De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Schepping en onderhouding

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Schepping en onderhouding

9 minuten leestijd

Luisteren naar de Schrift, zoo luidt een veelvudig herhaald parool in onze dagen. Op zich zelf een verheugend feit. Het raakt de zaak, waarop het aankomt, in het hart. De sprake Gods beluisteren, verstand en wil buigen onder het Woord. Dat is een echt reformatorisch geluid. Terug naar de Schrift, was het devies der reformatie en dat zal het beginsel van alle reformatie zijn, omdat zulk een gehoorzame genegenheid het beginsel der ware religie is.

Het is dan echter goed te beginnen bij het begin, bij het eerste vers der Heilige Schrift: In den beginne schiep God den hemel en de aarde. De onderwijzing der Christelijke religie van Calvijn wijdt het eerste boek aan de kennis van God den Schepper. Dat is ook reformatorisch en van groot belang in verband met de vraagstukken, die worden opgeroepen door wat men „het aanrakingspunt" noemt. De z.g. algemeene openbaring, het belangrijke en actueele vraagstuk der „analogia entis" en wat daarmede samenhangt, betreft leerstukken en leeringen, welke buiten de leer der schepping en onderhouding niet recht kunnen worden beschouwd. Een en ander wijst nog slechts op het onmiddellijk verband, maar het strekt zich veel verder uit en raakt evenzeer aan de leer der verlossing, de prediking, de kerk en de gansche leer der apostelen en profeten, zoodat het van fundamenteele beteekenis moet worden geacht aan het feit der schepping en onderhouding de aandacht te schenken, welke de Heilige Schrift daarvoor opeischt.

De centrale beteekenis daarvan wordt ook door het Nieuwe Testament bevestigd. Met nadruk wijst b.v. de apostel Johannes op de scheppende werkzaamheid des Woords, daarna op de openbarende werkzaamheid, als hij het Woord teekent als het licht der wereld, verlichtende een iegelijken mensch, komende in de wereld, en ten slotte op Zijn verlossenden arbeid, als daaraan wordt toegevoegd : het Woord is vleesch geworden. (Joh. 1 : 1—14).

Deze drieërlei goddelijke werkzaamheid, schepping, openbaring en verlossing, wordt aan hetzelfde Woord, het Woord, dat bij God was, en dat God was, toegekend. Het Woord is de Middelaar in al het werk Gods. In dien Middelaar wordt ook de verlossing aan de schepping en openbaring gebonden, zoodat ook de kennis van God als Verlosser in Christus, niet los kan worden gemaakt van die van God den Schepper en Openbaarder. De drie genoemde stukken vallen in de kennis van den Middelaar in één.

De kerk heeft dat ook alzoo verstaan, gelijk uit de belijdenis van ons algemeen en ongetwijfeld Christelijk geloof kan blijken. Voorts moge er nog aan worden herinnerd, dat onze belijdenisgeschriften op die Twaalf Artikelen voortbouwen.

Het gevaar is niet denkbeeldig, dat men dit fundamenteele stuk uit het oog verliest en in de schaduw zet van een heilsverkondiging, die de aanraking met het leven der kerk mist, omdat zij aan de werkelijkheid van ons bestaan te kort doet en den nood, waarvan zij spreekt, niet op de volle diepte peilt. De prediking, welke naar het bevel van Christus tot alle creaturen uitgaat, moet het creatuur als creatuur wat te zeggen hebben. Het Woord van God komt tot het schepsel Gods, hetwelk aan datzelfde Woord het leven en de voorwaarden van het leven geniet. Het scheppende en openbarende Woord Gods ontmoeten elkander in de prediking aan het schepsel en in het schepsel. Daarin is een verborgen verband, hetwelk zich onttrekt aan onzen speurenden blik, maar het is er. Het is er reeds in het bevel van hetzelfde Woord, dat zich als het scheppende Woord in de volheid der openbaring Gods bekend maakt.

De scheppende werking Gods is niet opgehouden, maar werkt door in de onderhouding. Schepping en onderhouding zijn niet te scheiden. De onderhouding is onderhouding van de schepping. Al wat bestaat is een zichtbaar bewijs van dien scheppenden arbeid des Woords, door hetwelk alle dingen gemaakt zijn en zonder hetwelk geen ding gemaakt is.

In de prediking komt het Woord tot het oor, dat geplant is door hetzelfde Woord en zijn gehoor dankt aan de voortgaande onderhouding van zijn hoorende werking. Het komt tot verstand en hart, dringt door tot het bewustzijn, tot de ziel, omdat al de werkingen, welke daarvoor noodig zijn, voortgang vinden in de inblazing des Geestes, die den mensch maakte tot een levende ziel.

In het schepsel, tot hetwelk het Woord der prediking komt, is dus, zooals gezegd, een ontmoeting van de werkingen van het scheppende en openbarende Woord, welke in beseffen, bewustzijn, kennen en gelooven een gestalte verkrijgt, zoodat het zegt: ik besef, ik weet, ik ken, ik geloof. Nog eens, die werkingen zijn er, maar zij zijn verborgen. Wij staan voor de feiten, dat wij beseffen, weten, kennen, gelooven, gelijk dat bij ons is. Wij staan voor het wonder, dat het ons beseffen, weten, kennen, gelooven is. Ook zelfs het geloof, dat God al deze dingen werkt, neemt niet weg, dat wij zelf het onderwerp van ons beseffen, weten, kennen en gelooven of ook niet gelooven zijn. Het neemt ook onze verantwoordelijkheid voor God niet weg.

