De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De richtingsverhoudingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De richtingsverhoudingen

13 minuten leestijd

Dr W. Banning, de bekende Vrijz. Hervormde, heeft op de jaarlijksche vergadering van de Vrijzinnig Hervormde Predikanten gesproken over : „De positie der Vrijzinnigen in de Kerk''. En in „Kerk en Wereld", het hoofdorgaan van de Vereeniging van Vrijzinnige Hervormden in Nederland, schrijft Dr B. over wat er z. i. geschieden moet om tot een oplossing der moeilijkheden te komen en aan onwaardige toestanden een einde te maken. Terwijl hij tevens aanwijst wat er in dit opzicht thans ook van de Vrijzinnigen verwacht kan worden. De lezing van de artikelen doen ons inderdaad zien dat Dr B. volle ernst maakt met wat hij krachtens zijn beginsel als eisch ziet. In enkele punten heeft Dr B. dit neergelegd, hoewel deze punten, naar Dr B.'s eigen woorden, niet de pretentie hebben van een program te willen bieden. De punten bevatten het volgende :

1e. Ons gemeentelijk werk zoo getrouw en ijverig mogelijk verrichten, ons gemeenteleven, óók onze eeredienst, maar daarnaast onze onderlinge hulp en barmhartigheid, zoo sterk, zoo inhoudsvol mogelijk te doen zijn. Onze gemeenten mogen kernen van Christelijk leven zijn ; in en door het gemeenteleven spreekt de kerk direct tot de wereld!

2e. het richtingsvraagstuk te belichten vanuit de in geloof aanvaarde opdracht der kerk;

3e. daarbij als essentieel voor de kerk te stellen de Belijdenis, d.w.z. het Evangelie van Jezus Christus, naar wezen onuitputtelijk en dus alle belijdenisgeschriften en theologieën te boven gaande. Elke theologische formuleering, die voor zichzelf dwingend gezag opeischt als adaqueate uitdrukking van het Evangelie, doet aan de godsdienstige waarheid tekort; geestelijke dwang is in de kerk uit den Booze ;

4e. ons recht in de kerk niet op historisch-juridische gronden te bepleiten (al zijn ze op zichzelf niet onjuist), maar op godsdienstige, m.a.w. in onze kerkelijk-theologische arbeid aantoonen, dat de vrijzinnige geloofsopvatting wortelt in het Evangelie en zich op het Evangelie mag beroepen ;

5e. de overwonnen moeilijkheid in de Ned. Herv. Kerk is, dat binnen haar verband een confessioneel en een anti-confessioneel kerkbegrip worden gehuldigd, die niet te vereenigen zijn. Deze moeilijkheid kan alleen geestelijk worden opgelost, indien elke richting eigen verantwoordelijkheid te dragen krijgt, en zij alle tezamen zich stellen onder de opdracht der kerk en haar Belijdenis (hoofdletter, zie punt 4) ;

6e. Wij hebben alles na te laten — in woord, geschrift en daad — wat de groei van gezonder (lees : minder onwaardige) verhoudingen kan verhinderen en de bereidheid tot vertrouwen kan schaden ; wij hebben ons, op grond van onze liefde tot de kerk en het ons toevertrouwde geestelijk goed, bereid te verklaren tot elke samenspreking der kerkelijke richtingen ;

7e. tot eenige voorwaarde voor practische arbeid en geestelijk gesprek te stellen, dat bij onze partners geenerlei begeerte tot uitdrijven aanwezig is. In een noodrecht, eventueel noodzede, ware een eind te maken aan de onwaardige toestanden inzake bevestigings- en doopdiensten.

Met deze punten in de hand kan er ongetwijfeld een gesprek met de Vrijzinnigen worden gevoerd. Tegen punt 1 zal geen bezwaar gemaakt kunnen worden. We zullen het er allen over eens zijn, dat de arbeid, die ons in de Kerk opgedragen is, trouw en met liefde worde verricht.

Hier mag geen slapheid worden gevonden. De uiterste zorg moet worden besteed aan prediking, catechisatie, gemeentebezoek, enz. enz. De tijd, welke wij beleven, moet ons de noodzakelijkheid daarvan nog sterker dan anders doen gevoelen. Hier ligt geen verschil. Ook zal ons gemeenteleven, onze eeredienst, de onderlinge hulp en barmhartigheid, zoo sterk en inhoudsvol mogelijk moeten zijn. Het moet blijken, dat het christelijk leven niet maar een samenraapsel van wat uitwendigheden is, die met elkaar een wrak gebouwtje vormen — 't moet geen leeg vat zijn, dat alleen maar hard klinkt als er tegen geschopt wordt — 't moet gevuld zijn met waarachtig leven, waardoor de werken der barmhartigheid gezien mogen worden.

