De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Waarom zoo weinig werfkracht ?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Waarom zoo weinig werfkracht ?

12 minuten leestijd

Geen expansie--Een levensvraag--Te weinig spreken--Armoede aan geestelijk leven en scholing-

Geen expansie

Met P. P., van wien we een artikel lazen over „werfkracht", vinden we dit woord allesbehalve mooi, hoewel de zaak onmisbaar is voor een organisatie om te blijven leven. Sinds Dr Knoppers in de „Amsterdamsche Kerkbode" over werfkracht schreef, zijn er meerdere artikelen over verschenen. Dr Kn. merkte op in „Belijden en Beleven'', dat het ledental der Geref. Kerk van Amsterdam de laatste vijf jaren tamelijk stationnair is gebleven. Er is geen daling meer, maar „wij kunnen nog in het geheel niet van expansie spreken". Er is dus ook nog geen vermeerdering van ledental. Dit stemt dan weer overeen met een gemaakte opmerking in het rapport over de gehouden Kerkvisitatie. Dr Kn. vestigt de aandacht op één van een drietal gemaakte opmerkingen. En wel op de opmerking over werfkracht. Uit de gegevens, waarover door de Kerkvisitatie kon worden beschikt, bleek weer opnieuw, dat slechts enkelingen gewonnen werden en dat binnen het classicaal ressort de kerken slechts geringen aanwas hebben. Het werd niet genoeg geacht dit feit te constateeren, maar de oorzaken moeten opgespoord worden en, zoo mogelijk, middelen gezocht tot verbetering. Hiertoe is eene commissie benoemd om de bedoelde classicale vergadering, die deze commissie instelde, van advies te dienen. Dr Kn. hoopt dat ook straks de Kerk daarmee gediend zal zijn. Er is bij hem wel dank, dat er handhaving is van het ledental, maar tevreden is hij daarmee niet. „De bede bewaar en vermeerder Uw Kerk!" roept ook om activiteit in de kracht des Geestes".

Een levensvraag

Ook nu, evenals eerder, worden reeds verschillende oorzaken genoemd, waardoor er zoo weinig werfkracht is. Nadat P. P. in een artikel in „Credo" de nadruk eerst gelegd heeft op het feit, dat Evangelisatie de roeping der Kerk is, vraagt hij: Maar wat mankeert er dan toch aan ons kerkelijk leven ? Hoeveel waarheid er gelegen is in de bewering, dat de boodschap der Kerk teveel ingaat tegen de natuurlijke neiging van den mensch en dat daarom de Kerk zoo weinig gehoor vindt, hierdoor mogen wij ons — aldus P. P. niet ontslagen rekenen van ernstig zelfonderzoek.

De hoogleeraar Bavinck wordt geciteerd, waarvan we het volgende overnemen :

„Onze Kerken mogen vele voortreffelijke deugden hebben, maar zij bezitten buitengewoon weinig natuurlijke werfkracht. Wij hebben evangelisatie-commissies, en die doen uitnemend werk, maar aan spontane evangelieverkondiging door ieder gewoon gemeentelid in alle verhoudingen, waarin hij geplaatst wordt, ontbreekt het ons in ontstellende mate. Het getal menschen die zoo maar, zonder opdracht van een commissie, alleen omdat ze er niet van zwijgen kunnen, met anderen gaan spreken over Jezus en over het heerlijke van het in Hem geborgen te zijn, is benauwend klein onder ons".

Prof. Bavinck ziet hierin dan speciaal een groote schuld van ons jegens de jonge Kerken op het Zendingsveld. Als wij niet anders worden, is er weinig grond voor de hoop, dat deze jonge Kerken grooter werfkracht aan den dag zullen leggen dan wij. Terwijl het hier toch gaat over een levensvraag van de jonge Kerken. Want menschelijkerwijze gesproken, hangt het lot van die Kerken af van de vraag „of zij uit zichzelf straks een zóó groote werfkracht kunnen aan den dag leggen, dat het geheele volk, te midden waarvan zij leven, met het evangelie in aanraking komt''.

