De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE HISTORIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE HISTORIE

Luthers verklaring van Paulus' Brief aan de Galaten

6 minuten leestijd

De vrucht van het Evangelie, dat vrijmaakt van de Wet. Vers 1—7.

Hoofdstuk IV.

De vrucht van het Evangelie, dat vrijmaakt van de Wet. Vers 1—7.

Vervolg vers 3 .

De wetten des keizers vallen onder de „eerste beginselen der wereld" ; zij behooren tot het leven hier beneden, wijl zij handelen over geld, bezit, erfenissen, moord, echtbreuk, roof, enz.

De zoogenaamde geestelijke en pauselijke wetten hebben betrekking op het huwelijk en het verbod om bepaalde spijzen te eten. Paulus noemt deze dingen „leeringen van den duivel" (1 Timotheüs 4 vers 1). Zij vallen ook onder de „eerste beginselen der wereld", omdat zij in strijd zijn met het Woord van God en over uitwendige kwesties gaan.

Waar dus de Wet van Mozes uitsluitend zaken aan de orde stelt, welke het tegenwoordige leven aanbelangen, en zij slechts maatschappelijke en innerlijke zonden blootlegt, is ook op haar van toepassing, dat zij valt onder de „eerste beginselen der wereld". Dit neemt echter niet weg, dat de Wet, wanneer haar beteekenis juist gezien wordt, een dorst naar Christus veroorzaakt en leert zoeken naar hetgeen God beloofd heeft.

Voor dit alles is echter de weldaad des Heiligen Geestes noodig. Ons hart moet namelijk kunnen zeggen : het is Gods wil niet, dat de Wet mij verschrikt en doodt; maar nadat ik door middel van de Wet mijn ellende en verderf heb leeren zien en die erkend heb, mag ik niet meer wanhopen, maar moet ik gelooven in Christus, die het einde der Wet is. Romeinen 10 vers 4 zegt: „Christus is rechtvaardigheid voor een iegelijk, die gelooft". Hier houdt al het aardsche op en alle wetten verliezen hier haar kracht; het Goddelijke neemt hier een aanvang.

Zoolang wij dus onder „de eerste beginselen der wereld" leven, dat is : onder de Wet zijn, — zoolang zijn wij knechten, alhoewel wij de beloften aangaande een toekomstigen zegen reeds ontvingen.

De Wet zegt wel : ,,gij zult liefhebben den Heere uwen God", maar zij kan mij daar niet werkelijk toe brengen, en ook kan zij niet bewerkstelligen, dat ik Christus deelachtig word.

Ik zeg deze dingen niet met de bedoeling, dat men nu alle wetten zal gaan verachten. Ook Paulus heeft deze bedoeling niet. Ik durf zelfs zeggen, dat men de Wet wel degelijk in waarde moet houden. Waar de apostel zich echter bezighoudt met het stuk der rechtvaardigmaking door het geloof, zoo volgt daar noodzakelijkerwijze uit, dat hij geringschattend spreken moet over de Wet. En ook wij kunnen, wanneer we de zaak zóó bezien, niet verachtelijk en laatdunkend genoeg over de Wet spreken.

We hebben dus niets anders te weten, dan Christus alleen. Met alle kracht, die in ons is, moeten we streven naar het opzij zetten en uitschakelen van de Wet. Slechts Christus' beloften mogen wij aangrijpen.

Dit is alles gemakkelijk gezegd, maar wanneer we aangevochten worden en met God van doen hebben, dan is gelooven in Christus wel het allermoeilijkste, wat er is. Wanneer de Wet ons aanklaagt en verschrikt, ons onze zonden toont en met den dood bedreigt, dan behooren wij eigenlijk zóó gezind te zijn, dat we doen, alsof er nooit een Wet of zonde geweest is. We hebben dan alleen te zien op Christus, op Zijn genade en verlossing. En wanneer de Wet ons blijft verschrikken, dan moeten we tot haar zeggen: ik wil naar u niet luisteren ; uw tong is hard en zwaar ; bovendien is de volheid des tijds reeds gekomen, en daarom ben ik van u vrij. Derhalve heb ik geen zin, uw heerschappij langer te verdragen.

De Wet te onderscheiden van de genade is dus zeer moeilijk. En het is een gave Gods uit den hemel, om in dit leven, waarin eigenlijk niets te hopen is, te blijven hopen. We moeten namelijk stellig gelooven in de waarheid van de uitspraak, dat wij door het geloof gerechtvaardigd zullen worden.

Leer hier dus uit, dat ge naar het voorbeeld van den apostel zeer kleineerend spreekt over de Wet, wanneer de rechtvaardigmaking aan de orde is.

Want laat ge de Wet over u heerschen, wanneer ge bezig zijt zonde en dood te overwinnen, dan is de Wet in werkelijkheid niets anders dan een poel van ellende en een bron vol ketterij en godslastering. In den grond van de zaak vermeerdert de Wet uw zonden; zij klaagt u aan; zij verschrikt u en bedreigt u met den dood; zij toont u God als een vertoornd rechter, die den zondaar veroordeelt.

Daarom : wanneer ge verstandig zijt wijs dan den stamelenden Mozes met zijn Wet af en laat u door zijn bedreigingen en verschrikkingen op geenerlei wijze van uw stuk brengen. In dit opzicht moet ge Mozes houden voor een ketter, dien ge uitbannen en veroordeelen moet, omdat hij schadelijker is dan de paus en de duivel. Luister dus in dit stuk in geen geval naar hem !

Buiten de beschouwing van de leer der rechtvaardigmaking moeten wij echter de Wet in eere houden, evenals ook Paulus dat doet.

Naar buiten mioeten wij de Wet bijna goddelijke eer bewijzen; doch innerlijk is zij een duivel, omdat zij ons in het minst niet troosten en oprichten kan, wanneer we aangevochten worden.

Ook mogen wij de Wet op geenerlei wijze in ons gemoed laten heerschen, omdat Christus een wel zeer hoogen prijs heeft moeten betalen om de tirannie der Wet te kunnen wegnemen.

Christus toch is voor ons een vloek geworden, opdat Hij ons van den vloek der Wet zou kunnen verlossen. We moeten dus leeren, dat de Wet en Christus twee zaken zijn, die met elkaar in flagranten strijd zijn en niet met elkaar vereenigd kunnen worden.

Waar Christus is, daar kan de Wet niet heerschen.

Christus alleen moet heerschen in gerechtigheid, zoodat ons gemoed rustig ontslape in Hem, en wij niet verontrust worden door Wet, zonde en dood.

Licht komt de vraag op, waarom de apostel zoo minderwaardig van de Wet spreekt, die toch door God uit den hemel geopenbaard is.

Hierop antwoordt Paulus : de Wet is zoowel rechtvaardig, heilig en goed, als voorwerp van zonde en dood.

Voordat Christus kwam, was de Wet heilig ; na Hem is zij de dood.

Daarom moeten wij, nu Christus gekomen is, van de Wet niets meer willen weten, uitgezonderd voor zoover zij betrekking heeft op het vleesch en de dingen dezer aarde, welke zij in toom moet hou­den.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juli 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE HISTORIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juli 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's