonderlijke daden; die ook Christus kennen als Dengene, die hen uit het diensthuis der zonde en der wet heeft uitgeleid, die zullen een blijde verantwoording kunnen geven van de hoop die in hen is. Wat staat gij en ziet op naar den hemel ? Omdat wij weten dat onze Zaligmaker Jezus voor ons is daarheen gegaan en ons daarheen is voorgegaan. Omdat onze wandel in den hemel is, waaruit wij ook den Zaligmaker, onzen Heere Jezus Christus verwachten ; !(Fil. 3:20). Omdat wij daar ook onzen Voorspraak bij den Vader hebben, vanwaar wij alles goeds ook voor dit ons aardsche leven verwachten. Omdat ook wij straks, als de Heere ons wegneemt, daarheen onzen Verlosser hopen na te gaan.
Wanneer gij zoo moogt opzien naar den hemel, welk 'n rijke troost geeft dat in dit leven ! Zien wij naar beneden, dan zien wij een aarde, die veroudert en waarop alles sterft, met bloed doordrenkt en vol van graven. Zien wij om ons heen, dan zien wij een menschenwereld vol leed en ellende, vol haat en verscheurdheid, vol onrechtvaardigheid en onderdrukking. Zien wij bij onszelf naar binnen dan ontdekken wij onze zonde en onze ongerechtigheid, onzen opstand tegen God en onzen afkeer van onzen naaste, onze schuld en onze natuurlijke verlorenheid. Maar zien wij naar den hemel, dan zien wij daar de plaats vanwaar onze hulp komen zal, waar onze zaligheid verborgen is bij God en waarheen onze ziel gaan zal, indien de volkomen gehoorzaamheid van Christus onze gerechtigheid is en Zijn bloed onze volkomen verzoening bij God.
Heeft de Hemelvaartsdag u gevonden, alzoo doende: opziende naar den hemel ? Dan blijve het met u: sursum corda, de blik en de harten omhoog! Want zoo ziet de dienstknecht, vertrouwend en wachtend op de hand zijns Heeren.
N.-B., 9-5-'41.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 mei 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 mei 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's