P. P. merkt hierbij op, dat hier de vinger gelegd wordt bij de wondeplek, die hij wilde aanwijzen. Een van de oorzaken van te weinig werfkracht is dus, dat wij „veel te gemakkelijk kunnen zwijgen van onzen Heiland. Het kost ons vaak meer moeite om te spreken, dan om niet te spreken. Daarachter ligt een stuk geestesarmoe en daarin schuilt, meen ik, de hoofdzaak van het gebrek aan werfkracht". Er wordt op gewezen, dat wij nu toch voor een persoonlijk gesprek grootere kansen hebben dan te voren. Biddend moeten deze kansen ijverig worden gebruikt. Vervolgens kunnen Christelijke bladen — de schrijver bedoelt zulke als Credo; wij zouden dus kunnen zeggen: De Waarheidsvriend — worden doorgegeven, dan zal er ook wel eens een gesprek ontstaan. Voor de oude Kerk in deze landen betreft het hier ook een levensvraag. Want als wij ons licht niet ten volle laten schijnen, dan zal Christus het licht van onzen kandelaar wegnemen en dan zal de duisternis van het heidendom, vroeg of laat, deze oude bodem weer bedekken.

Te weinig spreken

Ds Wiersinga snijdt deze zelfde kwestie aan in „Belijden en Beleven". Hij merkt op, dat ons geestelijk leven met deze zaak heel veel heeft te maken. Het pijnlijke is dan, dat zelfs nu onze Kerken weinig menschen uit de wereld winnen, „nu toch zoo heel velen buiten ons weer gaan vragen naar een geestelijk houvast en opgeschrokken door den nood, „zoekende" zijn naar een vast levensbeginsel". Allerlei redenen zijn hiervoor op te geven. Allereerst wordt dan hierop gewezen, dat een zeer groot aantal van hen, die door den Evangelisatiearbeid tot Christus teruggeroepen zijn, niet in de Geref. Kerken terecht kwamen, maar terugkeerden naar hun vroegere Kerk en daar weer regelmatig meeleven. Vervolgens wordt gewezen op twee factoren, die met ons geestelijk leven samenhangen. Wij spreken te weinig over de genade Gods.

Over allerlei hebben wij het in onze dagen, maar wij zwijgen over God en over Zijn levensleidingen. „Waarom zeggen wij toch niet eens heel eenvoudig, wat de Heere voor ons was en deed ? " We geven bier weer, wat Ds W. las in een boek van Ds Merkelijn (26 Jaren op het Zendingsveld): „Een gemeente, die naar buiten zwijgt, begint vaak naar binnen te spreken, maar dan in verkeerden zin. Er komen geschillen, kleine twisten, en haar levenssappen dreigen verteerd te worden door oneenigheid. Daarom moet in de gemeente steeds weer nadruk gelegd worden op de roeping om te belijden....... Een gemeente, die haar belijdenis niet meer uitdraagt ....... is als een land, dat geen uitvoerhandel meer kent en daarom verarmt, als een boom, die ophoudt vruchten te dragen en nu nutteloos de aarde beslaat". Volgens Ds W. hebben de Gereformeerde menschen te weinig een persoonlijk evangelische houding. De contacten met allerlei menschen worden veel te weinig gebruikt om aan de menschen eens wat goeds van den Heere Jezus te zeggen en ze te vertellen, waar ook in deze dagen de rechte en echte steun te vinden is. Onze huizen zetten wij te weinig voor de menschen open. Ook als officieele medewerkers in de Evangelisatie. We tobben met standsverschil en afgesloten clubjes.

De secten doen het in dat Opzicht beter. Daar is veel samenleven, waarin groote werfkracht schuilt. En ge moet er maar eens op letten: ketters zwijgen nooit. Dat zijn allemaal propagandisten voor hunne denkbeelden. Wij moeten ons geven. De deuren moeten voor de menschen open.