Zoo zijn wij op eenmaal midden in de toepassing van de leer der schepping en de aangelegen vragen.

Men kan zeggen, dat dit wonder een gewenschte toevlucht des geloofs is, n.l. het wonder, dat God alles werkt en dat het schepsel een eigen leven en zelfbewustzijn heeft. God doet alles en toch is het schepsel wat anders dan God, van Hem wezenlijk onderscheiden.

De schepping zelf sluit die wezensonderscheiding in. Scheppen is een wezen in het leven roepen, dat een ander wezen heeft dan de Schepper. Het ligt er in, dat het schepsel geen besiand in zich zelf heeft, want dan is het geen schepsel, maar een onafhankelijk wezen. Het geschapene kan dus zonder de scheppende daad niet bestaan, het leeft uit de scheppende actie Gods en is derhalve volkomen afhankelijk van die scheppende actie. En hetgeen van het geringste creatuur geldt, omdat het creatuur is, geldt ook van het hoogste, omdat het schepsel is en blijft.

De alwerkzaamheid Gods en de volstrekte afhankelijkheid van alle dingen aan Zijn souvereine beschikking, moge een gansche reeks van vragen bij den mensch doen rijzen, voor den Schriftgeloovige, dus voor de kerk, staat het onbetwistbaar vast dat God zich alzoo openbaart. Calvijn heeft dan ook niet nagelaten dit in den breede te behandelen en allen nadruk te leggen op de volstrekte souvereiniteit Gods.

Daarbij heeft hij zich niet ontslagen van de taak om verschillende vragen, welke bij den mensch opkomen, ter tafel te brengen, zonder nochtans dien mensch te bevredigen, die deze dingen wil doorzien en begrijpen.

Van God uit kunnen wij echter den weg naar het schepselmatig bestaan nooit vinden, omdat wij van Hem onderscheiden zijn. Er is een levende weg van den eeuwigen God naar de schepping. Die weg is het scheppende Woord zelf. Maar dat Woord is God. Het schepsel is er om het Woord en door het Woord, maar het is zoo min het Woord zelf lals een drukletter in een boek het gestalte gevende woord van den schrijver is.

Daar is een weg van den auteur naar het boek, dat is zijn woord, dat gestalte aanneemt in klank en schrift, maar het schrift is het woord niet, hoewel het daaraan vertolking geeft.

Al het schepselmatige staat voor de klove, die het scheidt van den Schepper en is gedwongen daar halt te maken.

De mensch kan waarnemen, denken, gevoelen, weten, gelooven, maar het is alles naar de door God geschapen en gegeven wijze. Al wat het schepsel vermag is schepselmatig overeenkomstig zijn aard. De mensch kan niet kennen, zooals God kent, maar hij kan kennen, zooals God te kennen geeft. Daarom is de mensch in alle dingen gebonden aan de wijze en gestalte, waarin het hem gegeven wordt.

De ervaring leert, dat in den mensch het besef van de wezensonderscheiding van God en mensch, aanwezig is. Dat is ook een goddelijk, d.w.z. een door God gegeven besef.

Dit leidt voorts tot beschouwingen, die niet overeenkomen met de werkelijkheid des geloofs. Zoo heeft men reeds in de oudheid beweerd: Als God er is, kunnen wij niets van Hem weten. Men ging nog verder : en als Hij er niet is, heeft men niets met Hem  wan doen. Dergelijke redeneeringen zijn niet vreemd aan de Epicureërs, om een voorbeeld te noemen.

Gezien in het licht der schepping, is dat niet juist. Wel kan men zeggen, dat men God niet kan kennen, zooals Hij zichzelf kent. Maar men kan God kennen, zooals

Hij zich te kennen geeft:  En gelijk de gansche schepipng een werk Zijner handen is, is ook de Godskennis een goddelijk werk Zijner scheppende en openbarende kracht. Juist daarom is het ook een goddelijke wijze van kennen.

Het is hiermede overeenkomstig, dat de mensch en al het schepsel bestaat op een door God geschapen wijze en niet, zooals God bestaat, die eeuwig is. De door God geschapen wijze is echter niet minder een goddelijke wijze van bestaan, omdat het een door God geschapen wijze is.

Zoo kan men ook de wijze, waarop God zichzelf te kennen geeft, niet verachten, omdat zij schepselmatig is. Het komt er slechts op aan, dat zij inderdaad overeenkomt met de Godsopenbaring en daaraan gelijkvormig is. Indien de mensch alleen zulk een Godskennis zou willen erkennen, die wezenlijk gelijk is aan de zelfkennis van den eeuwigen God, dan verheft hij zich boven wat het schepsel past en geeft zich over aan een goddeloozen hoogmoed. Zulk een standpunt voert dan ook tot gevolgen, die God onttronen. De religie zit den mensch evenwel in het hart. Zij heeft geen vrede met een onbekenden God. Zij wil kennen, en als zij dan niet tevreden is met de wijze, waarop God zich openbaart in Zijn Woord, gaat zij een god genereeren. Zulk een god valt dan binnen het bereik van het schepsel. Eigenlijk worden de verhoudingen omgekeerd, want zulk een god wordt een schepsel van den menschelijken geest.

Al deze en dergelijke afdwalingen worden afgesneden, zoo men ernst maakt met de leer der schepping en onderhouding, opdat de mensch zich niet meer toeschrijft dan hem door God gezet is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juni 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Schepping en onderhouding

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juni 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's