NIENKE
FEUILLETON
VERHAAL UIT 'T FRIESCHE VOLKSLEVEN
(Met toestemming Uitgever J. H. Kok te Kampen) 92)
„Dominé, ik weet, dat u van mij verlangt dat ik de waarheid zeggen zal en u weet, hoe lief ik de kerk heb en allen, die haar dienen, om huns werks wil, maar het gaat in onze dagen niet goed. Is het niet waar, dat er predikanten met groote gezinnen zijn, die een zeer armoedig bestaan hebben, die ternauwernood kunnen rondkomen en waar de huismoeder gebukt gaat onder de lasten van het gezinsleven en de. zorgen van de opvoeding der kinderen ? Terwijl daarentegen in andere pastorieën in weelde kan worden geleefd, omdat de plaatselijke toestanden zoodanig zijn, dat er overvloed is ? Zou een meer uniforme regeling in den geest der H. Schrift niet weldadig werken, zoowel voor hen, die nu vaak in stilte gebrek lijden, als ook voor degenen, die weelderig kunnen leven ? En wat het kleed betreft, dominé, 'k zou niet terug willen naar de korte broek en een driekanten steek, hoewel in mijn tijd èlk daar eerbied voor had en de dominé in die dagen een man van gezag was, maar wat ik in elk geval zou verlangen, dat is, dat allen, die in het Huis des Heeren dienen, ook in hun gewaad dit lieten uitkomen".
„'t Zit toch maar aan den buitenkant. Pier Boukes", zei Ds Buitenveld, meer om den oude los te krijgen, dan dat hij dit ernstig meende.
„Maar het verraadt, wat er binnen in zit, dominé. Ziet u dan niet het verband, dat er is tusschen de wulpsche kleeding van onze dagen en den lichtzinnigen tijdgeest ?
Hoe de menschen daarin uitspreken, wat zij begeeren en waar zij naar verlangen; en het zondige vleesch met zijn bewegingen uitgaat boven den geest? Is het geen ergernis, dat mqp zelfs aan de Tafel des Heeren durft te komen in de bonte kleuren van den modegod en naar de maat en den vorm, dien deze aangeeft ? En is het niet waar, dat men in het gewone leven een dominé en een koopman, die bij den weg loopt om zaken te doen, niet meer kan onderscheiden ? Neen, ik weet óók wel, dat het hem niet enkel zit in het kleed, de zonen van Aaron of wie van Eli, den priester Gods en de hoogepriester Josua, hebben het ons wel anders doen zien, maar in ons gewaad wordt toch uitgesproken waarheen de uitgangen des levens zijn. En het ambt, dominé, is zoo kostbaar en teer. Trouwens, u zeide straks zelf, dat de uitwendige zaken nauw verband houden met het geestelijke".
„Maar de inzinking van het innerlijk leven der kerk is toch zeker niet enkel de schuld van de leeraars? "
„Dat niet, dominé ! Heel de kerk is krank van het hoofd tot de voetzool, 'k Denk aan de klacht van den Profeet: „Hoe is het goud zoo verdonkerd, het goede, fijne goud zoo veranderd!, Hoe zijn de steenen des heiligdoms vooraan op alle straten verworpen ! De kostelijke kinderen Sions, tegen fijn goud geschat, hoe zijn zij nu gelijk gerekend aan de aarden flesschen, het werk van de hand eens pottenbakkers !" En dat alles als gevolg hunner ontrouw en de afwijking van de woorden Gods!"
Weer was het een oogenblik stil. Ds Buitenveld wist, dat, als Pier Boukes zóó sprak, het niet was om iemand onrecht te doen, maar omdat het hem aan zijn hart ging als hij het verval van de kerk zag. Belangstellend keek hij naar den grijsaard, wiens trouwe oogen droevig over den doodenakker staarden. „Jeruzalem heeft zwaar gezondigd, daarom is zij als een afgezonderde vrouw geworden" — vervolgde hij zacht, als tot zichzelven sprekend.
En de prediker voelde het, welk een waarheid lag in dit woord. Was hij niet juist hier gekomen om eens van hart tot hart met den ouden man te spreken, zijn teleurstelling en herderlijk verdriet hier te uiten en als het kon, een woord van bemoediging en raad te ontvangen ? Nu ging het gesprek in een richting, welke hij niet verwacht en gewild had en waarin min of meer een aanklacht lag tegen degenen, die het heilige hadden te bedienen. Ach, hoe weinig had hij van dit alles beseft, toen voor zooveel jaren het predikambt werd begeerd en de eerste pastorie werd binnengetreden. Zeker, het was de liefde tot de dingen van Gods Koninkrijk, welke hierbij niet gemist werd, maar of het hem nu enkel en alleen om de eere Gods en het heil van de zielen was te doen geweest ? Had het hem niet gestreeld, wanneer hij geroemd werd als kanselredenaar en zijn naam veel vaker dan die zijner collega's uit den omtrek, in de courant kwam, vanwege een beroep naar elders ? Was 't niet waar, dat de rijkste gemeenten uit het land meermalen op hem de aandacht vestigden en behoorde Zevenhuizen, met zijn vette landouwen, niet tot die plaatsen, welke wijd en zijd bekend waren vanwege hun rijke kerken ? O neen, hij diende niet enkel om loon. Eigenlijk had noch hij, noch zijn vrouw, ooit geweten, wat het beteekende geldzorgen te hebben, omdat beiden van huis uit tot de welgestelden behoorden, doch mede daarom was tot op zekere hoogte het stoffelijke deel van den arbeid bijzaak voor hem geweest, 't Ging bij hem wel terdege om het waarachtig heil der gemeente, doch meer, dan hij zelf wilde weten, speelde eigen eerzucht hierbij óók nog een rol.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juni 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juni 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's