De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Kerk en Christendom

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Kerk en Christendom

7 minuten leestijd

Naar aanleiding van de vraag omtrent taak en omvang der kerkgeschiedenis, wezen wij terloops op het onderscheid van kerk en Christendom. Het Christendom strekt zich verder uit dan een bepaalde kerk. Het omvat ook nog meer dan de verschillende kerkformaties tezamen. Christendom omvat nog een groot terrein buiten de grenzen der kerkelijke organisaties.

In het algemeen omvat het al die verschijnselen en arbeid, welker aanleidende oorzaken, impulsen en motieven teruggaan op de openbaring der kerk van Christus. Van uit het geestelijk leven door de kerk gewekt, gaan velerlei aderen en kanalen uit de wereld in. Wat Christelijk is, d.w. z. aan het Christendom verwant is, kan er zonder de kerk niet zijn, maar daarom is dit alles nog niet kerkelijk. Het kan zelfs zoo zijn, dat het met de kerk niets van doen wil hebben en afkeerig tegenover haar staat.

Indertijd hebben wij de onderscheiding van de kerk als organisme en als instituut uiteengezet en er op gewezen, dat zij als organisme veel verder strekt dan als instituut. Het is niet geheel onjuist, bij Christendom aan de kerk als organisme te denken, n.l. in dien zin, dat wij zien op de geestelijke werkingen, welke op een voor ons verborgene wijze vanuit de kerk door de menschheid heengaan. Ten deele zullen zij haar oorsprong verraden in degenen, die den Naam van Christus noemen, ten deele ook zal men ontleenen uit den schat der kerk zonder dat te beseffen of te erkennen.

Het kan ook zoo zijn, dat men het Christendom boven de kerk verheft en zich uit de gegevens van het historisch Christendom een ideaal schept, dat zich als voortreffelijker dan eenig kerkbegrip aandient, om ten slotte de kerk als een begrip van lagere orde op zij te zetten of te maken tot een kweekplaats van religieus idealisme, dat met het leven der kerk op gespannen voet staat.

Ook zulk een idealisme vindt mede zijn verklaring als reactie op de verwarring, verdeeldheid en tegenstrijdigheden, die men op kerkelijk terrein waarneemt. Men gevoelt, dat dit beeld een caricatuur is en dat zulk een openbaring der kerk in strijd is met haar wezen. Derhalve zoekt men op zijn wijze naar de eenheid, die zich niet openbaart en die er toch zijn moet.

Intusschen zoekt men verkeerd, zoolang men den eenigen weg om tot kennis van het wezen en de roeping der kerk te komen, verzaakt. Dan toch zal men steeds bloot staan aan het gevaar om van de kerk iets te maken, wat zij niet is.

Wie van het Christendom uitgaat, vindt de kerk niet. Slechts hij, die haar in Gods Woord zoekt, kan haar vinden en wie van de kerk is, verstaat er iets van. Daarom kan de kerk in haar belijdenis dienaangaande rekenschap geven. In haar heeft men een gids, die vanzelf weer naar de Heilige Schrift voert.

Het spreekt voorts vanzelf, dat de kerk vandaag niet wat anders is dan gisteren en eergisteren. Haar wezen is onveranderlijk en haar openbaring moet dienovereenkomstig zijn. En nu is de eerste, de wezenlijke openbaring der kerk daar, waar zij haar leven mededeelt, een openbaring, welke niet in de macht van een mensch staat, want het is Gods werk. Op dat leven, op die openbaring, gaat de belijdenis der kerk terug. In zooverre staat zij op een onveranderlijken bodem.

Men zal dus wel kunnen beweren, dat de reformatoren op een of ander punt geen klaar gezicht hebben gehad — hetgeen dan nader zou moeten blijken —, maar men kan moeilijk ontkennen, dat zij uit het leven der kerk hebben gesproken en gehandeld, en dat de kerk nog altijd hetzelfde leven leeft.

De kerk, die men zoekt, is er dus wel, want zij leeft, maar dat leven kan zoo verborgen zijn, dat men het niet ontdekt. Eén ding echter staat zonder twijfel vast, dat de levende kerk van heden haar gemeenschap met de reformatorische kerk in haar belijdenis gewaar wordt en daarom voor die belijdenis opkomt.

