Gereformeerd?
Wat is eigenlijk orthodox ? Dat is een vraag, die gesteld mag worden. Alleen dan moet zij nader bepaald, b.v. wat is orthodox-gereformeerd ? Velen stellen prijs op den naam gereformeerd, voor sommigen is het een shibboleth, anderen bestrijden elkander het gereformeerd zijn en weer anderen nemen het zoo algemeen, dat gereformeerd geldt, wie niet roomsch is.
Er is daarom aanleiding om te vragen : wat is eigenlijk orthodox-gereformeerd?
Deze vraag kan zonder twijfel even kort als afdoende worden beantwoord, als men zegt: belijden, wat de gereformeerde confessie belijdt. In formeelen zin althans kan niemand daarop tegen hebben, hoewel men in de materie der belijdenis op verschillende punten toch weer verschillend kan denken.
Wij willen het bij zulk een kort antwoord niet laten, maar een en ander nader beschouwen. Beginnen wij met de 37 artikelen des geloofs, dan ontdekken wij, dat de gereformeerde belijdenis met een vrij algemeen geloofsstuk aanvangt.
Wij gelooven allen met het hart en belijden met den mond, dat er is een eenig en eenvoudig geestelijk Wezen, hetwelk wij God noemen. Tot zoover is dit zoo algemeen, dat ook de Mohammedaan dat kan onderschrijven. Zelfs het heidendom heeft een besef van de Godheid, als van een geheel anders zijn. Dat is wel veel vager dan de belijdenis van een eenig en eenvoudig geestelijk wezen, doch het wijst toch op een algemeen menschelijk gevoelen.
Hoewel dit voor de algemeenheid der religie, en de werking van het religieus gevoel in de menschheid pleit, kan men het nog geen religie noemen, als iemand aanneemt, dat er een God is. Ook Calvijn heeft zich in dezen zin geuit. Daarom zegt de belijdenis gelooven met het hart en belijden met den mond, waarmede op het waarachtig geloof wordt gedoeld. Het aannemen, dat er een God is, kan uiting geven aan een algemeen menschelijk gevoelen, maar gelooven met het hart raakt het gansche leven. Uit het hart zijn de uitgangen dés levens en als het hart gelooft aan God, is er een leven uit dat geloof. Dat geloof wordt de allesbeheerschende factor in des menschen leven. De mensch weet zich in een religieus-zedelijke verhouding tot God te staan, welke haar eischen stelt aan het leven en gepaard gaat met kennis, vertrouwen en liefde.
Vandaar dan ook, dat de geloofsbelijdenis bij zulk een algemeen getuigenis van een eenig en eenvoudig geestelijk wezen niet blijft staan. De God der religie is niet een wijsgeerige idee, maar een levende God, met Wien de geloovige in levende betrekking staat. Over deze eerste bepaling zou men ook met de philosofen kunnen spreken. Dat echter is niet de strekking der belijdenis, want het gaat niet over een Godsbegrip, maar over een levende werkelijkheid en over de ware religie en het religieuze leven.
Dit brengt ons reeds dadelijk bij een punt van discussie. Telkens weer kan men den indruk krijgen, alsof er zijn, die onderscheid maken tusschen gelooven en beleven.
Zeker is er zulk een onderscheid en men kan het zelfs een gereformeerde onderscheiding noemen, n.l. zóó, dat er een gelooven is als een geestelijk levende zaak, zoodat men van geloofsleven spreekt. Daarnaast onderscheidt men dan een verstandelijk aannemen, historisch gelooven, hetwelk ook met zekere vroomheid gepaard gaat, maar toch tot het leven van den geestelijken mensch niet komt.
Zóó echter wordt het onderscheid niet altijd genomen en indien men van den geestelijken mensch, de wedergeboorte, het waarachtige geestelijke leven e.d.g. gewaagt, kan dat ergernis wekken. Men denkt dan al te haastig aan mysticisme, doopersche neiging, overgeestelijkheid, bekrompenheid of iets van dien aard. Bevinding en beleving worden in de theologische beschouwingen nogal eens aangevallen en zelfs als onschriftuurlijk aangemerkt. Zoo heeft het op zijn minst den schijn, alsof dat ongereformeerde toevoegsels en bijmengsels zouden zijn.
Aan den anderen kant kan men niet ten onrechte op mysticisme en overgeestelijkheid wijzen, terwijl degenen, die zich daaraan schuldig maken, veelal bij uitstek gereformeerd willen zijn.
Zoo heeft de orthodox-gereformeerde aan beide zijden te waken, opdat hij niet loslate, wat inderdaad gereformeerd is, en aan den anderen kant de eenzijdigheid bestrijde, welke aan de gereformeerde belijdenis te kort doet.
Wie meent, dat de nadruk op het geloofsleven ongereformeerd is, dwaalt, maar wie een valsche mystiek voor goed-gereformeerd houdt, dwaalt evenzeer.
Reeds uit het algemeene stuk, dat de belijdenis vooropstelt, volgt dat het geheele leven des menschen in het licht der religie verschijnt. Het leven als zoodanig wordt geloofsleven, leven uit het geloof. Dat ligt maar niet in de belijdenis aangaande God besloten, doch wordt klaar en duidelijk uitgesproken. Men kan zich daarvan overtuigen, indien men kennis neemt van die belijdenis.
