De opdracht der kerk
Verschillende malen hebben wij de roeping der kerk ter sprake gebracht naar aanleiding van het bevel des Heeren : Predikt het Evangelie aan alle creaturen.
In dat woord wordt de eerste concrete opdracht heel duidelijk verstaan. De kerk zal in navolging der aposteplen en oudste getuigen het Evangelie des Heeren verkondigen. De dienst des Woords, de zending, het is duidelijk, volgen onmiddellijk uit dat bevel.
Het is echter een goddelijk bevel. Het Evangelie bestaat niet in woorden, maar in kracht. Het is een kracht Gods tot zaligheid. En dat is het, omdat het een goddelijke zaak is. De God des Evangelies vervult ook het Evangelie. Het is niet van den mensch en niet naar den mensch, maar een werk Gods in en door Christus.
Daarom wordt de kracht Gods in de prediking openbaar. Het werkt. Er ontstaat wat uit. Waar het Evangelie ingang vindt, wordt de kerk openbaar, omdat Christus de Zijnen vergadert uit de geslachten der aarde.
De gemeente is Zijn lichaam. Vandaar dat ook de openbaring Zijns lichaams een orgaan is, waarvan Hij Zich wil bedienen. Maar dan ook blijkt, dat de opdracht der kerk een gansch groot werk der bediening inhoudt. De onderhouding der prediking reeds vraagt geloof en geloofsgehoorzaamheid, de werking der ambten, den dienst der barmhartigheid, in één woord het leven uit de kracht en de waarheid van het Evangelie.
Indertijd hebben wij gewezen op de onderscheiding van de kerk als organisme en als instituut. Tevens werd daarbij de aandacht gevestigd op het feit, dat de kerk als organisme zich veel verder uitstrekt dan de kerk als instituut. Als men over de eene heilige, algemeene, Christelijke Kerk spreekt, heeft men het over de kerk als organisme. Daar is geen kerkelijk instituut, dat de gansche kerk omvat, maar het is de algemeene kerk, die in de geïnstitueerde kerk openbaar wordt.
Daaruit volgt, dat het instituut alzo moet zijn, dat het lichaam van Christus zich naar aard en wezen daarin openbaren kan. M.a.w. dat de kerk haar taak en roeping vervullen kan op een wijze, die met haar aard overeenkomt.
Indien dat niet het geval is, staat het aan de roeping der kerk in den weg. Het sluit de kerk op. Het berooft haar van de ontplooiing harer krachten en gaven naar de orde, die haar toekomt.
Het gevolg daarvan is weer, dat de kerk als organisme toch doorwerkt, zij het dan niet naar kerkelijke orde, dan toch door het aangrijpen van middelen en wegen, die men vindt.
Op die wijze ontstaan instituten en organisaties, die een buitenkerkelijk karakter dragen, hoewel zij wezenlijk kerkelijk zijn, het werk der kerk willen dienen, gelijk zij ook door Christelijke offervaardigheid worden gesteund. Een gansche reeks van vereenigingen ware te noemen om dit te illustreeren, zelfs niet alleen buitenkerkelijk, maar ook binnen het kerkelijk verband en interkerkelijk. Maar het zijn toch altijd de leden der kerk, en der kerken, die deze dingen behartigen, als leden van de algemeene Christelijke kerk. Denk aan: Zendingscorporaties, zoowel voor de inwendige als de uitwendige Zending, aan den arbeid van school en Zondagsschool, aan vereenigingen van knapen, meisjes, jongelingen en jongedochters.
Die alle arbeiden op haar wijze in den arbeid der kerk. Achter dit alles werken drijfveeren, die uit de roeping der kerk opkomen, en zij werd meestal aangegrepen uit nooddrang, omdat de geïnstitueerde kerk niet deed of niet genoegzaam deed om haar te volbrengen. Dit laatste kan in verschillende omstandigheden aanleiding vinden; in verachtering van het geesteliik leven, sleur, zelfgenoegzaamheid, verkoeling, insluimering van waarachtig geloof, versteening en verwereldlijking. Het werk wordt overgelaten aan de enkelingen, die worden uitgedreven om te doen, wat de kerk naliet.
Het kan ook zijn, dat de kerk niet bij machte is haar eigen leven uit te leven. Dat kan het geval zijn, wanneer haar een organisatie is opgelegd, welke in strijd is met haar eigen orde, geestelijke vrijheid en zelfstandigheid. Dat is nu de positie, waarin de gereformeerde kerken hier te lande in 1816 zijn gebracht. De synodale organisatie heeft de aan de kerken eigen orde van voorheen weggenoimen en haar een bestuursorganisatie opgelegd. De kerk wordt bestuurd. De kerken van voorheen missen haar zelfstandigheid en daarmede ook den weg om in onderling overleg en naar het gemeenschappelijk geloof haar zaken te doen. Zij missen ook de gelegenheid om naar den nood en den drang der tijden en voorkomende dingen gemeenschappelijk middelen en wegen te beramen, opdat zij haar roeping vervullen. Haar werd het karakter van een vereeniglng opgelegd, hoewel dat op haar niet past. Aard en wezen der kerk zijn nu eenmaal geheel anders. Zij is een goddelijke instelling met een geestelijk karakter, een geloofsgemeenschap, een vergadering van Christgeloovigen onder Christus haar Hoofd.
