De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Niet ganschelijk teniet gedaan

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Niet ganschelijk teniet gedaan

7 minuten leestijd

Art. 15 van onze Ned. Geloofsbelijdenis handelt over de erfzonde. „Wij gelooven, dat door de ongehoorzaamheid van Adam de erfzonde uitgebreid is geworden over het gansche menschelijke geslacht; welke is eene verdorvenheid der geheele natuur en een erfelijk gebrek, waarmede de kleine kinderen zelfs besmet zijn in hunner moeders lichaam, en die in den mensch allerlei zonden voortbrengt, zijnde in hem als een wortel daarvan; en zij is daarom zoo leelijk en gruwelijk voor God, dat zij genoegzaam is om het menschelijk geslacht te verdoemen".

Nu komt er echter een zin, die heel wat moeilijkheid oplevert.

„Zij is ook zelfs door den Doop niet ganschelijk teniet gedaan, noch geheel uitgeroeid ". Op grond van deze zin bestaat er toch aanleiding om nu aldus te zeggen : de Doop doet derhalve de erfzonde niet geheel teniet, maar dan toch wel gedeeltelijk. De Doop zou dan gedeeltelijk de erfzonde wegnemen en uitroeien.

Maar dit is toch niet volgens de Schrift ? En ook onze Catechismus zegt daarvan niets. Daarom blijft de vraag : hoe zit dat dan met „niet ganschelijk teniet gedaan". Dr G. P. van Itterzon geeft hierop een antwoord in de „Geref. Kerk". Hij begint met er op te wijzen, dat het gedeelte uit art. 15, hier in geding, moeilijk is. Dr F. J. Los heeft in zijn „Tekst en toelichting van de geloofsbelijdenis" aan de uitlegging hiervan verschillende bladzijden gewijd (blz. 174— 181). In „Onder eigen Vaandel" van 1930 en 1931 heeft hij met Dr G. Oorthuys over dit onderwerp van gedachten gewisseld. Nu gaat Dr v. I. de moeilijkheid aanwijzen en bespreken. De oudste Nederlandsche tekst is eenvoudig. Daarin wordt gezegd, dat de erfzonde door den doop niet is weggenomen. Lijnrecht ging dit tegen de Roomsche opvatting in. Deze Kerk heeft immers het sacrament in het middelpunt gezet. De mis is het een en het al en van de prediking des Woords komt zoo goed als niets terecht. In het sacrament zit toch — aldus de Roomsche Kerk — een bijzondere, wonderbare kracht en de sacramenten deelen allerlei soorten van genade mede. De Protestant daarentegen leeft en sterft bij het Woord Gods. Voor hem zijn de sacramenten teekenen en zegelen van wat God ons in Zijn Woord en in Jezus Christus, Zijn Zoon, heeft willen schenken.

En wat verklaart de Roomsche Kerk nu over de erfzonde?

Wel, een mensch, die gedoopt wordt, raakt op datzelfde oogenblik zijn zondigen aard volkomen kwijt. Aldus Rome. De erfzonde kan n.l. alleen door de doop worden vergeven. De doop neemt datgene weg, wat de ware en eigenlijke natuur der zonde uitmaakt. Al het verdorvene wordt door den doop weggespoeld en volkomen gedelgd. De booze begeerlijkheden, die ook bij de gedoopten worden gevonden, komen dan voort uit de onvolmaakte natuur van den mensch.

Hiertegen nu stelde zich onze belijdenis, ondanks, de banvloek van het concilie van Trente. De belijdenis verklaarde n.l., dat de erfzonde zelfs door den doop niet werd weggenomen. Onze vaderen verwierpen 't geloof alsof er in het doopwater kracht zou zitten om de erfzonde weg te wasschen. De Synode van Middelburg nu (1611) heeft, om heel scherp te zijn, art. 15 aldus geformuleerd: De erfzonde is ook zelfs door den doop niet ganschelijk te niet gegaan, noch geheel uitgeroeid. Deze toevoeging heeft de Synode van Dordrecht in 1619 overgenomen.

