De meeningsverschillen
Pluriformiteit---Het genadeverbond.
Het zal de meesten onzer bekend zijn, dat in de Geref. Kerken verschil van meening bestaat over bepaalde punten der leer.
Vandaar wordt zelfs over leergeschillen gesproken.
Nu heeft de Synode der Geref. Kerken besloten om de meeningsverschillen nog te behandelen.
Hierover schrijft R. in De Wachter (weekblad tot steun van de Theologische Hoogeschool van de Gereformeerde Kerken). Prof. H. H. Kuyper heeft in De Heraut geschreven, dat dus niet is toegegeven aan den wensch van meerderen om of deze zoogenaamde leergeschülen van het agendum af te voeren of de behandeling uit te stellen tot een volgende Synode, nu de zaak toch al zoo lang getraineerd heeft, in de hoop, dat de Synode dan onder rustiger omstandigheden zal kunnen vergaderen. R. heeft de handelwijze der Synode , in deze zaak nooit kunnen toejuichen. De benoeming van eene commissie voor deze meeningsverschillen is volgens hem een fout geweest. Hij stelt het zoo : Indien er, zooals met klem beweerd is, afwijking was van Schrift en belijdenis, dan moesten zij, die deze afwijkingen verkondigen, op de gewone kerkelijke wijze behandeld worden. Een speciale synodale uitspraak is daarvoor niet noodig. Nu de Synode eenmaal deze weg is ingeslagen, is het moeilijk, hierop terug te komen. Toch wordt het betwijfeld of het ingaan op de verschillen voor de Geref. Kerken thans gewenscht is. Volgens R. zijn de Geref. Kerken voor een speciale uitspraak in dezen nog niet rijp. Dit zou dan hieruit blijken, dat de behandeling tot nu toe een lijdensgeschiedenis is geweest. De in 1936 benoemde commissie heeft rapport uitgebracht aan de Synode van Sneek. Deze Synode benoemde weer een commissie om over dat rapport advies uit te brengen.
Dit advies nu schijnt ook geen eenparig advies te zijn.
Prof. Kuyper schrijft hierover o.a. dit : „Degenen, die met de conclusies van dit advies niet instemden, wilden hun afwijkend gevoelen in afzonderlijke nota's ter kennis der Synode brengen, en het wachten is nu op één hunner, die met zijn nota nog niet gereed is". Uit dit trage verloop meent Prof. K. dan te moeten concludeeren, dat er niet veel hoop is, dat op deze of de volgende Synode de beslissingen met algemeene stemmen zullen worden genomen. Terwijl Prof. K. het niet eens is met hen, die in de leergeschillen (zoogenaamde) slechts een theologenstrijd zien, die het Gereformeerde volk in zijn breede kringen koud laat en die daarom meenen dit alles te moeten laten rusten in een tijd, als waarin wij leven.
De aan de orde gestelde geschillen grijpen volgens Prof. K. veel dieper in het practische leven in, dan degenen meenen, „die er alleen verschil in terminologie of subtiele distincties in zien".
Onder deze „geschillen", die Prof. Kuyper dan diep in het leven der Kerk ziet ingrijpen, noemt hij de zoogenaamde
Pluriformiteit der Kerk
Wij zullen letterlijk weergeven wat Prof. K. hiervan zegt:
„De vraag naar de zoogenaamde pluriformiteit der kerk, d.w.z. of we onze Gereformeerde Kerk alleen als ware, d.w.z. echte kerk hebben te beschouwen, zoodat alle andere kerken zonder onderscheid dus geen kerken zijn, maar slechts godsdienstige vereenigingen, is niet een abstracte vraag, die buiten ons kerkelijk leven omgaat, maar heeft voor onze verhouding tot andere kerken het grootste belang. Waar geen kerk is, is ook geen ambt en van een erkenning van den doop in zulk een nietkerk door een niet-ambtsdrager kan dan ook niet gesproken worden. En hoe zal men met deze kerken, wanneer ze geen kerken zijn, tot vereeniging trachten te komen, waar die vereeniging toch nooit anders geschieden kan dan op den grondslag, dat men wederzijids elkaar als kerken erkent en ook de ambtsdragers in zulk een kerk als ambtsdragers aanvaardt ? Waar juist in onze dagen onder den druk der wereldgebeurtenissen de behoefte aan samenwerking met andere kerken gevoeld wordt en zelfs naar eenheid van de ware belijdenis van Christus gestreefd wordt, daar is de vraagt hoe men over deze kerken te oordeelen heeft, niet een akademisch vraagstuk, maar voor de practijk van het grootste belang. Alleen een Synode nu kan hierover uitspraak doen en zij kan alleen aangeven, welke grenzen hier zijn te trekken".
