NIENKE
FEUILLETON
VERHAAL UIT 'T FRIESCHE VOLKSLEVEN
(Met toestemming Uitgever J. H. Kok te Kampen) 95)
„Ik geloof, dat je gelijk hebt, Pier Boukes, en ik had het kunnen weten", sprak hij, en de daad bij het woord voegende, stond hij op, als wilde hij aanstonds goed maken, wat zoolang verzuimd werd. De aangesprokene deed evenwel óf hij dit niet merkte. Met onverstoorbare kalmte vervolgde hij : „Gelukkig, dat er ondertusschen iemand kwam om de diensten van den Samaritaan te vervullen".
„Dus ik kom daarvoor reeds te laat ? Wie is het dan, die haar vond en hielp ? " vroeg Ds Buitenveld teleurgesteld.
„Nienke van Gurbe Huitema" — antwoordde Pier.
„Nienke!" Een oogenblik maakte deze naam den predikant stil. 't Was opmerkelijk, hoe vaak dit meisje in den laatsten tijd zijn weg kruiste. Van Mini Santema wist hij, welk een invloed zij op haar innerlijk leven had uitgeoefend, zonder dit zelf ook maar te vermoeden. Toen onlangs de familie Krips zoo onverwacht in rouw gedompeld werd en hij daar heen ging om te condoleeren en zoo mogelijk woorden van troost te spreken, had hij haar daar ontmoet om te helpen en naderhand had mevrouw Krips hem gezegd, toen hij daar nog even opliep, dat zij nooit geweten had welk een edel meisje daar onder het dak van den schoenmaker woonde. En nu was zij het weer, die als gedienstige van vrouw Paulussen uit het Armvoogdijkamertje optrad. Hoe kwam dat toch, dat zij zoo overal te vinden was, waar iemand hulp noodig had en wat dreef haar daartoe! Dat deden andere meisjes van haar leeftijd, zooals Sjoukje van den bakker, of haar buurmeisje, of de dochter van meester de Bruin toch ook niet. Gewoonlijk was het zoo dat alle hulp goed betaald moest worden en wie dit niet deed of niet kón doen, was er in de meeste gevallen niet best aan toe. rn Nienke gaf zich. Heel bescheiden, zonder zich op te dringen, maar dan ook zonder te vragen welke offers er moesten gebracht worden, of wie het waren, die deze vroegen. Hedwig Krips was er door beschaamd geworden, omdat zij nog al eens op haar had afgegeven, zoo zei ze.
„En zou daar dan niets te doen zijn overgebleven ? " vroeg hij.
„Ongetwijfeld; vooral voor u, als predikant; 'k zei het alleen maar om u in zooverre gerust te stellen, dat de weduwe niet meer geheel aan eigen lot is overgelaten". „'k Zal haar zoo spoedig mogelijk een bezoek brengen", sprak Ds Buitenveld. Toen nam hij met een warmen handdruk afscheid, tot aan de poort van het kerkhof door Pier Boukes uitgeleid.
En tóch was hij bij het heengaan niet als gewoon. Hoe het kwam, was moeilijk te verklaren, doch een zekere onvoldaanheid bracht hem uit de stemming. Diep in gedachten liep hij het kerkpad langs, om den weg naar buiten in te slaan, in de richting van Westergoo. Hij wenschte alléén te zijn en had daar de meeste kans. Een vredige avond daalde over de velden. De arbeid van den dag was weer beëindigd, 't Pas gemolken vee liep te grazen. Hier en daar stond nog een blauw gekielde werkman om in zijn vrijen tijd eigen akker te verzorgen. Uit de verte klonk nu en dan het gegons van een motor. In het kanaal, dat langs Zevenhuizen liep, gleed, nauw merkbaar, een groote tjalk met de zeilen slap langs de mast. Ginds lag „Donia State"" met zijn rood pannendak, en daarachter de boerderij van Piersma. 't Haantje op den toren waar de laatste stralen van de ter kimme nijgende zon op weerkaatsten, blonk in de ondergaande zon. Op de bouwlanden, waar de oogst werd ingehaald, begon het al doodsch te worden. Zwarte stronken of dorre stoppels vertelden, dat hier boonen en vlas waren verbouwd geweest, 't Stervend aardappelloof, eigenlijk nog vóór de vrucht gerijpt was, verried de gevreesde ziekte.
Frisch kwam daar tegen uit het bietenveld, waar de knollen in de vette klei groeiden als kool en een hoog suikerpercentage de arbeid loonde. Langs den slootkant liep een reigerpaar, voedsel zoekende voor zijn jongen. Maar voor dit alles had Ds Buitenveld ditmaal geen oog, hoe Hef hem anders de natuur ook was. Steeds weer moest hij denken aan het gevoerde gesprek. Hoe had het hem van het begin tot het einde veroordeeld. Eigenaardig, hij meende zijn gemeente zóó in alles te kennen en in elk opzicht zeer getrouw te zijn in den arbeid. Vele collega's deden niet half, wat hij deed, zoodat de ijver van Ds Buitenveld algemeen bekend was en nogal eens als voorbeeld voor anderen diende, die zich gemakkelijker van hun taak afmaakten, en daar had hij plotseling ontdekt, hoeveel er nog aan ontbrak en in hoeveel ook hij nog tekort schoot. Niet alleen de gewone gemeenteleden en de raad der kerk, maar hij zélf ook. Zonder dit zelfs te willen. Met de beste bedoelingen en de heiligste voornemens en de vurige begeerte om getrouw te zijn.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juli 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juli 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's