Velen vinden in onzen verwarden tijd de godsdienst een zaak apart, losstaand van het gewone leven. Ds W. vraagt dan : „Heeft de levenshouding van-allen-dag van ons Christenen deze foutieve gedachte niet in de hand gewerkt ? Heeft de wereldgelijkvormigheid in dezen ons niet danig te pakken ? Hebben wij ook het spreken over den Heere en Zijn genade niet naast ons gewone leven gezet ? "

Armoede aan geestelijk leven en scholing

In „Belijden en Beleven" wijst Dr Sietsma er op, dat de aarzeling om over de dingen van Gods Koninkrijk te spreken, volstrekt niet alleen of allereerst uit laksheid voortkomt. Hiermede wordt een andere zijde van deze hoogst belangrijke zaak belicht. Er zijn — aldus Dr S. — menschen, die een natuurlijke onbekwaamheid hebben in het formuleeren van hun gedachten en het spreken in het algemeen. Ze zijn zwaar van tong. Dit wordt niet erg gevonden. Er moet ook worden geluisterd en er moet ook vooral met de daad worden getuigd van den Heere Jezus Christus. Vooral dit spreken met de daad wordt terecht onderstreept. Dagelijks toch struikelen er ettelijke menschen, doordat ze zich weten te verschuilen achter het ergernis gevende of slap getuigenislooze leven van Christenen. Bovendien behoeft niet ieder door zijn spreken te imponeeren. Er is ook een spreken, dat bestaat in een woord op zijn pas, in een enkele vingerwijzing.

Hiertegenover wordt echter opgemerkt, dat men niet te spoedig moet zeggen dat men niet spreken kan. Menigeen betoogt, niet in staat te zijn contact te zoeken met wie voor zijn rekening liggen. De roeping daartoe wordt wel erkend, maar men kan niet. Drie dingen worden hierover gezegd. In de eerste plaats, dat dit klaarblijkelijk heelemaal niet juist is. Want het „niet kunnen" wordt met groote welsprekendheid en „wel gekozen woorden" aangetoond. Dat komt — en dat is de tweede opmerking — „soms en vaak door gebrek aan geestelijk leven, aan bewust geestelijk leven, aan zekerheid des heils, aan bewustzijn, dat ik rijk ben in Christus, aan drang, die voortkomt uit blijdschap van het ge­loof". Volgens Dr S. is het een achterstand, als eerst op het sterfbed of in dagen van vervolging de belijdenis beleefd en men er zich van bewust wordt. Het komt er altijd op aan. Men spreekt niet tot anderen, omdat men niet gesproken heeft voor den Heere en voor zichzelf. Men weet niet waar men staat en daarom moet men zich daarvan bekeeren. Anderen gaan daardoor onvermaand en onvertroost heen.

Ten derde merkt Dr S. op, dat onze menschen voor dit werk niet voldoende worden geschoold en geoefend. Ondanks het feit, dat een groot percentage theologisch goed „bij" is, „ontbreekt het ons veelszins aan de scholing om over de eenvoudige waarheden van het evangelie te spreken met kinderen, met kinderen van 30 en meer jaren oud". Te veel wordt in den medemensch een intellectueele tegenstander gespeurd of vermoed. Dan willen we hem overtuigen, dat hij het mis heeft.,

Inplaats dat wij hem heel eenvoudig den Christus der Schriften verkondigen. Dit vindt mede hierin zijn oorzaak, dat wij er op deze wijze in eigen kring te weinig over spreken. Of anders gezegd : dat komt doordat wij weinig „al te weinig bij en uit den Bijbel leven". Wij kennen in 't geheel niet meer „de kleinere of grootere groepen van den Bijbel onderzoekende Christenen, die zich oefenen in het spreken uit de Schrift d.i. van uit Christus, opdat wij ons meer bewust worden, waar wij staan, en opdat wij ook tot den buitenstaander een woord kunnen zeggen". Expres gaat Dr S. overdrijven, wanneer hij het volgende zegt, maar ieder zal daarbij gevoelen, dat er een groote waarheid in ligt. „Er is en wordt ons te veel uit de handen genomen. De school zorgt voor onze kinderen. In de Kerk vinden wij de gemeenschap der heiligen en de Woordverkondiging. „De evangelisatie" neemt onzen plicht tegenover de buitenwereld waar. De vereeniging en het boek zorgen voor onze ontwikkeling in meer theoretischen zin. En wij dreigen er bij te verarmen en te worden tot een belangstellend toeschouwer, veel bezig voor ons zelf misschien met de vraag, „of wij er deel aan hebben", maar niet bewogen tot actief zijn in het Koninkrijk Gods, zelfs niet in onzen eigen opbouw in het geloof".

