Zout en zuurdeeg
Het zal ons wel niet moeilijk vallen om de teksten te vinden wiaar de Christus spreekt over zout en zuurdeeg. Tot de discipelen zegt de Zaligmaker : Gij zijt het zout der aarde. En eens sprak Hij de gelijkenis van het zuurdeeg. Dit werd verborgen in het meel en het doorzuurde het geheele deeg. We gevoelen onmiddellijk dat we nu met de woorden zout en zuurdeeg wijzen op wat een christen in deze wereld moet zijn. Wat van hem of haar mag worden verwacht. Een artikel in het Algemeen Weekblad voor Kerk en Christendom, geschreven door J. Dekker, wijst hierop. Rake dingen worden hierin gezegd en we doen goed deze ter harte te nemen. D. begint met er op te wijzen dat, wie maar eenigszins zich verbonden gevoelt aan de Christelijke Kerk, in onzen tijd telkens de neiging heeft of zelfs de behoefte „het Christendom, het Christelijk geloof of de Kerk te verdedigen. Een begrijpelijke en sympathieke drang, al is ze niet altijd tot een geesteshouding, die Kerk en Christendom mogen goedkeuren, omdat ze vaak niet is uit het geloof. De neiging om dit kostbaar goed te verdedigen hebben wij allen. Met dit verweer zijn we dan al jaren lang bezig. D. beweert dat in het grootste deel van de 19e en 20e eeuw de Christenen zich geroepen gevoelden te „verdedigen" We werden telkens in 't geweer geroepen omdat er zeer dringende gevaren waren. Maar toen hebben we, volgens D. muren opgetrokken, op stevige fundamenten, grondslag noemden we die graag, en we zijn er achter gekropen en hebben ons veilig gevoeld als ........ ja als een monnik in z'n klooster. Ook wij leefden in een groep van gelijkgezinden, afgesloten van anderen die tot een andere groep behoorden, en er dus buiten moesten blijven. We zijn tegen Roomsche kloosters, maar leefden wij er geestelijk niet in, zij het zonder kuischheid. gehoorzaamheid en armoede ? Vervolgens legt D. er de nadruk op, dat wij de weg hebben verloren om tot de menschen te gaan, terwijl de wereld rondom ons verkommert, omdat zij Christus niet kent. Wij willen dat de menschen tot óns komen, maar om allerlei redenen gaan wij niet uit in de straten. We laten dit over aan organisaties, die speciaal op dit terrein werken of aan dominees, die er voor „voelen". In groote meerderheid geven wij ons niet. Naast onze plichten, genoegens en begeerten, die we hebben, sluiten wij ons op achter veilige muren en bewaken met meer of minder fanatisme het erfdeel der vaderen. Het gaat er echter om te werken als zout en zuurdeeg, naar Christus' Woord. „En zout én zuurdeeg werken pas, zijn pas genietbaar, als ze voedsel en deeg doortrekken. Het zout verdwijnt er bij. En het zuurdeeg gaat in de oven. Maar ze hebben hun werk gedaan." D. gelooft, dat dit weer het beeld moet worden van het werk door Christenen in allerlei positie verricht. We moeten open staan naar alle kanten, niet om beïnvloed te worden, maar om te doortrekken „wat zónder dat laf en klef blijft." Zonder dit zout en zuurdeeg kan geen volksgemeenschap opgebouwd worden, levend en.sterk door de geest, die haar vormt.
Het Nederlandsche volk heeft een taak in deze wereld, als het naar Christus luistert. Dit zal echter niet kunnen door 95% van het Nederlandsche volk Zondags in de kerk te brengen. Neen, dat kan niet. Maar wel kan 95% van ons volk door zout en zuurdeeg doortrokken worden, „mits dat niet hier of daar veilig opgeborgen blijft, maar op de plaats van z'n werkzaamheid terecht komt!" Van man tot man kan zoo de geest van het volk beïnvloed worden, 't Is nu niet de tijd voor massabijeenkomsten, „waar sprekers drommen in 'n vuur zetten, dat al te gauw was uitgegloeid''. Ieder moet nu in zijn kring een levend lidmaat zijn.
„Verschillende van onze Christelijke vereenigingen leken te veel op kudden lammeren of schapen (met een enkele belhamel), die door herder of herdershond werden beveiligd en voortgedreven. Maar Christus zendt ons als schapen temidden der wolven! Dat is de positie van het zout en het zuurdeeg!"
