UIT DE HISTORIE
Luthers verklaring van Paulus' Brief aan de Galaten
De vrucht van het Evangelie, dat vrijmaakt van de Wet. Vers 1—7.
Hoofdstuk IV.
De vrucht van het Evangelie, dat vrijmaakt van de Wet. Vers 1—7.
Doch ik zeg: zoolang als de erfgenaam een kind is, zoo verschilt hij niets van een dienstknecht, hoewel hij een heer is van alles. Maar hij is onder voogden en verzorgers, tot den tijd van den vader tevoren gesteld. Vers 1 en 2.
Ge ziet, hoe Paulus hier brandt van ijver om de Galaten weer op den rechten weg te brengen, en met welke krachtige argumenten hij de zaak der rechtvaardigmaking aan de orde stelt.
Paulus ontleent voorbeelden aan de ervaring, aan Abraham, aan de Heilige Schrift en aan de gelijkenissen. Soms heeft het den schijn, alsof hij de kwestie telkens opnieuw aansnijdt.
In de vorige hoofdstukken heeft de apostel de rechtvaardigmaking zoodanig behandeld, dat het leek, alsof hij de bespreking tot een einde gebracht had, hetgeen men kan opmaken uit zijn conclusie, dat de mensch alleen door het geloof voor God rechtvaardig kan zijn.
Thans valt hem echter nog weer een voorbeeld in, dat ontleend is aan het dagelijksch leven, namelijk het voorbeeld van een erfgenaam, die nog een kind is.
Dit voorbeeld brengt hij ter sprake om zijn betoog meer klem nog bij te zetten.
Bijna neemt Paulus een list te baat, om de Galaten te vangen, zij het dan een heilige list. In 2 Corinthe 12 vers 16 zegt hij: „Doch het zij zoo ; ik heb u niet bezwaard ; maar alzoo ik listig was, heb ik u met bedrog gevangen".
Het volk wordt nu eenmaal door gelijkenissen en voorbeelden gemakkelijker ingepalmd en gewonnen, dan door ingewikkelde, scherpzinnige redeneeringen.
Men houdt nu eenmaal meer van een aardig plaatje, dan van een goed geschreven boek. Het eerste spreekt meer tot den mensch.
Zoo neemt Paulus, na de voorbeelden, die hij reeds gaf, thans het exempel van een erfgenaam, die nog een kind is. Met dit voorbeeld denkt hij de Galaten te overtuigen en tot inzicht te brengen. Het is inderdaad van belang, wanneer men in bepaalde omstandigheden kan beschikken over een voorbeeld of een gelijkenis, teneinde de menschen iets duidelijk te kunnen maken. Niet alleen Paulus doet dit, maar ook de profeten en Christus zelf hebben zich dikwijls van voorbeelden bediend.
Verder in zijn brief bezigt de apostel meer den trant van redeneeren en argumenteeren.
Ge ziet, zoo zegt hij, dat in de burgerlijke wetgeving bepaald is, dat een erfgenaam, hoewel hij heer is over vele goederen, die zijn vader hem heeft nagelaten, toch een knecht kan zijn. Het kan namelijk wezen, dat iemand op een erfenis moet wachten totdat hij mondig is. Tot zoolang is men dan gesteld onder voogden en verzorgers, evenals een leerling onder zijn leermeester is gesteld.
Wanneer de erfgenaam een kind is, vertrouwt men hem het beheer over zijn bezittingen niet toe; de „erfgenaam" moet dan uit zijn goederen leven als een knecht, zoodat er eigenlijk geen onderscheid is tusschen hem en degenen, die in dienstbetrekking zijn, en deze „gevangenschap" duurt, zoolang de erfgenaam onder voogden en verzorgers staat.
Deze onderworpenheid en gevangenschap is zeer nuttig, omdat anders de nog te jeugdige erfgenaam zijn bezttingen onverstandig zou beheeren, en licht tot verkwisting komen zou.
Die gevangenschap duurt echter niet altoos ; op een bepaald tijdstip neemt zij een einde, en dit is bepaald door den vader van den jeugdigen erfgenaam.
Alzoo ook wij, toen wij kinderen waren, zoo waren wij dienstbaar gemaakt onder de eerste beginselen der wereld. Vers 3.
Ook wij waren, toen wij nog kinderen waren, erfgenamen, die de belofte eener toekomstige erfenis hadden, welke ons door het Zaad Abrahams, namelijk door Christus, eens zou geschonken worden. Alle volkeren der aarde zouden in dezen zegen deelen.
Zoolang de volheid des tijds nog niet was aangebroken, stonden wij onder onzen voogd en tuchtmeester Mozes, die ons zoodanig overheerschte, dat wij aan handen en voeten gebonden waren. Wij hadden niets te zeggen, en wij konden de erfenis niet in bezit nemen.
Gelijk echter een jeugdig erfgenaam getroost wordt door de hoop op zijn toekomstige vrijheid, zoo troostte ook Mozes ons met de hoop op de verwezenlijking der toekomstige vervulling van de belofte, welke te zijner tijd openbaar worden zou bij de komst van Christus. Dan zou een einde gemaakt worden aan de bedeeling der Wet en zou de tijd der genade aanbreken.
De bedeeling der Wet neemt op tweeërlei wijze een einde.
In de eerste plaats door Christus' komst in het vleesch op het door den Vader vastgestelde tijdstip.
En vervolgens door het geestelijk komen van Christus op elk uur van den dag.
Ook onder de Oud-Testamentische bedeeling verscheen Christus aan de vaderen in den geest, voordat hij in het vleesch verscheen. In den geest waren zij Christus deelachtig, wijl zij geloofden in Hem, vóórdat Hij nog gekomen was. Niettemin zijn ook zij zalig geworden.
De reden hiervan vindt ge in Hebreen 13 vers 8 : „Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid".
„Gisteren" is de tijd voordat Hij in het : vleesch verscheen, en „heden" is de bedeeling, waarin Hij zich heeft geopenbaard.
Er is dus nu en in alle eeuwigheid éénzelfde Christus, door wien men uitsluitend en alleen gerechtvaardigd en zalig kan worden. Zoo was het in 't verleden ; zoo is het in 't heden, en zoo zal het ook zijn in de toekomst.
Toen wij nog „kinderen" waren, heerschte de Wet over ons; zij behandelde ons als knechten, en voerde heerschappij over ons.
Gelijk een erfgenaam aan zijn voogden en verzorgers onderworpen is, en gedwongen wordt, hun bevelen op te volgen, zoo wordt ons gemoed, zoolang Christus niet gekomen is, door de tirannie der Wet beheerscht.
Deze tirannie duurt evenwel niet altijd, doch slechts tot op het tijdstip van het aanbreken der genade bedeeling. De heerschappij der Wet houdt op, wanneer zij ons tot Christus heeft geleid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juli 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juli 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's