Vooreerst gaat het eerste artikel voort met de belijdenis van de deugden Gods.
Welnu, hoe kan men met het hart gelooven, dat God zoodanig is, als hier beleden wordt, zoo men de werkingen die deugden in het hart niet gevoelt? Ook hier geldt het geen begrippen, die men Gode toeschrijft, maar de waarheid, welke het geloovig hart beleeft.
Het weeskind, dat zijn vader nooit heeft gekend, zijn vaderlijke zorg nimmer heeft ervaren, zijn kastijdende hand nimmer heeft gevoeld en door zijn liefde nimmer werd gestreeld, kan moeilijk over de deugden van zijn vader getuigenis geven, tenzij dan van hooren zeggen. Dan echter zou het moeten verklaren: men zegt, dat mijn vader een voortreffelijk man is geweest, maar ik heb dat nimmer in mijn leven gezien. Hij kan met zijn mond belijden, wtat anderen, misschien zelfs oudere broers en zusters, verklaren, hij zal misschien ook een ideaal beeld van zijn vader maken, maar het leeft niet. De ervaring, het leven van deze persoonlijke betrekking ontbreekt.
Dit is een voorbeeld uit het aardsche leven, maar een voorbeeld, dat niet zoo vreemd aan de Schrift is. Zonder daarvan misbruik te maken, kan men zeggen, dat men ook aangaande de deugden van den hemelschen Vader slechts van hooren zeggen kan spreken, indien die kennis uit de levende en persoonlijke betrekking niet aanwezig is.
Indien men met het hart gelooft, dat God rechtvaardig is, moet daaraan toch in het leven iets beantwoorden, dat aan alle tegensprekers in het eigen binnenste het zwijgen oplegt?
En datzelfde geldt aangaande de andere in de belijdenis genoemde deugden.
Dit krijgt nog te meer klem, omdat in een iegelijk, die deze belijdenis van harte onderschrijft, al de tegenwerpingen en levensvragen opkomen, die in den ongeloovige huizen. Het is alles zoo menschelijk. Wie meent, dat de man, die deze dingen belijdt, in eigen gemoed niet alle tegenstanders heeft gevonden, die hem van buiten af benaderen, vergist zich daarin. Hij heeft ze gevonden en zij kunnen het hem nog wel moeilijk maken, maar, als het geloof in den Christus wortel heeft geschoten kunnen zijniet meer de overhand nemen.
De geloofswaarheden zijn geen uitgeholde begrippen, maar levende werkelijkheden. Wie belijdt, dat God rechtvaardig is, lankmoedig en groot van goedertierenheid, en dat van ganscher harte gelooft, heeft dat in den strijd des levens geleerd. Het is zelfs nog geheel iets anders dan een theologische uiteenzetting of beschouwing. De theoloog heeft tot taak de verschillende stukken der leer in verband te zien, maar de leer op zich zelf is een vrucht van geestelijk leven. Ook al weer niet zoo, dat ieder geloovige op zijn eigen wijze een leer trekt uit zijn eigen geloofsleven, om een belijdenis op eigen hand te formeeren, Neen, wie reformatorisch leeft, zal zijn eigen geloofsleven toetsen aan dat leven, hetwelk hij bij de apostelen en profeten aantreft. Wat daarmede overeenstemt, zal hij voor waarheid houden om zich daaraan te onderwerpen en daaraan te houden en wat daarmede niet overeenkomt, vraagt om onderzoek, gebed, en zuivering, opdat zijn geloof in alle deelen overeenstemt met de religie des Woords.
Vóór alles gaat het dus om het leven der waarachtige religie. En nu valt de klemtoon zeer bepaald op dat waarachtige. Het behoeft immers geen betoog, dat religie een levensopenbaring is. Het leven is vol van religieuse verschijnselen ook buiten de kerk. De kerk echter pretendeert aan het waarachtige leven deel te hebben, ja, uit den wortel des levens op te komen. Daarom noemt zij zich de kerk van Christus of de gemeente des Heeren. Haar leven is het leven der gemeente des Heeren en zij meet dat niet af aan de verschijnselen, die zich in een bepaalden kring van kerkelijk leven voordoen, maar evenals de enkeling zijn geloofsleven heeft te toetsen aan de religie des Woords, heeft de kerk als geheel zich daarnaar te reguleeren.
Dat is hetgeen de gereformeerde belijdenis leert en dat moet dan ook als gereformeerd gelden.
De gereformeerde orthodoxie kan zich derhalve niet tevreden stellen met een leer, want zoodra zij aan de leer raakt, raakt zij aan het leven. Zij gaat niet op in een theologische rechtzinnigheid, maar reeds haar leer wil openbaring des levens zijn.
Van uit een zoo algemeen stuk als de belijdenis van den eenigen God, gaat zij getuigen van de deugden Gods. Daarin bedoelt zij niet uiteen te zetten, hoe zij over God denkt, welke begrippen zij aan een idee van God verbindt, maar degenen, die zich daar aandienen met „wij"', wij gelooven met het hart en belijden met den mond, spreken uit, hoe God zich jegens den mensch te kennen geeft.
Vandaar de vraag, die stilzwijgend wordt ondersteld, hoe weet gij dat alles ? Vanwaar die kennis van God ? Daarop geeft het tweede artikel een antwoord.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juli 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juli 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's