Zefanja, de profeet van den dag des Heeren
de profeet van den dag des Heeren
Hoofdst. II, vs 1—3. Er is nog een mogelijkheid om te ontkomen.
Doorzoekt uzelven nauw, ja doorzoekt nauw, gij volk, dat met geen lust bevangen wordt: eer het besluit bare (gelijk kaf gaat de dag voorbij) terwijl de hittigheid van des Heeren toorn over ulieden nog niet komt, terwijl de dag van den toorn des Heeren over ulieden nog niet komt (vs 1, 2).
Deze verzen behooren wel tot de voor vertaling en verklaring moeilijkste plaatsen van Zefanja's profetie. Ook de Statenvertalers hebben terdege de moeilijkheden gevoeld. Zij wijzen er in de Kantteekeningen op, dat het Hebreeuwsch woord door doorzoeken vertaald : verzamelt u, beteekent. „Het wordt eigenlijk gebruikt voor het verzamelen van stoppelen of houten, zooals Ex. 5 vs 7, 12, 1 Kon. 17 vs 10, hetwelk niet geschieden kon dan met naarstige nazoeking ; zoo wordt het ook voor zoeken gebruikt. De zin is : Gaat in uzelven, opdat gij verstaat hoe zwaar gij God den Heere vertoornd hebt met uw groote en menigvuldige zonden".
Bijna elke verklaarder van dezen tijid heeft weer een andere opviatting, zonder dat men ook maar eenigszins tot een zekere eenstemmigheid geraakt.
De vertaling van Ridderbos heeft veel aantrekkelijks : Buig u neder, gij volk, dat van geen schaamte weet. Zooveel is wel zeker, dat we te doen hebben met een woord dat tot bekeering roept: daar is nog een mogelijkheid van bewaring in het gericht.
Op zichzelf is de gedachte : Onderzoekt uzelven nauw, volkomen schriftuurlijk. Zelfonderzoek is noodzakelijk, als bezinning of men op den rechten weg zich bevindt. Arglistig toch is het hart, meer dan eenig ding, ja, doodelijk, wie zal het kennen ? Daar is een weg, dien iemand recht schijnt, maar het einde van dien zijn paden des doods.
Ook het vervolg van vs 1 is onzeker van beteekenis : Gij, volk, dat van geen lust bevangen wordt" ; te weten om zich met God te verzoenen of om wat goeds te doen" 2) ; anders, o volk, niet waardig begeerd te worden. 3)
Onbewogen leeft het volk voort; daar is geen begeerte om God te zoeken, geen. vragen : Is er een middel om de straf te ontgaan? Het volk blijft, zooals het is; de prediking raakt hen niet: daar is geen verbreking onder de aankondiging van het gericht en geen vernedering voor het aangezicht des Heeren. En dan blijkt ook hier weer, zooals op zoovele andere plaatsen, het aangrijpende van genade : De Heere maakt zich van dat volk niet los, heeft geen lust in hun dood, maar daarin, dat zij leven en zich bekeeren ; daar is nog ontkoming : de deur wordt op een kier gezet. —
Calvijn vertaalt: Gij, volk, dat niet beminnenswaard is, Gods barmhartigheid onwaardig dus. „Ofschoon het volk zich in verdorvenheid van den Heere had afgewend en vervreemd, zpodat er geen enkele reden was, waarom Hij het zoude behouden, toch hield Hij niet op hen tot Zich terug te roepen. Hier zien we derhalve een uitnemend bewijs van Gods genade, die als onvermoeid een volk, dat naar verdienste te haten was, met Zijn liefde vervolgt". Zoekt den Heere terwijl Hij te vinden is, eer het besluit bare. „Eer hetgeen komt, wat van God tegen ulieden besloten is; het besluit baart dan als de executie geschiedt. Ez. 20 vs 25 2) De menschen meenen, dat de dreigingen des Heeren alle tevergeefs zijn. God slaat niet in de lucht, als Hij door Zijn profeten den zondaren straf aankondigt, maar het is een vast besluit, dat uiteindelijk zijn effect niet zal missen". 3) Het besluit Gods gaat door, door niets of niemand tegen te houden. De Raad Gods is krachtdadig en onveranderlijk ; wie zal uitvoering van dien Raad kunnen verijdelen ? (Jes. 46 vs 10, Jes. 14 vs 24 e.v.)