't Komt dan dus zoo te staan: „Rome beleed: wèl ganschelijk te niet gedaan; de belijdenis beleed : niet! Rome beleed : wèl geheel uitgeroeid; de belijdenis verklaarde : niet! De erfzonde ganschelijk te niet gedaan ? Geheel uitgeroeid ? Geen denken aan, aldus onze voortrekkers ; de zondige aard van den mensch zit zóo diep, dat het doopwater er niet bij kan. De mensch raakt op zijn doopdag zijn zondige hart niet kwijt; hij is en blijft een zondaar in zichzelf tot aan zijn laatsten snik". Wat echter niet zeggen wil, dat de doop nu geheel zonder beteekenis zoude zijn. Bij de doop geeft God een teeken en zegel hiervan, dat Hij Zijn verbond houdt, Zijn gelofte nakomt, een God van genade is. De Roomsche Kerk leert dus: de erfzonde wordt door den doop volkomen te niet gedaan. De booze begeerlijkheid blijft er als een gebrek, een onvolmaaktheid, maar is geen zonde. Het Gereformeerd Protestantisme zegt : Neen. De zondige mensch wordt door den doop niet een onvolmaakte mensch, maar dan een mensch zonder zonde, „die met bijstand van goddelijke genade zelf goede werken kan doen''. De gedoopte blijft een zondig mensch met een zondig hart, met een zondige aard. (erfzonde). De Heere verzekert echter door den doop, dat Hij aan Zijn kinderen die erfzonde niet tot verdoemenis toerekent, maar ze vergeeft door Zijn genade en barmhartigheid. De erfzonde blijft dus, de zondige aard, de zonde blijft daaruit altijd als opwellend water uitspringen, gelijk uit eene onzalige fontein. De schuld daarvan is echter door Christus gedragen. Zie art. 15. Tevens wijst dit artikel er op — Dr v. I. vestigt ook hierop de aandacht — dat dit niet geloofd wordt om in de zonde gerust te slapen. Integendeel. Het gevoel van deze verdorvenheid moet de geloovigen dikwijls doen zuchten, verlangende om van dit lichaam des doods verlost te worden. Ook al zijn we dus door de verzoening in Christus ontheven van de schuld der zonde, en al verzekert God ons dit alles in het sacrament, de smet der zonde blijft ons aankleven. Door deze gedachten geleid, zijn sommigen art. 15 eenigszins anders gaan lezen. Zij zetten geen streepje achter „niet", maar achter „ganschelijk". De erfzonde wordt niet, zooals de Roomsche Kerk leert, „ganschelijk-te-niet-gedaan". Anderen lezen echter : De erfzonde wordt door den doop „niet ganschelijk" te niet gedaan. Dat wil dus zeggen: niet geheel, maar wel gedeeltelijk. De bedoeling hiervan is dezelfde als bij de eerste lezing. De bedoeling is, dat in Christus wel de schuld weg is, maar de smet blijft! Hiervan spreekt dan de doop. Dr v. I. voelt persoonlijk het meest voor de eerste lezing. Zij is ook zelfs door den doop niet „ganschelijk-te-niet" gedaan. Dit lijkt hem het meest in het verband van de geschiedenis te passen. Bij de tweede opvatting wordt zoo licht gedacht dat de doop iets aparts „doét, „erfschuld afwascht" of iets dergelijks. Terwijl de doop dit toch niet doet, maar alleen het bloed van Christus. De doop is daarvan alleen een teeken en zegel. Dr V. I. eindigt met een citaat van Calvijn uit de Institutie, Boek IV, hfdst. XV, 10, 11. Hier zegt Calvijn, hoe onjuist het is dat sommigen meenen dat wij door den Doop losgemaakt en bevrijd worden van de erfzonde en de verdorvenheid, die van Adam op zijn gansche nakomelingschap is voortgeplant en dat wij in dezelfde gerechtigheid en zuiverheid der natuur hersteld worden, die Adam zou behouden hebben, indien hij staande ware gebleven. De geloovigen ontvangen in den doop de zekerheid dat de verdoemenis is weggenomen. Door dit teeken wordt beloofd, dat volle en grondige vergeving is geschied, zoowel van de schuld, die ons toegerekend moest worden, als van we straf, die wegens de schuld betaald moest worden. De rechtvaardigheid, die zij verkrijgen, krijgen zij alleen door toerekening. De Heere houdt ze door Zijn barmhartigheid voor rechtvaardig en onschuldig. Ten tweede wijst Calvijn er op, dat de verkeerdheid nooit in ons werkeloos is: maar de werken des vleesches voortbrengt, „evenals een aangestoken oven voortdurend een vlam en vonken uitblaast, of een springbron zonder ophouden water uitwerpt. Want zoolang als wij in dezen kerker onzes lichaams opgesloten leven, zullen in ons overblijfselen der zonde wonen; maar indien wij de belofte, in den Doop ons door God gegeven, door het geloof vasthouden, zullen zij niet regeeren, noch heerschappij voeren".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juni 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Niet ganschelijk teniet gedaan

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juni 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's