Ook hierover is wel geen verschil. En we moeten het allen, zonder uitzondering bekennen, dat we in dit opzicht zware schuld hebben te belijden.

Dit neemt echter niet weg, dat nu ook onmiddellijk de vragen beginnen te rijzen, 't Gaat over gemeentewerk. Wat voor werk is dat ? Welke boodschap moet worden gebracht? Waar is dit werk door bepaald en waar is het aan gebonden ? Het gaat over een inhoudsvol gemeenteleven en wat daarmee verbonden is. Wat is de inhoud van dit leven ? Waar is dit leven door bepaald ? Hoe komt dat waarachtig gemeenteleven er ? Bij een gesprek komen al deze en dergelijke vragen aan de orde. Vragen, die op zichzelf eenvoudig lijken, maar waaraan toch heel wat vast zit. Vragen, die voor alle richtingen van belang zijn en die ook in alle richtingen besproken worden.

Belichting vanuit de opdracht der Kerk.

Het richtingsvraagstuk — aldus Dr B. in punt 2 — moet nu belicht worden vanuit de in geloof aanvaarde opdracht der Kerk. Deze uitspraak zou zoo wel overgenomen kunnen worden, waarbij het aankomt op de vraag, hoe de opdracht wordt gehoord en wat men onder de opdracht verstaat. Wij voor ons willen die opdracht aflezen uit het wezen en de belijdenis van de Kerk zelf. Zooals die belijdenis ook geformuleerd is in de belijdenisgeschriften. Daarmee komt het geheele richtingsvraagstuk te staan onder het Woord Gods en de belijdenis der Kerk zelf. Dan gaat het dus niet meer over wat de een of ander individueel hierover eens denkt en zegt. Neen, dan krijgt het Woord alleen heerschappij, het Woord, zooals de Kerk dit door de leiding des Geestes heeft mogen verstaan en daaraan uitdrukking gegeven heeft in haar belijdenisgeschriften. Uit punt 3 blijkt echter, dat Dr B. het zóó niet bedoelt.

De Belijdenis boven alle belijdenisgeschriften.

Volgens punt 3 ziet Dr B. de Belijdenis, welke essentieel voor de Kerk dient gesteld te worden, in het Evangelie van Jezus Christus, naar wezen onuitputtelijk en dus alle belijdenisgeschriften en theologieën te boven gaande. Hier hebben we weer de reeds eerder besproken uitdrukking : het Evangelie van Jezus Christus. Wat wordt daaronder verstaan ? We weten, dat de jaren door met deze uitdrukking heel wat dubbelzinnigheid en onwaarachtigheid is bedekt. Althans het is gepoogd. De een verstond er iets onder, wat de ander volkomen verwierp. Bij deze gang van zaken blijft dit oude bestaan. En daarvan moeten wiji juist in de Kerk worden verlost. Dit zal alleen kunnen, als er één waarachtig belijden is van den Christus. En tot die eene belijdenis zal het niet komen in de Kerk, zoolang in die eene Kerk verschillende Christusbeschouwingen worden geduld. Als er verschillende beschouwingen zijn, is er ook geen eenheid in belijden. Bovendien wordt deze belijdenis dan gesteld boven alle belijdenisgeschriften. We hebben er zoo straks al op gewezen, dat het belijdenisgeschrift de weergave is van wat de Kerk van Christus door de leiding des Geestes in de Schrift heeft gevonden. Waarbij ze kan leven en sterven. Met Ds Groenewoud mogen we dan zeggen :

„Hoe staat het echter met de belijdenis ? Die is toch ook de weergave van wat de Kerk in den Bijbel aan EvangeHe van Jezus Christus vindt? De belijdenis, de actueele prediking in het heden, is dus net zooals het geschrift uit het verleden, aan den Bijbel onderworpen. Beide, belijdenis en belijdenisgeschrift, staan naast elkaar onder het Woord. De belijdenis is dus stellig niet superieur aan het geschrift. Het geschrift is wel degelijk een levend spreken van de Kerk, uit en naar het Woord. Wil Dr Banning de kerkelijke kracht van het geschrift verlammen, dan moet hij aantoonen, dat het in strijd is met het Woord. En wil hij de superioriteit van de belijdenis boven het geschrift handhaven, dan zal hij daarbij moeten aantoonen, dat die belijdenis inderdaad het Evangelie van Jezus Christus naar de Schrift is. Dr Banning wil binding aan het Evangelie en de Geest. Goed, wij willen die ook. Maar omdat wij gelooven, dat de H. Geest de Kerk ook vroeger in de waarheid der Schrift geleid heeft, kunnen wij de binding aan het belijdenisgeschrift niet loslaten. De Kerk heeft ook toen beleden naar het Woord, geleid door den H. Geest. Daarom is onze belijdenis aan het geschrift niet superieur. Overigens : is ook niet het handhaven der belijdenis een actueel belijden der Kerk in het heden?