Ziende op den aard der kerk is het dus geen wonder, dat een ieder, die daarvan eenig verstand heeft, bezwaar moet hebben tegen dezen toestand en dezen als een oorzaak van velerlei gebrek en ongehoorzaam aan den Heere der kerk moet zien. De nood der tijden, die tot bezinning- en bekeering roept, heeft dan ook niet nagelaten de oogen te openen voor de hooge roeping der kerk, zoodat ook de synode haar aandacht aan deze dingen geeft en de beweging ter harte neemt. De instelling van de Commissie van overleg is daaraan tegemoet gekomen en deze heeft niet stilgezeten.
Haar bezinning heeft haar gesteld voor het vraagstuk, dat wij hierboven in het kort hebben geschetst: de opdracht der kerk. Wat daaronder valt en hoe zij alles vindt, hetwelk der kerk is en behoort te zijn. Dit laatste, in welken toestand zij dit vindt, en hoe het behoort te zijn, zet haar vanzelf voor velerlei vraagstukken, welke zij meer afzonderlijk aan haar werkgroepen opdroeg. Het behoeft niet gezegd, dat er stimuleerende kracht van dit alles uitgaat: De kerk als kerk zal haar roeping hebben te- verstaan. Het is noodig, dat het kerkelijk besef wordt gewekt, de bezinning op de roeping der kerk algemeen worde en een geest van gehoorzaamheid aan den Christus der kerk de harten vervulle, opdat zij een zoodanige orde kan aannemen als haar toekomt om getrouw te zijn in het groote werk der bediening. Dat toch is de kern en de kracht eener reorganisatie, waarom men roept en welke ook zekerlijk tot stand zal komen, indien de genegenheid gevonden wordt om verstand en hart te onderwerpen aan Gods Woord. Van menschenwerk kunnen en mogen wij het niet verwachten, maar als de Heere menschen wil gebruiken, mogen wij niet tegenstaan. Wij gelooven niet een iegelijken geest, maar hebben ook te waken, opdat wij niet tegenstaan, wat uit God is. Alleen, dat zal altoos naar Zijn Woord zijn. De profetische roep, tot de Wet en getuigenis, zal ook hier de eenige wegde genezing zijn.
De beginselen en richtinggevende lijnen worden aan de classicale vergaderingen ter consideratie voorgelegd. Men zal daarop wel verschillend reageeren. Het een zal instemming en weerklank vinden, het ander bezwaar uitlokken. Doch er zal iets goeds uit voortkomen, zoo men zich laat leiden door Gods Woord, want waar het Woord des Konings is, daar is heerschappij. „De kerk hooren" zoo luidt de uitdrukking, die ons in gedachten komt. Dat kan ons alweer in verlegenheid brengen. De classicale vergaderingen zijn die eigenlijk wel de kerk, of zijn zij gemeenschappelijke vergaderingen van predikanten en ouderlingen. Formeel beoordeeld dit laatste meer dan het eerste. Dat is weer het instituut. Daarin ligt op zich zelf echter een aansporing om dan van uit de roeping der kerk te spreken, zooalsdie uit de Heilige Schrift wordt gekend. Daartoe is men trouwens als predikant en ouderling geroepen. En zoo men dat doet, komt het Woord tot zijn recht en wordt toch de kerk gehoord. Daarin kan een zegen ook voor anderen zijn gelegen. Men zal den nood dieper beseffen en de gemeenschappelijke schuld en verantwoordelijkheid meer gevoelen. Dan ook zal er verwachting zijn, want, indien wij ontrouw zijn geweest, God is getrouw, die het ook doen zal.
Wij kunnen bovendien niet blijven staaft bij de ontrouw en ongehoorzaamheid der kerk, als ware zij een zondebok, die wij in de woestijn zenden, want de kerk, dat zijn de menschen, dat zijn wij, die ons bij de kerk bevinden, als geroepenen om de wacht des Heeren waar te nemen en naat Zijn wil te vragen. Wij worden daarbij zelf betrokken een ieder naar zijn roeping. Wij en onze vaderen hebben gezondigd. Uit de ontdekking der zonde kan de kracht tot bekeering worden geboren. En wanneer uit de kerk de drang opgaat naar waarachtige levensvernieuwing, zal zij den weg des geloofs gaan, welke haar brengt naar een orde, die aan haar roeping beantwoordt. Zoo moge er winst uit geboren worden, dat de classioale vergaderingen door deze dingen bij de kerk worden bepaald, zooals zij zich naar de opdracht haars Heeren schuldig is te openbaren. Dat is op zichzelf reeds een zaak van groot gewicht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juni 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juni 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's