Terecht heeft Dr. K. opgemerkt, dat de „Pluriformiteit der Kerken" maar niet een theologenstrijd betreft, zonder meer. Voor de practijk zitten hier de meest belangrijke vraagstukken aan vast. En de meening, welke iemand over de „Pluriformiteit" heeft, bepaalt bij menige kwestie het in te nemen standpunt. Dit klemt temeer, omdat over de „Pluriformiteit" lang niet gelijk wordt gedacht.
R. wijst hierop en meent, dat Prof. K. het zich wel gemakkelijk maakt, wanneer hij weergeeft wat met die zoogenaamde „pluriformiteit der kerk" wordt bedoeld. Hier is immers heel wat verschil van opvatting. Ook zij, die de pluriformiteit aanvaarden — sommigen met blijdschap, anderen met droefheid — denken er ook waarlijk niet gelijk over. Waarbij dan nog komt de opvatting van hen, die van deze pluriformiteit niet willen weten. Zoo eenvoudig is het dus niet. Zoo eenvoudig zal het voor de Synode ook niet zijn om hierover tot eenstemmigheid te komen!
Beslist onjuist acht R. echter de meening van Prof. K., dat zij, die de zoogenaamde pluriformiteit niet aanvaarden, geen stappen zouden kunnen ondernemen om met anderen tot kerkelijke eenheid te komen. Het tegenovergestelde is eerder waar. Zooals sommigen de pluriformiteitsgedachte aanhangen, verhindert dit veeleer 't zoeken van eenheid. Gevaar is hier voor verslapping van het kerkelijk besef, want alle kerken zijn dan tenslotte goed en er is alleen maar verschil in meer of minder zuiver. Daarover behoeft men dan niet zoo veel drukte te maken om tot eeniheid te komen.
Prof. K. vestigt nu in De Heraut — volgens artikel van R. — de aandacht nog op een tweede meeningsverschil, dat diep ingrijpt, en wel op de opvatting van
Het genadeverbond.
Aldus brengt Prof. K. dit ter sprake : „In nog veel sterkere mate geldt ditzelfde van een tweede geschil, n.l. van de opvatting van het genadeverbond, waarmede ten nauwste samenhangt de vraag, hoe men in de prediking zich tot de gemeente heeft te richten en of er van een opwekking tot zelfonderzoek, of men wel in waarheid een geloovig Christen is, sprake mag wezen. Op heel de prediking, op het catechetisch onderwijs, op het huisbezoek heeft deze verbondsbeschouwing den grootsten invloed. Ook hierbij, evenals bij het vraagstuk van de pluriformiteit der kerk ontfkennen we niet, dat er moeilijkheden zijn. Tegenover het Piëtisme en Methodisme, dat ook in onze kringen maar al te veel ingang vond, was het noodig de verbondsbeschouwing der gemeente, zoo als Gods Woord ons die leert, weer in het licht te stellen. Maar de eenzijdige wijze waarop dit door sommigen gedaan wordt in de prediking, levert een niet minder groot gevaar op en is met wat Gods Woord ons leert, niet in overeenstemiming. Ook hier, nu kan een Synode alleen door de juiste lijnen uit Gods Woord te trekken de gevaren, die deze eenzijdige verbondsbeschouwing meebrengt, tegen gaan."
Nu is R. het volkomen eens met de meening dat de opvatting van het genadeverbond van het grootste gewicht is. Niemand onzer zal daaraan twijfelen. Van deze opvatting gaat inderdaad de grootste invloed uit op al de arbeid, die in de kerk geschiedt, op prediking, catechisatie, huisbezoek enz. Met R. ontkennen we ook niet dat er „moeilijkheden'' zijn. Wanneer we eenigszins op de hoogte zijn met de kerkgeschiedenis, dan weten we wel dat deze moeilijkheden niet van gisteren of eergisteren zijn, maar dat we jaren en jaren terug kunnen gaan.