Uit dien hoofde verdienen zij, die voor de belijdenis opkomen, de bijzondere aandacht. Zij bewijzen daarin althans op een voornaam punt gezond kerkelijk besef te hebben, dat gemeenschap gevoelt met de kerk der eeuwen. Misschien schuilt daarin de aanleiding, dat zij den schijn wekken van geestelijken hoogmoed, als zeiden zij: „wij zijn het". Zoo iets wordt hun wel eens in de schoenen geschoven en misschien niet zonder oorzaak.

Wij, Calvinisten, is een uitdrukking, welker heroïeke klank niet altijd sympathiek werd begroet. En al zegt men niet: wij, mannen van de belijdenis, ook zonder dat wil men het wel in dien zin verstaan, als er voor de Confessie wordt gepleit.

Toch zij men voorzichtig met deze dingen. Het klinkt inderdaad heldhaftig en herinnert onwillekeurig aan het woord van den geloofsheld Paulus : Wij dan, gerechtvaardigd zijnde door het geloof, hebben vrede bij God door onzen Heere Jezus Christus. (Rom. 5 : 1). Hij spreekt daar met de gansche kerk uit de kracht van het waarachtig geloof. Daarin is geen geestelijke hoogmoed, maar bevestiging van het Evangelie : Het Koninkrijk Gods bestaat niet in woorden, maar in kracht. Waar het geloof aan het woord is, komt het uit die geestelijke kracht op. In Christus zijn wij meer dan overwinnaars. Als de kerk spreekt, spreekt zij uit die kracht. Dat is haar getuigenis.

Indien er een beroep op de kerk wordt gedaan om naar haar roeping te getuigen en haar belijdenis gestand te doen, mag men aannemen, dat daarin een stem des geloofs zich laat hooren. Zonder deze zou het weinig beteekenis hebben en slechts een vorm zijn. Het ware niet juist, het zoo te verstaan. Doch aan den anderen kant kan het niet juist zijn te meenen, dat degenen, die voor de belijdenis opkomen, zichzelf als groep voor de ware kerk houden, als wilden zij zeggen: „wij zijn het", of „wij zijn de kerk". Men kan echter niet beweren, dat degenen, die de belijdenis der kerk aanhangen en voor haar eerbiediging en getuigenis opkomen, niet van de kerk zij.n of een stukje verouderd Christendom vertegenwoordigen.

De aandacht wordt dan ook niet zoozeer voor die menschen gevraagd, als wel voor de plaats der belijdenis. De kerk moet belijdende kerk zijn en wel als getuige van Christus' gemeente. Zoo gaat de roep om de belijdenis tot allen uit, die van de kerk zijn, maar ook tot allen, die bij de kerk zijn. Hij raakt volstrekt niet alleen degenen, die kerkelijk uit de belijdenis wenschen te leven, maar allen, die geroepen zijn hun krachten te wijden aan de bevordering van gezond kerkelijk leven.

Indien men dan niet kan weerspreken, dat de kerk door haar confessie los te laten in een veelheid van sectarische groepen is opgegaan, zoodat ook degenen, die bij haar belijdenis volharden, in afzonderlijke kerkformaties zijn uiteengegaan, op de wijze van secten een geestelijk onderdak zochten, of als confessioneele groepen in een veelkleurig Christendom bij de kerk bleven, is er alle reden om zich op den aard en de roeping der kerk, waarvan de confessie spreekt, te bezinnen. Zij bewijst toch in het geheel niet geestelijk dood of verouderd te zijn.

Bovendien treedt de confessie niet met eigen gezag op, maar beroept zich op het gezag van Hem, dien zij als de Heere der kerk belijdt en wiens Woord zij is geroepen te bewaren. Het gaat dus niet om een waardeering van de menschen, maar om de Waarheid Gods. Niet wie voor de belijdenis opkomen en hoe men hen waardeert, is hier in het geding, maar het gaat om de waarheid der belijdenis.

Daar is een vraag naar de belijdende kerk. Die vraag zal geen afdoend antwoord vinden buiten de gemeenschap van de reformatorische kerk, waarmede zij één en in Christus verbonden is. Zonder de belijdende kerk wordt het Christendom beroofd van de geestelijke leiding, welke het noodig heeft om gewapend te zijn tegen vervlakking en vervloeiïng in een veelheid van sectarische gevoelens en meeningen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 mei 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Kerk en Christendom

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 mei 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's