Al geven wij deze toelichting bij de tekst van de Statenvertaling, dat neemt niet weg, dat deze vertaling door groote bezwaren gedrukt wordt. Vrij groote eenstemmigheid is er over een andere, die ook Prof. Ridderbos in Korte Verklaring geeft: Eer gij wordt als voortstuivend kaf, eet over u komt de gloed van des Heeren toorn, eer over u komt de dag van des Heeren toorn. 4) Wie de vijand is, wordt niet gezegd ; eerst jaren later zal blijken, wie de Heere zal gebruiken als een instrument in Zijn hand om het volk vanwege zijn zonde te bezoeken. Maar hierop wordt nadruk gelegd, dat het gericht een Goddelijk gericht is. De Heere zelf gaat aan de spits van de vijandelijke legers ; de vijanden komen met mandaat van den Allerhoogste en zijn de uitvoerders van Zijn oordeelen: zij doen werk voor den Heere, hetzij zij zulks bedoelen of niet; of zij den Heere kennen of niet, zij zijn Gods werktuigen. Zooals kaf van de dorschvloer verstrooid wordt, zoo zullen de goddeloozen verdreven worden. Dit beeld, om den radioalen ondergang van den goddelooze te teekenen, vinden we telkens in de Schrift. Als Job tegenover de dorre theorie van de vrienden, die alles in Gods regeering begrijpen, de harde werkelijkheid van het leven stelt en zegt, dat het niet waar is, dat de goddeloozen enkel tegenspoed hebben, dan vraagt hij, verbijsterd over zooveel, dat niet te verstaan is : Hoe dikwijls gebeurt het, dat de lamp der goddeloozen wordt uitgebluscht en dat hun verderf hun overkomt ? Dat God hun smarten uitdeelt in Zijn toorn ? Dat zij gelijk stroo worden voor den wind en gelijk kaf, dat de wervelwind wegstormt? (Job 21 vs 18, 19). Of denk aan Ps 1 : Alzoo zijn de goddeloozen niet, maar als kaf, dat de wind henendrijft: tegenover de zaligheid van den vrome wordt geteekend het verderf van den goddelooze : zijn weg voert in het verderf. Zie verder Hozea 13 vs 3, Jes. 17 vs 13, Jes. 29 vs 5.
Zoekt den Heere, alle zachtmoedigen des lands, die Zijn recht werken. Zoekt gerechtigheid ; zoekt zachtmoedigheid, misschien zult gij geborgen worden in den dag van den toorn des Heeren. (vs 3). Hier vinden we antwoord op de bange vraag, die opkomt in het hart van den ontdekten zondaar: Is er een middel om de straf te ontgaan en wederom tot genade te komen ? De gedachte aan het geborgen worden in den dag van Gods wrake, vinden we o. a. ook bij Amos (5 vs 15), bij Jeremia (7 vs 3). Hier zit dus de schuilkeldergedachte achter, of wilt ge het beeld van de ark, waar Noach en de zijnen veilig waren ten dage van de schier allen verwoestende zondvloed. Er is dus een ontkoming : Gij moet leeren buigen onder Gods wil en zoo God als God erkennen.
Nu is de opmerking gemaakt ^) : den deemoedigen des lands behoeft niet bevolen te worden den Heere te zoeken en zeker niet deemoed te zoeken. Hier is miskenning van het karakter van het religieuze leven van de Kerk des Heeren. Ook bij Gods kinderen is er zooveel, waardoor in hun leven de glorie van des Heeren Naam verdonkerd wordt en wat hen zoekt neer te halen tot het peil van den wereldling. Ziet gij niet naar wat de groote massa doet, zegt de profeet tot het overblijfsel naar de verkiezing der genade, maar zoekt den Heere, opdat giji niet met de groote massa omkomt. Ook bij Gods volk is er geen volkomenheid, die aan het recht Gods beantwoordt. Daarom die aansporing, omdat er voor de rechtbank van den allerhoogsten Rechter niemand in zichzelf zal kunnen bestaan. Zoekt den Heere, want alleen wie volharden zal tot het einde, zal zalig worden. Ook in dagen van openbare goddeloosheid en grooten afval is er nog een volk, dat zich voor den Heere buigt en zich door Zijn Woord laat gezeggen, en eens zal het blijken, gelijk hier reeds iets daarvan uitkomt, dat het niet tevergeefs is den Heere te dienen.