We zien, dat men in vele artikelen vele oorzaken heeft genoemd voor het te weinig aanwezig zijn van werfkracht in de Kerk.

We kunnen veel te gemakkelijk zwijgen van den Christus.

Er wordt veel te weinig gesproken over de genade Gods.

De contacten met allerlei menschen worden te weinig gebruikt.

Onze huizen worden te weinig voor de menschen opengezet.

De godsdienst wordt veel te veel losgemaakt van het gewone leven.

De wereldgelijkvormigheid heeft ons in haar greep.

Al te gemakkelijk wordt gezegd, dat we er niet over kunnen spreken. Het getuigenis met de daad moet vooral niet worden vergeten.

Er is gebrek aan geestelijk leven, aan bewust geestelijk leven.

Er is te weinig scholing en oefening. 

Anderen doen het wel voor ons.

't Zou waarlijk niet moeilijk vallen deze toch al goedvoorziene opsomming met nog meerdere oorzaken aan te vullen. Ook met oorzaken, die voortkomen uit het karakter van de bevolking van bepaalde streken of uit de gesteldheid van bepaalde gemeenten.

Niemand zal ontkennen, dat hier inderdaad een levensvraag voor de Kerk is aangesneden. Evangelisatie, getuigen is roeping der Kerk. We gevoelen echter direct, dat wij dan weer met allerlei moeilijkheden zitten in verband met de toestand, waarin.de Ned. Hervormde Kerk verkeert.

Ook deze arbeid roept om een gezond — voor zoover mogelijk — kerkelijk leven.  Roept om een Kerk, die uit één mond getuigt van haar Heere en Koning. Laten wij ons daar goed van bewust zijn. Laat dit maar dringen. Zooveel te meer wordt het kerkelijk vraagstuk onder ons „brandend" en het verkeerde knellend en des te meer zal er kunnen komen een zoeken van den weg om tot Schriftuurlijker toestanden te komen en des te meer zal de troon van God aangeloopen worden voor deze zaak.

Hierin mag geen verslapping onder ons gevonden worden. Waarbij we inkeeren tot onszelf en met het oog op dit alles vragen : Hoe is het met ons ? Hoe staan wij ? Want achter die geringe werfkracht zit de nood van alle kerken : geestelijke armoede, weinig leven in gemeenschap met God, en waar dit nog is, weinig besef van de roeping, waarmee de Heere roept. Laat dit toch vooral geen verontschuldiging zijn. Terwijl de wereld in brand staat, laat God ons dan toch niet vinden met weg te kruipen achter dit en dat, met alleen te denken aan onszelf, met geestelijke zelfvoldaanheid — maar laat dit tot de ware ootmoed ons roepen, tot ware schuldbelijdenis, tot waarachtige bekeering, tot ware activiteit. Het Hoofdbestuur van den Herv. Bond voor Inwendige Zending op Geref. grondslag stelde eene commissie in tot onderzoek en advies inzake de Evangelisatiearbeid in onze gemeenten. Vragenlijsten zijn reeds verzonden. Laat men nu hier alle medewerking verleenen. Vooral ook door niet te denken: nu doen anderen het wel voor ons — maar door zélf aan te pakken en wegen te zoeken. Dit drijve uit tot eendrachtig samenzijn en bidden om den Heiligen Geest. Die Geest maakt dooden levend, heft het ingezonken geestelijk leven op. Die Geest getuigt en doet getuigen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 mei 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Waarom zoo weinig werfkracht ?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 mei 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's