MEDITATIE
VREES NIET
Vrees niet, gij klein kuddeken, want het is uws Vaders welhehagen, ulieden het Koninkrijk te geven. Lucas 12 vers 32.
Slechts weinigen zullen er zijn, die het beeld van den goeden Herder niet kennen. Dat heeft gesproken tot den mensch van alle tijden, waar hij zich ook bevond. Christus, de goede Herder, die zijn leven stelt voor de schapen. Hij kent de zijnen en Hij wordt ook van de zijnen gekend. En wie zal ze tellen, die in vol geloofsvertrouwen zich aan zijne hoede leerden overgeven, om door Hem bewaard te worden en geleid aan zeer stille wateren !
Hij is de goede Herder ; zij zijn de schapen zijner weide. Hij is God, boven allen te prijzen tot in eeuwigheid ; zij menschen, zwakke menschen, blootgesteld aan vele gevaren, en zonder eenige kracht in zichzelf. Niet, alsof zij zich dit altijd bewust zouden zijn. Want hoe vaak dwalen zij in eigenzinnigheid van den Heere af; hoe vaak meenen zij, in kortzichtigheid, het zonder Hem wel te kunnen. Nochtans ervaren zij het telkens en bij vernieuwing, dat bij den Heere alleen de sterkten zijn en dat slechts welgelukzalig zijn degenen, die op Hem betrouwen. Zelfs is het zóó, dat, wanneer de Heere zijn aangezicht voor hen verbergt, zij niets dan verschrikkingen vinden en geen stap meer durven gaan.
De Heere bemoedigt ze en noemt ze, opdat zij goed zouden weten wie ze zijn en ook blijven, bij hun juisten naam. Luister maar eens : vrees niet, zoo zegt Hij, gij klein kuddeken.
In deze aanspraak kunnen wij niets vinden, waarop wij ons zouden kunnen verheffen. Eerst is het : gij kuddeken; en dan nog eens : gij klein kuddeken. De Heere maakt zijn kinderen klein, maar ook houdt Hij ze klein. Tevens echter mogen wij er aan toevoegen, dat, als genade bij hen aan 't woord is, zij een welbehagen hebben in zwakheden; want als zij zwak zijn, dan ; zijn zij machtig.
Intusschen wekt deze aanspraak de ergernis op van den natuurlijken mensch; van den mensch dus zonder genade. Hij toch wil altijd iets zijn; hij wil met velen iets, neen, veel beteekenen; het is zijn natuurlijke aard zichzelven te handhaven en den indruk naar buiten te wekken, alsof hij iets ware. Vandaar dat hij zich zoo gaarne voedt met gedachten van grootheid en macht, en met een zeker welbehagen eigen wegen, die dan tot het gestelde doel moeten leiden, wenscht te bewandelen.
Gods ware kinderen, door Gods Geest herboren tot nieuw leven, worden van het een en ander wel afgebracht. Zij zijn niet groot, maar klein ; zij beteekenen ook zelfs niet een weinig, maar zij zijn den aarden flesschen gelijk ; sterker nog, hoe diep is hun val, hoe volstrekt hunne schande ; van koningskinderen zijn ze geworden slaven der zonde, in zichzelf melaatsch van het hoofd tot aan de voeten. Zij kunnen zich niet verheffen. Integendeel. Met gebogen hoofd kunnen zij zich slechts verlaten op genade en genade alleen!
En nu moet gij niet denken, dat dit zóó alleen maar bij den aanvang zou worden gekend. Dwaasheid! Ook bij den voortduur ; ja, liever, juist bij den voortduur wordt Gods kind gewaar niets dan ijdelheid te zijn, en Gods genade te behoeven om gerechtvaardigd en geheiligd en volkomen verlost te worden.
Neen, dan is het geen oorzaak tot ergernis meer, als de Heere de zijnen noemt. : gij klein kuddeken.
Immers, hoe klein zijn ze in zichzelf. Heere, zoo zeggen zij met David, neig Uw oor, verhoor mij; want ik ben ellendig en nooddruftig! Maar juist zoo mogen zij het ondervinden, dat bij den Heere gerechtigheden zijn en sterkten.
Dan is het ook geen oorzaak tot ergernis meer, als de Heere vooral den kleinen in den lande geeft om deel te hebben aan de erfenis der heiligen in het licht. Van den Heere Jezus Christus lezen wij, dat Hij den Vader dankte, dat Hij de dingen van het Koninkrijk den wijzen en verstandigen verborgen had en ze den kinderkens had geopenbaard. Gij ziet uwe roeping, broeders, zoo zegt ergens de apostel Paulus, dat gij niet vele wijzen zijt naar het vleesch, niet vele machtigen, niet vele edelen, maar het dwaze der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij de wijzen beschamen zou en het zwakke der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij het sterke beschamen zou. Gods Kerk is ook in deze : het kleine kuddeken. O, ik gevoel ook wel, dat het vleesch hier gekruist wordt, maar tevens, en daarvoor wordt de Heere tot in eeuwigheid geprezen, de genade wordt hier op 't hoogst verheerlijkt. Alzoo is geweest het welbehagen voor U!