Zoekt gerechtigheid, zoekt zachtmoedigheid, misschien zult ge verborgen worden in den dag van den toorn des Heeren (vs 3b). Niet juist is het, als men aldus schrijft *) : „De deemoed der vromen moge nog toenemen; hun rechtschapenheid vermeerderen. Dan vormen zij den heiligen kern, om wiens wil Jahwe misschien genadig zal zijn". Deze laatste gedachte : de behoudenis van een volk om de wille van de rechtvaardigen, die in hun midden zijn, vinden we b.v. in de voorbede van Abraham (Gen. 18), maar hier staat uitdrukkelijk : misschien zult gij geborgen worden. Het behouden worden van de hier aangesprokenen staat dus in het teeken van misschien. Ook elders vinden we bij de profeten in een zelfde verband van misschien gesproken, en men heeft wel gemeend, dat we daarin te doen hebben met een vaststaande term in de liturgie van een boetedag. Scheurt uw hart en niet uw kleederen en bekeert u tot den Heere uwen God — wie weet — d.i. misschien — Hij mocht zich wenden en berouw hebben. Gods erbarmen wordt wel als de eenige grond om te hopen aangewezen en toch dat onzekere element wordt er tusschen geschoven : misschien. Het schijnt een Evangelie met een vraagteeken. Misschien zult gij geborgen worden. — Maar vindt, wie Hem aanroept in den nood. Zijn gunst niet oneindig groot ? Vergeeft de Heere niet zekerlijk (Jes. 55 vs 7). De Heere is een genadig God, die de Zijnen voorkomt en hen tot Zich noodigt. Misschien geborgen: dat is : eigenlijk kan het niet en toch — Het misschien van den profete is de kans van den zondaar. Maar in dat enkele woord moet ik wel heel sterk leeren ernst te maken met de afgronddiepe kloof, die scheiding maakt tusschen den heiligen God en den on'heiligen mensch. Het spreekt niet vanzelf, dat een mensch zalig wordt! Misschien kan, d.i. in het N. Test.: De rechtvaardige zal nauwelijks zalig worden. Dat misschien zegt mij, dat er zoo heel veel gebeuren moet, zal een zondaar genade vinden, die genoeg is voor leven en sterven. „Het is genade, genade te ontvangen". „Redding van den toorn blijft vrije genade en vrij geschenk Gods". '') Ik sta voor een verloren zaak ; dat moet ik goed leeren ; ik kan het mij niet anders denken, dan de deur op een kier. Dat misschien geeft een hope in mijn ziel, die niet be schaamt, het heeft een vervolg, als we hooren van den van God gegeven Koning en Borg, gegeven tot wijsheid, rechtvaardigheid, ja, tot een volkomen verzoening en verlossing. In en door Hem wordt het misschien: gewisselijk zal Hij u genadig zijn op de stem uws geroeps. (Jes. 30 vs 19) Wij besluiten met één van de schoone gebeden, waarmede Calvijn één zijner voorlezingen beëindigde :
Geef, almachtige God, wanneer wij niet ophouden op vele wijzen Uwen toorn over ons te roepen, dat wij eindelijk ontwaken door de klank van Uw bazuin, die ons in de ooren klinkt, waar Gij aankondigt, dat Gij rechter der wereld zult zijn en ons dit ook duidelijk in Uw Evangelie hebt betuigd : dat wij tenslotte leeren niet een levendige geest af te zien van de' goddelooze begeerlijkheden der wereld en alle gevoelloosheid wegwerpende, zoo tot berouw ons haastende, dat wij Uw oordeel voor komen mogen en zoo mogen ervaren, dat Gij met ons verzoend zijt, opdat wij Uwe goedheid mogen genieten en altijd door de smaak daarvan mogen worden vastgehouden, waardoor wij van alle verleidingen en bekoringen van deze wereld kunnen afzien, totdat wij eindelijk tot die zalige rust zullen geraken, waar wij verzadigd zullen worden door die onwaardeerbare blijdschap, welke Gij aan ons beloofd hebt en die wij verwachten in Christus Jezus, onzen Heere. Amen.
^) Vele verklaarders nemen dan ook hun toevlucht tot grootere of kleinere tekstverandermgen.
Nowack in zijn commentaar op het twaalfprofetenboek (vertaalt, daarbij zich aansluitende aan de Septuaginta: Staat beschaamd en schaamt u, gij tuchteloos volk. Dat zou dan ook wijzen op de hardnekkigheid van het volk, dat zich niet laat waarschuwen. Wat het verband betreft, geeft deze vertaling ongetwijfeld een voortreffelijken zin. Men verwijst dan naar Zef. 3 vs 11 waar op deze schaamte zou worden gedoeld en naar een soortgelijke verbinding in Jer. 31 vs 19).
Ook Smit (in Tekst en Uitleg, Kleine Profeten III, pag. 25, 72) verandert de tekst en vertaalt (met anderen : Heiligt u toch en weest heilig, gij volk, door niets bewogen.
De vertaling van Ridderbos in Korte Verklaring, Kleine Profeten II, pag. 192, is wel mogelijk en geeft zonder twijfel een goeden zin, maar eigenlijk is deze vertaling een gissing, omdat de werkwoordsstam, waarvan men dan uitgaat, alleen in het Arabisch in de beteekenis van zich buigen voorkomt. De vertaling is reeds door velen voorgeslagen. Snijman (aang.w., a.l.) heeft : Dringt uzelven samen en wees. ineengedrongen, gij, volk, dat niet begeerig zijt. Het oordeel zal als een vuur over de aarde gaan. De profeet heeft nu maar één raad : Wie zichzelf zoo klein mogelijk maakt, kan ontkomen : zooals de houtlezer zijn bundel samenleest en met de knie drukt en stevig het touw er omheen haalt — zoo dringe men zich ineen. —
^) Kantteekening Statenvertaling.
^) Praelectiones in Sophoniam, a. b. In de vertaling van b sluit hij zich bij de Vulgata.
*) In details is er verschil.
^) O.a. door Sellin in zijn commentaar.
ö) Smit, in Tekst en Uitleg, a. b.
^) Horst, in Eissfeldts Handbuch, a. b.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juli 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juli 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's