Dwingend gezag.

Vervolgens wil Dr B. niet weten van dwingend gezag en geestelijke dwang in de Kerk. In punt 3 zien we, hoe hij dit omschrijft. Hier is dus ongetwijfeld het gezag der belijdenisgeschriftten in het geding. In verband hiermee Het Ds Groenewoud in „de Geref. Kerk" een stuk opnemen uit „Bijdragen tot de verklaring, toetsing en ontwikkeling van de leer der Hervormde Kerk, door Dr J. J. van Toorenenbergen. Hierin staat o.a., dat het gezag van symbolische geschriften ondergeschikt is aan het gezag der H. Schrift, maar het is verheven boven de wankelbaarheid der individueele meeningen van ben, die in uiterlijke betrekking tot de Kerk staan. Bij de handhaving van haar belijdenis moet de Kerk zich bewust zijn van hare tegenwoordige feilbaarheid, maar ook van de gewisse belofte van de leiding des Heiligen Geestes en der overeenstemming met Gods Woord, die aan de ware Kerk eigen is. Bij het gebruik van de eeuwige toetssteen der Waarheid zal ze dan niet gezind zijn den grondslag, die eenmaal gelegd is, te verzaken en ze zal ook het onderzoek niet voor gesloten verklaren. „De Kerk, die op het Woord Gods is gegrond, heeft het recht, haar geloof te handhaven, omdat zij de roeping heeft, haar eigen bestaan te handhaven ; zij heeft het recht niet, zich los te scheuren van haar grondslag, Gods Woord. Zij heeft wel haar eigen gezag in haar eigen boezem, maar zij heeft het slechts in hare overeenstemming met de Heilige Schrift. In deze laatste heeft de Evangelische Kerk haren positieven geloofsgrond, daarom juist mag in haar midden geen losbandigheid heerschen. Van het Pauselijke, niet van het Schriftgezag, heeft haar de Reformatie bevrijd.

Tegen den geest dezer Kerkzuivering kan daarom eene verstandige handhaving van de belijdenis der Kerk niet strijden, die in den grond niet anders is dan eene handhaving van Gods Woord.

Het recht der Vrijzinnigen.

Het recht der Vrijzinnigen in de Kerk wil Dr B. bepleiten op godsdienstige gronden, door n.l. in de kerkelijk-theologische arbeid aan te toonen, dat de vrijzinnige geloofsopvatting - wortelt in het Evangelie en zich op het Evangelie mag beroepen. Hier stuiten we al weer terstond op dezelfde moeilijkheid. In de eerste plaats zou dit aantoonen moeten kunnen geschieden voor de Kerk, voor een kerkelijke lichaam, dat tot oordeelen in dezen bevoegd is. Dat ontbreekt. En vervolgens zitten wij weer met het Evangelie en wat daaronder wordt verstaan. Want een feit is immers, dat anderen het recht meenen te hebben te zeggen, dat de vrijzinnige geloofsopvatting in strijd is met het Evangelie. Hier zal aangetoond moeten worden dat de belijdenis der Kerk niet juist is, met de hand op Gods Woord.

Confessioneel en antisconfessioneel.

Het is volkomen juist, wanneer Dr B. zegt, dat in de Kerk een confessioneel en een anti-confessioneel kerkbegrip worden gehuldigd, die niet zijn te vereenigen. Ons Kerkbegrip is inderdaad confessioneel. Naar de confessie, de belijdenis, en wel naar de belijdenis van de Kerk zelf. Zoo behoort het ook. Het moet niet anders en het mag niet anders. Onder dit Kerkbegrip hebben wij allen te buigen. En het zal niet goed worden in de Kerk, vóór dit geschiedt. Het anti-confessioneele Kerkbegrip is hiermee in strijd. Als iedere richting eigen verantwoordelijkheid krijgt te dragen en zij zich gezamenlijk onder de opdracht der Kerk en haar Belijdenis (punt 4) moeten stellen, zal iedere richting dit doen naar eigen opvatting over opdracht en Belijdenis. Hiermee wordt de Kerk niet gediend, maar wordt zij zelf bedreigd.

