De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

EEN OVERVLOEDIGE FONTEIN

7 minuten leestijd

Vrees niet, o Jacob, mijn knecht, en gij Jeschurun, die ik verkoren heb, want ik zal water gieten op den dorstige en stroomen op het droge; Ik zal mijn Geest op uw zaad gieten en mijn zegen op uwe nakomelingen. Jesaja 44 vers 2—4.

EEN OVERVLOEDIGE FONTEIN

Wanneer gij, geachte lezer, dit leest, is het Pinksterfeest weer voorbij. De gemeente werd weer bepaald bij de uitstorting des Heiligen Geestes. Hoevele malen hebben wij deze geschiedenis uit Handelingen al reeds beluisterd ; ook dit woord : „En zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest". Doch wat werd het anders, toen het Woord waarheid in ons binnenste werd. Toen kwam er roering en beweging, toen kwam er vreeze in ons binnenste. Of gebeurt dat niet, als Gods levendmakende Geest  werkzaam wordt in de dorheid en doodigheid van 's menschen hart. Die ontroering, die onrust bij de gedachte aan dood en eeuwigheid. Wat het zal te zeggen zijn met een onverzoende schuld voor een heilig God te moeten verschijnen. Als gerusten te Sion verontrust te worden, als degenen, die zoo vredig daarhenen leefden, een onvrede leeren kennen. Als met een David de klacht gekend wordt: „Daar is geen vrede in mijne beenderen". Als de belijdenis van David gehoord wordt: „Onze verwachting is verloren, wij zijn afgesneden".

Die zelf aanklaagt over een algeheele verlorenheid en verdorvenheid. Als alles tegen ons getuigt en wij op het onze den dood moeten schrijven.

Juist voor dezulken heeft ons tekstwoord nog wat te zeggen, want in het dal van Achor heeft de Heere een deur der hope ontsloten. Welk een teedere zorg ligt in dit woord besloten. Want de Heere spreekt Jacob aan met de woorden : „Vrees niet". Had Jacob dan geen reden om te vreezen ? Zeer zeker. Want had Jacob geen leven van zonde en afmatting achter zich ? En als hij aan dat alles gedacht, dan was er alle reden om bevreesd te zijn. Was hij dan geen doemwaardig zondaar, die ieder oogenblik voor Gods gericht gedaagd kon worden ? Had hij dan niet gehandeld als een blinde, die zich zelf in zijn blindheid in o zooveel moeilijkheden had gestort ?

Zou dan de vrees, waarmede zij moeten vreezen, zoo dwaas zijn. Volstrekt niet. Maar de dwaasheid der vreeze ligt hierin, dat de Heere voor zulk volk een vurige muur van rondom is en dat volk nochtans denkt dat het door de heidenen zal vertreden worden. En daarom zegt Hij : Vrees niet. De Heere wil zeggen: Ik ben er ook nog en als alles u ontzinkt. Ik blijf over. En als alles u verlaat. Ik zal u niet begeven, noch verlaten.

Welk een teederheid, o Jacob, mijn knecht. Welk een toeëigening, dat die arme worstelaar door den Heere als Zijn knecht wordt erkend.

En gij, Jeschurun, die Ik verkoren heb. Jeschurun beteekent : de rechtvaardige. Nu is het, op zichzelf beschouwd, al een wonderlijke zaak als Jacob een rechtvaardige genoemd wordt. En dan moet Jacob zich als Jacob hebben leeren kennen en dan moet er van hem niets overgebleven zijn om zich daarop te kunnen beroepen voor den Heere en dan moet hij zich toegesproken hooren met die wondere naam Jeschurun,  gij rechtvaardige.

Dat is alleen een toegekende rechtvaardigheid. De Heere ziet Zijn volk aan in den Zoon Zijner liefde. De vuile kleederen worden weggenomen en dan staat hij bekleed met het sierlijke kleed van de gerechtigheid van zijn Heiland en God.

Welk een volheid wordt nu in die overvloedige fontein gevonden. Ik zal water gieten op den dorstige en stroomen op het droge. Of is dat geen volheid ? Bij den Heere is het water des levens. Er is bij Hem een fontein, een put van levend water. Hij heeft daarvan getuigd bij de woestijnreis, als Hij water uit de rotssteen te voorschijn haalt. En dit water des levens is door den Heere Jezus verworven. Daarom moest Hij dorsten aan het kruishout van Golgotha en uitroepen: Mij dorst. Maar omdat Hij nu door Zijn dorst de oorzaak van onze eeuwige dorst, namelijk de zonde, heeft weggenomen, daarom is er nu nog voor een dorstige ziel een waterstroom om zich te laven en voor een dorstende ziel nog verkwikking, om daarin verheugd en versterkt te zijn.

