De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

9 minuten leestijd

En desgelijks komt ook de Geest onze zwakheden mede te hulp; want wij weten niet, wat wij bidden zullen, gelijk het behoort, maar de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen. Romeinen 8 vers 26.

In het achtste hoofdstuk van zijn brief aan de Romeinen schrijft Paulus een woord dat wij meenen gemakkelijk te kunnen begrijpen. Hij schrijft over het lijden dezes tegenwoordigen tijds. Nietwaar, dat is nog eens duidelijk, op dat woord leggen wij de hand. Wij spreken ook van de donkere dagen, die wij doormaken. En als wij het nu eens mooi willen zeggen, dan zouden wij ook spreken van het lijden dezes tegenwoordigen tijds.

Maar wat verstaan wij onder dit lijden ? Wij verstaan er onder, de benarde omstandigheden, waaronder wij leven. De onzekerheden over devoedingsmiddelen, om maar iets te noemen. Wij verstaan er onder, dat waarheid en gerechtigheid hoe langer hoe meer verdwijnen en dat er onder de menschen hoe langer hoe minder plaats komt voor Gods waarheid en Gods gerechtigheid.

En wat verstaan wij onder den tegenwoordigen tijd? Voor de ouderen is dat de tijd sinds 1914, voor de jongeren sinds 1940. Zoo spreken wij over het lijden en over de tijd. Heeft Paulus het nu ook daarover ? Spreekt hij van zijn lijden en zijn tijd? Neen, als Paulus spreekt over den tegenwoordigen tijd, dan spreekt hij niet over de zestig of zeventig jaar, die hij op aarde doorleefde. Dan spreekt hij over de tijd tusschen des Heeren hemelvaart en Zijn wederkomst in heerlijkheid. Dat is de tijd, waarin het Pinksterfeest valt, het is de tijd van den Heiligen Geest.

En die tijd van den Heiligen Geest heeft twee kenmerken. Het is de tijd van hopen en het is de tijd van zuchten. Want zeker, 't is waar, hoop doet leven, maar 't is niet minder waar: hoop doet lijden. Wanneer er een brandend verlangen is in het hart, dan schrijnen er brandwonden.

Daarom nog eens, de tijd van den Heiligen Geest is de tijd van hopen en zuchten. Waar Paulus maar om zich heen ziet, daar ziet hij de hoop. En waar hij zijn oor te luisteren legt, daar hoort hij het zuchten. Hij zegt: want wij weten, dat het gansche schepsel tezamen zucht en tezamen als in barensnood is tot nu toe. Paulus weet het, het kruis van Golgotha is het wereldaltaar. Paulus weet het, Christus is het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegdraagt. Paulus heeft het wel verstaan, op Golgotha gaat het om de verlossing der wereld. Daar wordt niet alleen het fundament gelegd van de nieuwe menschheid, maar ook van de nieuwe schepping. Daar gaat het om de nieuwe aarde en de nieuwe hemel, die op Gods tijd geboren zullen worden. En daarom, Paulus hoort het gansche schepsel zuchten, als een vrouw, in barensnood. Barensnood, dat wil toch zeggen, daar is hoop op nieuw leven, en zoo is daar de hoop op het nieuwe leven, de hoop, dat de Heilige Geest het aardrijk vernieuwen zal in een eeuwige lente. En naar dit uur ziet ook de Kerk zelf uit. Die Kerk is zalig geworden in hope. Zij leeft uit gelooven en niet uit aanschouwen. Maar zij verlangt met brandende bruidsliefde, om Hem te zien, die haar verlost heeft. Daarom zucht die Kerk, verwachtende de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing onzes lichaams. En die verlossing des lichaams beteekent niet, om van het lichaam verlost te worden, om het lichaam kwijt te raken, maar beteekent het verlangen, dat ook het lichaam verlost mag zijn. Het verlangen naar een geheiligd vleesch. En om in dit geheiligd vleesch op de nieuwe aarde en onder de nieuwe hemel den Heere te dienen in Zijn Koninkrijk. Ziet, dit alles bedoelt Paulus onder meer, wanneer hij spreekt over het lijden van den tegenwoordigen tijd.

Maar nog is de nieuwe tijd er niet, nog is het de tijd van den Heiligen Geest, de tijd van hopen en zuchten. Maar dit hopen zal niet worden beschaamd en dat zuchten is profetie. Dat zijn machtige daden van God, den Heiligen Geest, die Paulus aan het verkondigen is. En dan schrijft hij in dit verband het woord neer: „En desgelijks komt ook de Geest onze zwakheden te hulp".

Desgelijks, zegt Paulus, dus zooals de Geest naar buiten werkt, zoo werkt Hij ook naar binnen. En Zijn werk is, onze zwakheden te hulp komen. Onze zwakheden, welke zijn dat ? Het zou werkelijk de moeite waard zijn, wanneer wij elkander die vraag eens onder vier oogen stelden. Ik geloof, dat de uitkomst van zulk een gesprek verbluffend zou zijn en zeer verontrustend. Want in groote meerderheid gevoelen wij ons nog zeer sterke menschen. Het is met die geestelijke zwakheden net als met lichamelijke zwakheden. Er zijn oergezonde en oersterke menschen, die graag over ziekte praten. Want sprekende over ziekten, voelen zij met innerlijk welbehagen, hoe gezond zij zelf zijn. En wanneer zulk een gezonde raensch kiespijn heeft, dan praat hij dagenlang alleen maar over die kiespijn. Maar de werkelijk zieke, de werkelijk zwakke, praat niet zooveel en zoo gaarne over het lijden. Hij ondergaat dit lijden en ziet uit naar beterschap. Precies zoo gaat het met de geestelijke zwakheid. Velen praten er zeer gaarne over, want heel diep van binnen voelen zij zich toch wel volkomen gezond. En onder de schijn van zwakheid roemen zij in hun eigen gezondheid. Anderen willen nog wel een beetje praten over geestelijke pijn; zij hebben een zonde, en daar zijn ze geweldig druk over in de weer. Maar de echte zwakke, die zucht onder zijn zwakheid en ziet uit naar hulp en heil, naar kracht en sterkte, die van buiten moet komen.