Samenspreking en uitdrijving.

Ten slotte nog een enkel woord over samenspreking en de voorwaarde tot practisch werk en geestelijk gesprek. Tegen samenspreking op zichzelf behoeft o.i. geen bezwaar te bestaan. We weten trouwens, dat er reeds mee begonnen is. In het Weekblad van de Ned. Hervormde Kerk deelt Kerkelijk Overleg o.m. mede, dat van 11—13 Juni op „Landszegen" te Doorn een aantal predikanten en hoogleeraren is bijeen geweest, op initiatief van de Commissie voor Kerkelijk Overleg. Als doel van dit samenkomen wordt gesteld : Een open en christelijke bespreking van het richtingsvraagstuk, dat zulke diepe schade in ons kerkelijk leven aanricht en steeds het struikelblok vormt bij elke poging om tot waarachtige vernieuwing van het kerkelijke leven te komen. Nu er allerlei in de Kerk gaande is, gevoelde men, dat zulke vergaderingen noodig zijn om zoo mogelijk ook hierin tot meer helderheid en zuiverheid te geraken. De samengekomenen waren daarom vertegenwoordigers van de verschillende richtingen in de Kerk". De weg om tot een open christelijk gesprek te komen was deze, „dat men zich gezamenlijk geschaard heeft om eenige gedeelten van het Woord Gods, en dit ernstig en onder biddend opzien tot God met elkaar heeft onderzocht en tot zich laten spreken".

De bedoeling is, dat het bij deze eene samenkomst niet blijft, maar dat deze besprekingen worden voortgezet om daarmee op den achtergrond het werk der Kerk te dienen. Onder de onderteekenaars van de mededeeling treffen we ook aan de namen van Prof. Severijn en Ds H. Schroten van Charlois. Bij deze samensprekingen zal echter telkens worden gevoeld dat het onder deze organisatie der Kerk niet verder komt tenslotte dan een ja en neen. De belijdeniskwestie kan onder dit bestuur niet worden uitgestreden. Vandaar blijft de eisch van de nieuwe Kerkorde, welke met het wezen der Ketk overeenkomt, een Kerk, die niet hindert, maar dient in de vervulling van haar — om dat woord te gebruiken — opdracht. Wat geenszins zeggen wil, dat de eene „partij" er op uit is om de andere uit te drijven. Maar het wil evenmin zeggen, dat men ieder gelijke rechten toekent op het erf der Kerk. Het gaat niet om uitdrijving van de een of ander, maar het gaat om het buigen onder het Woord en het handhaven der belijdenis. Wanneer iemand het met die belijdenis beslist oneens is, dan kan dit van zulk een beteekenis zijn, dat diegene zich daarmee plaatst buiten de gemeenschap der Kerk. Welk.recht zou men dan binnen die Kerk kunnen laten gelden ? De Kerk heeft hier de roeping het gezag des Woords te laten spreken. Geschiedt dat niet, dan wordt het Woord zélf aangetast en uitgedreven. Dan komen we er niet met alleen te spreken over het Evangelie van Jezus Christus. Zelfs niet door in de Kerk alleen de Bijbel te noemen. In zijn Proeve over de middelen, waardoor de waarheid wordt gekend en gestaafd, zegt Mr G. Groen van Prinsterer (blz. 28) : „De Bijbel! o, ja, daarmede is elk tevreden, omdat elk zijn geloof er in vindt.... Ieder ketter heeft zijn letter ; zelfs de Pausgezinde beweert, dat de onfeilbaarheid en het alvermogen van den Paus op den ondubbekinnigen inhoud der bijbelsche schriften berust''.

Een confessie moet er zijn. En in deze confessie moet men één zijn. Dat is geen onverdraagzaamheid, maar in 't wezen der Kerk zelf gegrond. Op blz. 27 van bovengenoemd geschrift van Groen teekent hij een opmerking van Bilderdijk aan : „Die der Kerk zijn gevoelen wil opdringen tegen de Confessie, deze is de onverdraagzame, de dwinger, de intrusor, (indringer), de schender der maatschappelijke regten, de Consciëntie-gewelddoener.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juli 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De richtingsverhoudingen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juli 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's