Gij klein kuddeken. Het geldt ook hier het getal. Voor den mensch werkt rijkdom en eer verblindend, maar ook het groote getal; het groote getal is imponeerend. Wij zijn er als 't ware geheel op ingesteld. En toch, wat lees ik van het Koninkrijk der hemelen ? Zeker, op zichzelf zal het straks wezen een schare, die niemand tellen kan. Maar hoe was het met het Koninkrijk gesteld in de dagen van Noach ? Velen ? Zijn acht zielen velen, tegenover degenen, die voor eeuwig wegzonken ? Hoe was het met het Koninkrijk Gods in de dagen der Patriarchen ? Abraham wist het wel, toen hij met zijne voorbede kwam tot het getal tien voor de steden van Sodom en Gomorra. Maar ook die tien werden aldaar niet gevonden, al was 't ook, dat de rechtvaardige Lot vele jaren in hun midden had gewoond. En is het in de dagen des Nieuwen Verbonds anders ? Anders in de dagen van de omwandeling des Heeren ? Anders ook in onzen tijd ? Naar het getuigenis van den Heere Jezus Christus is de poort eng en dé weg nauw, die tot het leven leidt, en weinigen zijn er, die hem vinden.
Gij klein kuddeken. Deze aanspraak alleen is van ontzaglijke troost voor allen, die in hun zwakheid en onvermogen uitkwamen. Immers, de Heere kent zijne schapen. Hij weet het, waarom zij meenen, voor eeuwig te zullen omkomen ; en Hij kan en wil in alles voorzien. Zou voor Hem iets onmogelijk zijn ? Hij kan en wil en zal in nood, zelfs bij het naderen van den dood, volkomen uitkomst geven.
Ontga het ons echter evenmin, dat dit woord ons evenzeer onontkoombaar voor de vraag stelt of wij nu ook tot deze kleine kudde des Heeren behooreh. Dan toch alleen zal ook ons gelden wat de Heere den zijnen zegt: „Vrees niet, want het is uws Vaders welbehagen ulieden het Koninkrijk te geven".
Vrees niet. Vele malen vinden wij deze bemoediging in de Heilige Schrift; zóó nu komt de Heere de zijnen tegemoet; zóó komt de Heere de zijnen troosten.
O, als zij op zichzelven zien, dan is er zooveel reden om te vreezen. Allereerst zijn daar de zorgen en de moeiten des levens. Nooit heeft de Heere den zijnen een gemakkelijk en zorgeloos leven op aarde beloofd. Integendeel. In de wereld zoo zeide de Heere eens, zult gij verdrukkimg hebben. Nochtans, dat zij op den Heere zien en niet vreezen! Zoude Hij, die voor het leven zorgt en voor het lichaam, niet zorgen voor het voedsel en voor de kleeding ? De vogelen des hemels zaaien niet, noch maaien, noch verzamelen in de schuren, en toch, de Heere voedt ze; zouden zij dan door den Heere worden vergeten?
En dan vervolgens is daar de geestelijke nood, die zoo vaak hen in verlegenheid en in bezorgdheid doet nederzitten. Zie, zoo zegt de Heere ergens. Ik zend u als schapen in het midden der wolven. Wat vermogen zij tegen den satan, die zooveel machtiger is dan zij ? Wat tegen de wereld, die in zoovele gestalten haar giftige pijlen op hen schiet ? En ten slotte, hoe machteloos staan zij vaak tegenover hun eigen booze en arglistige hart! En wij denken aan mannen als Job, en David en Petrus! O, nietwaar, ziende op onszelf is er reden te over, om in vreeze onzen weg te vervolgen en met bezorgdheid te klagen : dezer dagen één zal ik omkomen in de hand mijner vijanden.
Vrees niet, zoo zegt de Heere tot den ellendige en nooddruftige; en Hij wijst daarbij op de vrijmacht zijner genade en op zijn souvereine ontferming, waardoor Hij zich nog ontfermt diens Hij zich ontfermt en barmhartig is, dien Hij barmhartig is.