Om nu al deze opmerkingen te ontgaan, is het beter dat we met elkander even het formulier opslaan om het Heilig Avondmaal te bedienen. Daar worden wij dan ingelicht omtrent onze zwakheden. En daar worden wij vooral op twee dingen gewezen. In de eerste plaats op de zwakheid van ons geloof en in de tweede plaats op de zwakheid van ons werk. Want er staat, dat wij geen volkomen geloof hebben en dat wij ons ook met zulk een ijver om God te dienen niet begeven als wij schuldig zijn. Zwak in het geloof en zwak in de werken, ziedaar ons beeld, als in een spiegel. En weet ge waarin deze zwakheid van het geloof sterk uitkomt ? In de zwakheid van ons gebed. Want geloof en gebed hangen onverbrekelijk samen. Een zwak geloof beteekent een zwak gebed, en nu staat het met het gebed zoo, dat er gezegd moet worden : „Want wat wij bidden moeten, weten wij niet recht". Zoo staat het in de grondtekst. Wij weten niet recht, wat wij bidden moeten, wij zitten met het gebed. Och, er zijn natuurlijk menschen, die geen moeite met het gebed hebben, die het zelfs mooi vinden, als ze een vergadering met gebed mogen openen of sluiten. Maar wie weet wat hij zelf is en weet wat het gebed is, die ziet de moeilijkheden van het gebed als bergen om zich oprijzen. Wat zuüen wij bidden, nu, en in deze tijd? Om verkorting van den tijd der kastijding ? Zullen wij de rampspoeden afbidden? Maar wij hebben toch de kastijding verdiend ? Zullen wij dan bidden om kracht en stilheid, om geduld en volharding ? Waarlijk, wij, menschen van deze moeilijke tijd, wij weten niet recht wat wij bidden zullen.

Maar dat is toch vreeselijk. Het gebed is toch ons laatste houvast, onze laatste toevlucht. Wij hadden misschien nog gedacht, dat het gebed het eenige was, wat ongeschonden door deze tijd heenkwam. Zeker, het eten wordt schaarsch, maar wij hebben toch nog ongeschonden het gebed: „Onze Vader, geef ons heden ons dagelijksch brood". Zeker, de dood is ons nabij als nooit te voren, maar wij hebben toch ongeschonden het gebed : „O God, wees mij zondaar genadig". Maar als dan ook het gebed, zelfs het gebed is aangevreten door de tijd, wat rest ons dan? Het is om wanhopig te worden. Neen, zegt Paulus, dat is het niet. Want wij weten niet wat wij bidden zullen, gelijk het behoort, maar de Geest zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen. Want het is niet onze donkere tijd, waarin wij leven, maar 't is de tijd van den Heiligen Geest, het is de tijd van het hopen en van het zuchten. We hebben niet alleen den Heere Jezus Christus als een voorbiddenden Hoogepriester in den hemel der heerlijkheid, maar God de Heilige Geest gaat in in onze harten. Hij bewerkt ons hart, zoodat er een gebed geboren wordt zonder woorden, een gebed, dat meer dan woorden bevat, dat zuchten bevat, een zuchtend roepen uit de diepten. Een gebed, dat God de Vader aanziet in God den Zoon en dat Hij verhoort, omdat het geheiligd is door den Heiligen Geest. De Heere Jezus heeft het tegen de geloovigen gezegd: „Ik zal u geen weezen laten''. Een wees is een kind zonder vader en moeder. Wie zal dat kind steunen, als het niet loopen kan ? Maar de geloovigen zijn geen weezen. Zij hebben den Trooster, den Heiligen Geest nabij. Hij ondersteunt hun gangen, ook en vooral hun gangen in het gebed. Hij zelf, de Geest, bidt voor hen met woordelooze zuchtingen. En toch zijn daar woorden te vinden, woorden, die de Heilige Schrift ons voorhoudt. Want daar staat geschreven in het laatste bijbelboek: „En de Geest en de bruid zeggen kom". Al de verzuchtingen van de Geest en de Bruid loopen uit op dat korte, roepende woord : „Heere Jezus, kom, ja kom". En het antwoord, dat de Heere geeft, is : „Ja, Ik kom haastiglijk".

De tijd waarin wij leven is de tijd van den Heiligen Geest, de tijd van zuchten en hopen. Ziet gij de verwachting rondom u in de heele schepping ? Hoort gij het zuchten van het gansche creatuur ? Ziet gij de verwachting van Gods Kerk hier op aarde ? Hoort gij het zuchten van de bruid ? Wèl u, wanneer gij hoort en ziet in deze tijd, de tijd van den Heiligen Geest. Dan kent gij de troost, die altijd noodig is, en zeker nu, de troost, dat alles wat er geschiedt niet anders is dan een voorbereiding voor 3e komst van den Heere Jezus Christus, den Koning der Koningen en den Heere der Heeren. Dan zucht gij mee met de Bruid en de Geest: Heere Jezus, kom, ja kom, en dan hoort gij boven alles uit de stem van den getrouwe Getuige : „Ja, Ik kom haastiglijk. Amen.

Hoogeveen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juni 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juni 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's