NIENKE
FEUILLETON
VERHAAL UIT 'T FRIESCHE VOLKSLEVEN
(Met toestemming Uitgever J. H. Kok te Kampen) 91)
Niet het minst aan deze boeken had Pier Boukes het te danken, dat hij, benevens grondige kennis van de H. Schrift, ook over vele dingen, die het kerkelijk en maatschappelijk leven raakten, een gevestigde meening had, waarnaar men wilde luisteren. Daarvan wist Gurbe mee te praten, wiens inzichten vooral onder zijn leiding nogal eens gewijzigd waren en meer vasten vorm hadden gekregen; en niet minder genoot Ds Buitenveld daarvan.
Het aantal zijner gemeenteleden, dat onder de intellectueelen gerekend kon worden, was niet zoo groot, zoodat het voor hem meermalen een verkwikking was met den grijsaard op het kerkhof te kunnen spreken over eeuwige dingen. Ook ditmaal waren zij in druk gesprek, waartoe heel de omgeving onwillekeurig meewerkte. Vlak in de nabijheid verrezen de zware muren van het oude kerkgebouw, die de stormen van eeuwen reeds verduurd hadden en waarin de boogvensters zoo harmoniëerden met den gothischen stijl van het eerwaardige Godshuis. Rond den toren slingerden de groene ranken eener klimop, waartusschen de galmgaten als donkere oogen naar buiten keken en van waaruit het klokgebrom over dorp en veld klonk. En rondom dit kerkgebouw sluimerden, rij aan rij, de geslachten der eeuwen, weliswaar in groote verscheidenheid wat geslacht, leeftijd en stand betrof, doch overigens allen gelijk.
Ds Buitenveld staarde een oogenblik in diepe gedachten over de groenende heuvels en opgerichte gedenkteekens, waar tusschen door de vlinders fladderden en de mugjes dansten.
„'t Is zoo moeilijk, Pier Boukes; 't is zoo moeilijk", herhaalde dominé, als in alleenspraak.
Daarop vervolgde hij: „Vooreerst is ons kerkelijk leven door allerlei gebrekkig menschenwerk zoo verward, en dan die onbekeerlijkheid des harten ! Onlangs heb ik getracht boer Santema met ernst en in liefde te vermanen om hem van zijn dwaalweg terug te brengen, maar de man is kwaad van mij weggeloopen en ik weet niet of mijn woord wel goed gedaan heeft. Je kent zijn karakter. Niemand moet 't wagen hem ook maar met den vinger aan te raken, want dan is hij uit de gratie en zal dit wellicht verder zijn heele leven ondervinden".
„De getrouwe Gods-profeten hebben 't nooit gemakkelijk gehad, dominé", zei Pier. Dat heeft Jesaja doen zeggen: „Wee mij, want ik verga, dewijl ik een man van onreine lippen ben en woon in het midden eens volks, dat onrein van lippen is". En Jeremia riep uit: „Ach, Heere, Heere, zie, ik kan niet spreken, want ik ben jong". En zelfs een Mozes bad eenmaal : „Och, Heere! zend toch door de hand desgenen, dien Gij zoudt zenden". Daarom is het, mede in onze Christelijke kerken, zoo slap en zoo doodsch, omdat er, naar ik vrees, zoo weinig is een „geroepen zijn" tot de hooge taak om getuige van Christus en dienaar der gemeente te wezen en te veel wereldgelijkvormigheid om geestelijk boven de stof uit te leven. Want wie achter Christus komen wil en Zijn discipel zijn, die heeft zichzelf steeds weer te verloochenen en dagelijks zijn kruis op te nemen om het Hem na te dragen".
„Gods stem te onderkennen en precies te weten, waartoe geroepen te zijn, is lang niet altijd gemakkelijk, Pier Boukes. Voor niemand, en voor een dominé ook niet, en wat dat andere betreft, je zoudt natuurlijk ook niet willen hebben, dat een predikant b.v. in kleeding of woning of manieren beneden zijn stand ging leven. Ook deze uitwendige zaken hebben wel terdege beteekenis bij de hooghouding van het ambt, en waar dit alles ontbreekt, wordt meteen 't geestelijk werk neergehaald".
„Wij moeten ons ook hier weer laten leiden door het Woord, dominé. 't Is Gods bevel, dat de priester en allen, die het altaar bedienen, ook van het altaar leven zullen en gansch Israël, dat zijn offers en zijn tienden bracht, had hiervoor te zorgen. Ook in zijn gewaad had de dienstknecht Gods zich te onderscheiden, waarom al weer de stof en de kleur en de lengte zelfs van zijn kleed was voorgeschreven, opdat hij een eerbaar gewaad zou hebben, overeenkomstig de teederheid en de heiligheid van zijn ambt, maar in onze dagen is de kerk dermate in verval, dat noch met het een, noch met het ander rekening gehouden wordt".
„Maar zou je dan denken, dat die uitwendigheden, laat ik zeggen, de stoffelijke zijde van ons geestelijk werk, van zoo'n invloed op de bediening van het ambt en op heel de kerkinrichting is, dat de komst van het Godsrijk daardoor wordt tegengestaan ? "
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juni 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juni 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's