Het Credo
Credo — ik geloof — is sedert langer een term geworden, welke zooveel beteekent als de belijdenis der gemeente van Christus, Denk aan de apostolisclie belijdenis : Ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde.... De twaalf artikelen worden ook wel het symbool, de belijdenis des geloofs genoemd : de belijdenis van ons algemeen en ongetwijfeld Christelijk geloof.
Inderdaad mag zij voor zoodanige worden gehouden, als men ziet op de kerk der eeuwen, de vergadering der ware Christgeloovigen. Wij bedoelen daarmede niet te zeggen, dat de oudste gemeenten, als daar gesproken wordt van de leer, deze reeds in den vorm der Twaalf artikelen hebben geformuleerd. Wel mag men aannemen, dat zij in de hoofdzaken daarmede overeenkwam. Die hoofdzaken raken in de eerste plaats de belijdenis van den Drieeenigen God, zooals reeds uit de formule van den Christelijken Doop kan blijken. Het geldt hier niet een dogma, dat de kerk allengs heeft gevonden en vastgesteld in den strijd der meeningen. Veeleer berust deze belijdenis op het onderwijs van Christus aan Zijn discipelen. Hij sprak menigvuldig van den Vader, van Wien Hij was uitgegaan en tot Wien Hij weder zou opvaren, en onderwees hen ook van den Heiligen Geest. Hoe zouden zij anders ook het bevel des Doops in den Drieëenigen Naam hebben verstaan? Voorts ook geven de brieven ruimschoots getuigenis van deze leer. De kerk heeft niet beslist, dat God Drieëenig : Vader, Zoon en Heilige Geest, is, maar zij wed alzoo door Christus zelf onderwezen.
Welnu, deze belijdenis ligt ten grondslag aan de Twaalf artikelen des geloofs. Zij spreken eerst over den Vader, dan over den Zoon en dan over den Heiligen Geest.
Het Credo der gemeente gaat onmiddellijk terug op het onderwijs van haar Hoofd en Heere.
Wel zijn er verschillende vragen en strijdpunten aangaande de leer der Drieeenheid opgekomen, die de kerk der eerste eeuwen bijzonder hebben bezig gehouden, en waarover zij genoopt werd uitspraak te doen, maar dat raakt de verhoudingen en werkingen der Drie goddelijke personen en de goddelijke huishouding, zooals men dat noemt.
Een tweede punt van belang raakt de belijdenis van den Christus. Ook hieromtrent mag men aannemen, dat de leer, waarvan de brieven aan Timotheüs en Titus gewagen, naar den inhoud overeenkwam met het Credo der Twaalf artikelen. De vleeschwording des Woords is zonder twijfel van meetaf centraal stuk der leer geweest. Dat blijkt niet het minst uit zijn bestrijding. Denk b.v. aan den 1sten brief van Johannes, hoe hij de belijdenis, dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is, tot criterium stelt van den Geest, die uit God is, en dien van den antichrist. (1 Joh. 4 : 2 en 3).
Hij zegt niet ieder, die belijdt, dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is, die is uit God, maar alle geest, die alzoo belijdt, is uit God. Hij zegt dus dit: de belijdenis: Jezus Christus is in het vleesch gekomen, heeft haar oorsprong in een geest, die uit God is. Indien iemand die belijdenis aanhangt, voegt hij zich onder de leer, die uit God is.
Er waren er n.l. Ook, die deze belijdenis niet aanhingen, ja, haar ontkenden. Dezen worden door Johannes onder den geest van den antichrist gezet. Het voor en tegen den Christus wordt door deze belijdenis dus wel heel scherp gesteld.
Oók Paulus weet van degenen, die Christus naar het vleesch gekend hebben. (2 Cor. 5 : 16). En hoe zou Christus zijn opgestaan, als Hij niet in het vleesch ware geweest. In de bestrijding der opstanding (1 Cor. 15) kan ook een bestrijding van de vleeschwording gelegen zijn. Doch met allen nadruk wijst Paulus op de getuigen van Zijn dood en opstanding, maar voorts ook op het feit, dat Hij de Heere uit den hemel is.
En dit is waarlijk niet het eenige, want de brieven zijn vervuld van getuigenissen aangaande den Middelaar Jezus Christus en weerleggingen van valsche leeringen. Christus is de Schepper, de Zone Gods, het zaad Abrahams, geworden uit een vrouw, geworden onder de Wet, die gestorven is, en wat meerder is, die ook is opgestaan, het Hoofd der gemeente, de Rechter der wereld die wederkomen zal om te oordeelen de levenden en de dooden.
Al deze dingen behooren in het Credo der oudste kerk als zoovele stukken van de gezonde leer, die naar de Godzaligheid is. Het behoort alles tot het hart des geloofs.
Over den Heiligen Geest en Zijn werkingen is de belijdenis der Twaalf artikelen sober. In dit opzicht geven de reformatorische belijdenisgeschriften veel meer. Ten deele ook in verband daarmede in andere stukken des geloofs : als de kennis van den mensch, de leer der zonde, van de rechtvaardigmaking, van de sacramenten, e.a. stukken.
Reeds daarom zou het een verarming zijn, bij de belijdenis der Twaalf artikelen te blijven staan, zelfs aangenomen, dat allen, die haar zeggen te onderschrijven, van eenzelfde gezindheid zouden zijn.
Men kan met recht zeggen, dat de reformatorische belijdenis teruggaat op de Twaalf artikelen des geloofs, maar zij verklaart tevens, hoe zij die artikelen verstaat. Men denke aan de uitlegging in dm Heidelbergschen Catechismus.
Zoo ligt er een ruimte tusschen de apostolische belijdenis en de reformatorische belijdenisgeschriften, waarbinnen zich verschillende opvattingen en richtingen bewegen. Behalve de verarming, welke het zou medebrengen, zoo men zich op de apostolische belijdenis terug trok, bleven ook die verschillende opvattingen en richtingen in het midden. Het zou daarom slechts een schijn van eenheid geven, terwijl de tegenstellingen en spanningen een voortdurende bedreiging zouden vormen.
Wij spreken dan nog niet eens over de tegenstellingen en oneenigheden binnen het kader der verschillende reformatorische kerken.
Indien een vereeniging op het Credo in de apostolische belijdenis neergelegd, reeds zooveel ruimte zou bieden voor verschil van interpretatie, kan het duidelijk zijn, dat dit nog veel meer het geval zou zijn bij een minder uitgewerkt Credo in den vorm van een getuigenis op grond van een enkel Schriftwoord. Het is zelfs denkbaar, dat men een woord als van 1 Joh. 1 : 2 en 3, hetwelk op zich zelf aan duidelijkheid niets schijnt over te laten, toch weer zoodanig tracht te verklaren, dat inen de historische werkelijkheid, waarop het Credo der gemeente staat, loslaat.
Een eenstemmigheid, welke in het gemeenschappelijk geloof der kerk gevonden wordt, zal daarom de belijdenis der kerk in het midden stellen. In die belijdenis heeft de kerk haar Credo : „Wij gelooven met het hart en belijden met den mond". Deze belijdenis is uit haar leven opgekomen in den strijd des geloofs. Aan dié belijdenis heeft de kerk zich te houden. Daarvan geeft zij getuigenis in hare openbare prediking, d.w.z. dat behoort zoo te zijn als de kerk getrouw is. Haar Credo moet gehoord worden niet als een onzeker geluid, maar als een heldere bazuin. Wanneer zij uit haar belijdenis leeft, kan dat niet anders. En wanneer zij zich bezint op haar roeping, wordt zij aan haar belijdenis herinnerd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juli 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juli 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's