Welk een volheid. Want de Heere zegt, dat Hij het water gieten zal op den dorstige en stroomen op het droge. De Heere deelt dus niet in karigheid Zijn gaven mede, doch uit Zijn goddelijke volheid geeft Hij meer, dan een dorstige ziel durft hopen. Stroomen zijn het, welke Hij voor een dorstig volk komt te beschikken. Stroomen als de geweldige stroom, dien wij bij Ezechiël onder den dorpel van het huis des Heeren zien doorbreken, om het gansche heilige land te doorwandelen, leven dragend en leven brengend en wat dood is met leven bezielend.

Ik zal Mijn geest op uw zaad gieten en Mijn zegen op uwe nakomelingen. Vinden zij dit niet op den Pinksterdag in vervulling gebracht. De Geest werd over de discipelen uitgestort en nochtans had de Heere Jezus reeds tot hen gezegd : „Ontvangt den Heiligen Geest".

Door dien Geest hadden zij immers alles verlaten en waren Hem gevolgd. Door dien Geest waren zij verblijd geworden over de opstanding uit de dooden. Door dien Geest waren zij eendrachtelijk samen geweest om met elkander te volharden in het gebed. Maar nu ontvingen zij den Geest in Zijn volle vertroostende werking, dien Geest, waardoor zij alleen konden zeggen : Abba, Vader. Nu ontvingen zij door dien Geest ook alle gaven, welke zij noodig hadden om ook aan anderen uit te dragen het Woord des Heeren en verkondigers te zijn van het heil in Christus.

En als Jacob ongetroost nederzit, omdat hij hulpeloos is, dan is alreeds de Geest hem geschonken, opdat hij door dien Geest zijn schuld en zonde voor God aanschouwen mag. En als Jacob dorst naar den Heere, dan is het de Geest, die hem dorsten doet.

Is dit nu geen rijke belofte, dat de Heere zegt: Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten ? Want hoe vaak komt onze machteloosheid niet aan den dag om een troostelooze te troosten. Wel zegt de Heere: dat werk is voor Mij, Ik zal u een Pinksterfeest bereiden. Ik zal de dorstige ziel drenken met de wateren des levens en Ik zal dit zaad bezoeken op Mijn tijd, opdat ook zij overstort worden met Mijn Geest en ook zij mogen getuigen van den rijkdom der genade. Welk een getrouwheid dus. Welk een onveranderlijke verbondstrouw. De Heere belooft dus daarin dat Hij van geslacht tot geslacht Zijn Koninkrijk zal voortplanten. Daarom wordt er nog aan toegevoegd : Ik zal Mijn zegen gieten op uwe nakomelingen. De Geestesgaven worden dus hier een zegen genoemd, omdat talloos de zegeningen zijn, die door den Heiligen Geest gewerkt worden. De Heere staat voor Zijn werk in en Zijn Woord zal niet ledig wederkeeren. Op het Pinksterfeest werden zij allen vervuld met den Heiligen Geest.

Geachte lezers : geldt dit ook voor u ? Zijt gij ook vervuld met den Heiligen Geest ? Wordt gij niet begeerig naar zulk een toediening ? Weet dan, dat er een overvloed des Geestes is. De Heere heeft meer dan één zegen te geven.

Zijn volheid is een onuitputtelijke volheid.

God geve, dat dit Pinksterfeest voor u niet ongezegend geweest is, doch dat gij nu nog gewag kunt maken van die rijkdom der genade, opdat wanneer anderen niet meer denken aan het Pinksterfeest, gij nog den Heere er voor moogt groot maken, dat gij behoort tot hen, van wie geschreven staat : En zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest.

O, zoek het niet bij u zelven of bij het schepsel. Steun dan niet op uw onmacht, waaraan gij nog nooit ontdekt zijt, maar zij en worde het uw bede : Heere, leer mij. Heere, bekeer mij. Heere, ontdek mij en trek mij; geef mij een levende en levendige behoefte aan Uw almachtig genadewerk.

En klimme daar de bede uit uw hart ook in deze dagen : „O Geest, kom aan van de vier winden en blaas ook in mij, opdat ik levend worde".

Ja, dat ook die Heilige Geest blaze met Zijn levenwekkende kracht in de dorre vallei van uw hart, opdat dat nieuwe leven uit God moge zijn, tot Zijn verheerlijking. Dan wordt het: Uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Dan wordt het ervaren :

Dit werk is door Gods alvermogen, Door 's Heeren hand alleen geschied. Het is een wonder in onz' oogen, Wij zien het, maar doorgronden t niet.

Veenendaal

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juni 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juni 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's