Dit kan niet zonder gebed. De beste voorbereiding voor deze roeping is : gemeenschapsoefening met God. Maar daarbij moet de Kerk middelen vinden om hen, die God geleerd heeft zout en zuurdeeg te zijn, te gebruiken ten bate van „het diaconaat van de Kerk aan de wereld". „Uit elke groep van nieuwe lidmaten moeten althans enkelen leeren, doordacht en zoo mogelijk systematisch, wat het beteekent dat ze het stuur van hun leven in Christus' handen hebben gelegd". Christus heeft het meest absoluut recht op Zijn volgelingen. Voor Hem moet ieder onzer alles over hebben. „Dit blijven groote woorden, als we voor onszelf en voor anderen niet preciseeren, wat dit „alles" inhoudt. Getraind moeten we er in zijn, te constateeren : „Wat belet mij, vandaag, tegenover ieder met wie ik in aanraking kom, getuige van Jezus Christus te zijn ? " Getraind moeten we er in zijn de kansen te gebruiken, die God ons geeft".
Het zal D's bedoeling met dit artikel niet zijn de verdediging, het verweer tegen dreigende gevaren af te keuren, 't Zal ook zijn bedoeling niet zijn te zeggen dat het wel zonder fondamenten kan. Tevens zal hij ook wel niet willen beweren, dat het erfdeel der vaderen niet mag worden verdedigd. We hebben toch de roeping van Gods wege 't pand, dat ons wordt toebetrouwd, te verdedigen, te bewaren. We hebben te letten op alle gevaren, die dreigen, van welke zijde ze ook komen. Een fundament, een grondslag is hierbij onmisbaar. We mogen zelfs de klacht wel uiten: Had men in de 19e en 20e eeuw maar beter verdedigd en zich maar beter verweerd. Ware er b.v. in het begin der 19e eeuw maar alom in de Kerk heilig verzet geweest, waar geestdriftig verweer tegen het onrecht dat men de Kerk ging aandoen. Was er bij het voortgaan der jaren maar meer ijver geweest voor het vaderlijk erfdeel, een ijver, die voortsproot uit hetzelfde leven, dat ook die vaderen bezielde en hen martelaars deed zijn voor de goede zaak. Ware er ook nu meer van die ijver en die verdediging ! Want dan is er geen sprake van tegenstelling met zout of zuurdeeg zijn. Allerminst. Zulk verweer, zulk bewaren, is juist zout en zuurdeeg zijn. Maar D. bedoelt onge twijfeld een vaak geesteloos verweer, en, zoo gezegd, vasthouden aan der vaderen erfdeel — zonder dat het léven er is, waarom het gaat. Zonder dat de roeping verstaan en betracht wordt, die men in de Kerk en in de wereld heeft. Over den naaste bekommert men zich niet. Als men maar met gelijkgezinden achter hooge muren zit, dan is alles in orde.
We gevoelen wel, dat dit met het waarachtig christen-zijn in lijnrechten strijd is. Op de Pinksterdag blijven de deuren niet gesloten, zoodat de discipelen alleen onderling wat spreken over de uitstorting van den Heiligen Geest. Neen, de deuren zijn open. De schare stroomt toe! Zoo moet het ook nu zijn. De gemeente, die Christus als haar Heere erkent, die geleid wordt door Zijn levendmakenden Geest, moet open deuren hebben naar de wereld. Niet, om die wereld vrij binnen te laten, maar juist om die wereld aan te grijpen en te beïnvloeden. Dat is roeping van Godswege. Dat mag door niemand aan de een of andere vereeniging of commissie worden overgelaten, of aan menschen, die daar wel wat voor „voelen"'.
Hier hebben wij allen naar te „zoeken". Allen aan mee te werken. We weten wel, dat er menschen zijn, door God toegerust met bizondere gaven om zout en zuurdeeg te mogen zijn. Maar dat mag u, die misschien maar één talent hebt, er in geen geval toe brengen om dat eene talent dan te begraven. Dat wekt den toorn des Heeren op. Weet dat wel. Hier moet gearbeid worden naar de gaven, ons geschonken. Hier moet vooral de stille en ootmoedige wandel zijn in de vreeze des Heeren. De gemeenschapsoefening met God in Christus door 's Heeren Geest moet hier vooral worden genoemd. Hoe zou iemand, als dat gemist wordt, zout en zuurdeeg kunnen zijn ? En als de harten brandende zijn, dan is er altijd wel een gelegenheid om van den Gezalfde des Heeren te getuigen.
De Kerk moet toch een goede reuke van Christus zijn.
Hier onderzoeke een iegelijk zichzelf.
En ga dan vooral niet beginnen met de vraag : Ja, maar, wat zal er van dat doortrekken en beïnvloeden en veranderen terecht komen ? Dat is Gods zaak. Die is bij Hem volkomen veilig. Laait die dan ook in Zijn handen. Wij hebben genoeg te doen met de vraag : wat ben ik in de wereld, in de Kerk ? Wij hebben genoeg te doen met het gebed : Heere, vervul ons met Uwen Geest.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juli 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juli 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's