Moeilijkheden, die volgens R. hieruit ontstaan, dat wij datgene wat God in Zijn Woord over 't genadeverbond heeft geopenbaard zoo gebrekkig verstaan. Maar daarom eischt hij dan ook een zekere mate van bescheidenheid in het oordeel van anderen. Vooral acht hij; het zeer misplaatst wanneer Prof. K. zegt, dat sommiger opvatting met wat Gods Woord leert niet in overeenstemming is. Als men zooiets zegt, dan moet nauwkeurig gezegd worden wat wij bedoelen en dan moeten wij onze imeening uit de H. Schrift trachten te bewijzen. Bovendien worden heel wat predikers zoo in verdenking gebracht, al zal Prof. K. dit niet bedoelen. Zulk een wijze van schrijven keurt K. af, omdat het welzijn der kerken er niet door wordt bevorderd en het niet meewerkt aan het bestaan van goede verhoudingen. Hier is de goede weg niet bewandeld. Als er in de prediking afwijking is van het Woord Gods, dan moet er eerst persoonlijke vermaning zijn en bij voortgaande dwaling aanklacht bij den kerkeraad. Zoo behoeven de lezers niet verontrust te worden met het schrijven over „sommigen", die van Gods Woord in de prediking zouden afwijken. Met Prof. K. is R. het eens dat er nog dagelijks geworsteld moet worden tegen Piëtisme en Methodisme. Dit is er, volgens R. niet beter op geworden door een boek als van Prof. Aalders. Geconstateerd wordt dat het in de kring 'der Geref. Kerken maar al te zeer aan een goede verbondsbeschouwing ontbreekt. Met groote erkentelijkheid wordt gewaardeerd wat Prof. Schilder, de heer Janse en Ds v. d. Vegt en zoo veel anderen over deze materie hebben geschreven. R. is er dankbaar voor dat de bespreking over het verbond zulk een hooge vlucht heeft genomen. Als er bij een bespreking dingen gezegd worden, waarmee we ons niet vereenigen kunnen, dan moet ons dit niet te spoedig brengen tot veroordeeling en verwerping, maar dan moet ons dit dringen tot ernstiger en dieper onderzoek. Het wordt noodzakelijk geacht, dat wij steeds beter verstaan wat God Zelf ons in Zijn Woord over het verbond zegt. Want heel het komen des Heeren tot Zijn Kerk is immers door het Verbond. Steeds juister inzicht in het Verbond zal van grooten invloed zijn op de prediking. De gemeente moet er van doordrongen zijn dat haar als het volk des Verbonds, in naam van den God des Verbonds het Woord des Verbonds wordt gepredikt. Op de catechisatie heeft dit grooten invloed. Daar komt de jeugd des Verbonds, door God in Zijn Verbond opgenomen en in Zijn gemeente begrepen, waaraan niet minder dan aan de volwassenen wordt toegezegd de verlossing van de zonde door Christus' bloed en de Heilige Geest, die het geloof werkt. (Cat. antwoord 74). De belofte en de eisch van het genadeverbond moeten hen worden voorgehouden. Dit is ook van groote invloed op het huisbezoek. De ambtsdragers komen in het huisbezoek tot het volk des verbonds. Dan gaat het over de vraag hoe men staat tegenover den God des Verbonds, of men wandelt in den weg des Verbonds en de kinderen overeenkomstig het Verbond opbrengt. R. hoopt daarom dat het aan de Synode der Geref. Kerken gegeven moge worden hier de lijnen juist, naar Gods Woord te trekken.
We mogen wel zeggen, dat wij met groote belangstelling uitzien naar de vruchten van de arbeid der ingestelde commissies, naar rapporten en besluiten der te houden Synode. Pluriformiteit en Verbond zijn beide van groot gewicht. Terwijl we meenen dat de opvatting over het genadeverbond wel het sterkst spreekt tot het kerkvolk. Ook onder ons zijn wij waarlijk over het verbond nog niet uitgesproken. We hebben het lijvige werk van Ds Woelderink over het Doopsformulier met zijn laatst verschenen boek. Ds Kievit schreef zijn boekje : Tweeërlei kinderen des Verbonds. Prof. Severijn gaf zijn artikelenreeks in de Waarheidsvriend. Een ernstig voorbereide bespreking hierover zou zeker niet misplaatst zijn. Is in elk geval oneindig veel beter dan dat zonder goede, Schriftuurlijke motiveering gezegd wordt: „In strijd met Gods Woord". Want dat wordt dan over en weer de uitdrukking, zoo dikwijls.
Op de vergadering van Chr. Geref. predikanten is ook over het genadeverbond gesproken. De referent kwam tot de conclusie dat de verbondsbeschouwing van de Chr. Geref. Kerken de juiste, Schriftuurlijke is.
We hopen zeer dat in steeds breeder kring, door diepgaand onderzoek, onder de leiding des Geestes, overeenstemming kome over de opvatting van het genadeverbond naar den Woorde Gods. Dat zal de arbeid bevorderen en strekken tot heir der gemeente.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juni 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juni 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's