NIENKE
FEUILLETON
VERHAAL UIT 'T FRIESCHE VOLKSLEVEN
(Met toestemming Uitgever J. H. Kok te Kampen) 94)
Een. diepe zuclit ontsnapte aan de borst van Ds Buitenveld. Eigenaardig, maar hoe ouder hij werd, hoe meer het gewicht van het ambt hem begon te drukken.
„'k Hoop niet, dat ik u bedroefd heb, dominé, want u weet, hoe lief ik u heb en hoe goed ik het met u meen. Ook bedoelde ik allerminst persoonlijk te zijn, want gewoonlijk is het Koninkrijk Gods daarmede niet gediend, maar we hadden het over 't geen de komst van dat Rijk in den weg staat. Daaraan hebben wij allen, heel de gemeente, hoofd voor hoofd, deel, en daarom moeten wij telkens maar weer onderzoeken of er ook schadelijke wegen bij ons zijn, met de bede, dat de Heere ons leiden wil op den eeuwigen weg. Voor het overige, geloof ik, dat er in onze gemeente ook nog wel lichtpunten zijn op te merken, die tot dankbaarheid stemmen".
't Was echter, alsof deze laatste woorden in het geheel geen vat op den prediker hadden. Zijn gedachten waren al te zeer bepaald bij hetgeen hem terneerdrukte. Ditmaal kon hij onmogelijk daar boven uit komen, gelijk dat anders dikwijls gebeurde, als hij met een bezwaard hart hier kwam en zoo opgewekt en vroolijk weer heenging.
Plotseling veranderde hij van onderwerp. „Heb je ook nog iets naders van die reis van de weduwe Paulussen en Melle: naar Amsterdam vernomen ? " vroeg hij.
„Oude Jacob sprak er mij van", was 't antwoord.
„En ? "
„'t Schijnt, dat haar dochter nogal ernstig ziek geweest is, maar dat het ergste voorbij was, toen de familie kwam. In elk geval moet er beterschap zijn ingetreden".
„Vreemd, dat het meisje nooit thuiskomt ; 'k heb haar, dunkt me, maar eenmaal weergezien, sinds zij Zevenhuizen verlaten heeft en dat was kort na 't vertrek van hier".
„'k Vrees, dat de groote stad ook dat leven, gelijk van zoo menig ander, heeft ingeslokt", klonk het op somberen toon.
„'k Vraag het, omdat onze dienstbode klanken opgevangen heeft, die echter op zichzelf niets beteekenen, maar waar zoo lichtelijk iets verkeerds uit gedistilleerd wordt. Melle moet zich ietwat vreemd hebben uitgelaten".
Als men geheimen bewaren wil, is het beter, Melle er buiten te laten", zei Pier Boukes droog.
„Dacht je, dat er dus wel iets te bewaren was? "
Thans scheen de grijsaard met zichzelf in tweestrijd te zijn. Eenerzijds hield hij voor den dominé niet graag iets verborgen en aan den anderen kant was hem het zwijgen opgelegd.
„Zou u, indien u dit noodig acht, van vrouw Paulussen zélf de noodige inlichtingen niet kunnen vragen ? Oude Jacob heeft mij geheimhouding verzocht",
Daaraan kende Ds Buitenveld weer den echten Fries. Trouw jegens elk, om nooit een eens gegeven woord te breken, onverschillig, wien dit gold.
„'k Ben het met mijzelf nog niet eens, wat ik doen moet. Aan den eenen kant wil ik de weduwe wel opzoeken, omdat zij misschien wel behoefte heeft aan een troostwoord, maar aan den anderen kant ben ik bang dat er allicht een verkeerde uitlegging aan gegeven zal worden.
We komen nu eenmaal niet vaak bij die menschen, en vrouw Paulussen behoort niet tot de kerkgangers. Wat de eigenlijke reden is, dat zij 's Zondags altijd thuis blijft, is mij niet duidelijk, maar op huisbezoek heeft zij allerlei verontschuldigingen".
Toen was het alsof een zachte glimlach over het gelaat van Pier Boukes trok. Vriendelijk keek hij den dominé aan en zeide : „Een zeker mènsch !"
De uitwerking van dit woord was verrassend. Oogenblikkelijk begreep hij. Daarom had dus de oude man al dien tijd over dit onderwerp gezwegen. Niet, omdat die prediking hem voorbij was gegaan of zijn instemming niet had, maar omdat zij telkens weer voor iedereen als een aanklacht op de zielen los kwam, omdat zoo lichtelijk het voorbeeld van dien priester en Leviet werd gevolgd. Had Ds Buitenveld anderen gepredikt, om zélf verwerpelijk te zijn ? Bestond de mogelijkheid, dat ook in zijn onmiddellijke nabijheid menschen gevonden werden, aan zijn zorg en hoede toevertrouwd, doch verwaarloosd, omdat men nu eenmaal geen oog voor deze had en zij „d'r niet bij" gerekend werden ? Fatsoenlijke menschen misschien, aan wie op 't eerste gezicht niets bizonders viel op te merken, maar niettemin gevallen in handen van de moordenaars en naakt uitgeschud ? Met een ziel in zich, die schreeuwde van honger en verging van dorst ?
Opeens voelde hij, hoe het schaamrood zijn aangezicht kleurde. Hier viel niets tegen in te brengen. De les was verdiend en werd aangenomen. Met iets weemoedigs keek hij in de trouwe oogen van den ouden kerkdienaar.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juli 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juli 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's