Waar dit voor eigen hart ondervonden wordt, daar wijkt de vrees en wordt plaats gemaakt voor de aanbidding van Hem, die in Christus Jezus sieraad geeft voor asch en vreugdeolie voor treurigheid en het gewaad des lofs voor een benauwden geest. Ik zal niet sterven, maar leven, en ik zal de werken des Heeren verkondigen.
Daarop wijst ook het woord onzer overdenking. Vrees niet, gij klein kuddeken, want het is uws Vaders welbehagen, ulieden het Koninkrijk te geven.
Het Koninkrijk. Daarvan lees ik meer in de Heilige Schrift. Tot Nicodemus zegt de Heere Jezus : „Voorwaar, voorwaar. Ik zeg u, tenzij dat iemand wederom geboren wordt, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien".
Zonder wedergeboorte is het dus onmogelijk dat Koninkrijk te aanschouwen, In Lucas 22 vers 29 zegt de Zaligmaker tot zijne discipelen : „En Ik verordineer u het Koninkrijk, gelijkerwijs mijn Vader Mij dat verordineerd heeft; opdat gij eet en drinkt aan mijne tafel in mijn Koninkrijk, en zit op tronen, oordeelende de twaalf geslachten Israels".
En wat zullen wij meer plaatsen u voor de aandacht brengen. Onder dat Koninkrijk verstaan wij het Koninkrijk van Gods genade, zooals dat hier op aarde reeds wordt gezien in degenen, die naar Gods groote barmhartigheid werden wedergeboren tot een levende hoop door de opstanding van Jezus Christus uit de dooden, en dat straks in heerlijkheid zal worden aanschouwd, als de zaligheid, die bereid is om geopenbaard te worden in den laatsten tijd, Gods kinderen volheerlijk zal worden geschonken.
En zie, dat Koninkrijk nu wordt aan Gods, gunstgenooten gegeven. Het is een gave Gods. Het wordt dus niet verworven met inspanning van al onze krachten. Het wordt niet als eene belooning in het vooruitzicht gesteld. Neen, het is uws Vaders welbehagen ulieden het Koninkrijk te geven.
Het welbehagen Gods is dus de grond en de eerste oorzaak van Gods ontfermen. Daaruit vloeit Gods Kerk al het leven, al de zaligheid toe.
Zeker, ik weet wel, dat ook dit stuk de ergernis der wereld heeft opgewekt. Het eigengerechtige, onverbroken hart, dat nog altijd iets goeds in den mensch onderstelt, wil steeds den mensch God laten bewegen; wil altoos de oorzaak des heils bij den mensch nog zoeken.
Waar evenwel door genade het oog geopend werd voor eigen onwil en onmacht, maar ook voor de souvereine erbarming des Heeren, daar wordt de waarheid erkend van hetgeen Gods Kerk van alle eeuwen belijdt : „Wij steken het hoofd omhoog en zullen d' eerkroon dragen, door U, door U alleen, om het eeuwig welbehagen". De Heere blijkt dan de eerste in het zoeken van den mensch. Niet wij hebben Hem gezocht, maar Hij heeft ons gevonden. Hij opende ons oog voor onze algeheele verlorenheid, maar ook voor de dierbaarheid en algenoegzaamheid van Sions Borg en Zaligmaker; ja, door zijn Heiligen Geest legde Hij niet alleen de bede op de lippen : „O God, wees mij zondaar genadig", maar evenzeer voerde Hij ons door dienzelfden Geest in het binnenst Heiligdom, om daar zalig te stamelen in Christus, zijnen Zoon : „Abba, Gij zijt mijn lieve Vader''.
Nietwaar, nu gaat ons het volle licht op over het woord des Zaligmakers tot zijn duur gekochte Gemeente: „Vrees niet, gij klein kuddeken, want het is uws Vaders welbehagen ulieden het Koninkrijk te geven". Het eeuwig welbehagen Gods is het welbehagen des Vaders; des Vaders van den Heere Jezus Christus; o zeker ; maar in Hem ook het welbehagen des Vaders van al degenen, die in Hem zijn uitverkoren voor de grondlegging der wereld en in Hem worden wedergeboren tot een levende hope. God in den hemel, de souvereine en volzalige God, staat niet ver, o zoo ver van hen af, zoodat Hij niet weten zou van hun zorgen en van hun nood; neen, Hij is hun Vader, die hun schenken zal wat zij behoeven voor den tijd en voor de eeuwigheid. Vrees daarom niet, gij klein kuddeken!
Lezer, is dit alles nu ook voor u ? Wij willen besluiten met een woord van den apostel Petrus. Daarom, broeders, benaarstigt u te meer om uwe roeping en verkiezing vast te maken ; want dat doende, zult gij nimmermeer struikelen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juli 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juli 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's