De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Zefanja, de profeet van den dag des Heeren

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Zefanja, de profeet van den dag des Heeren

11 minuten leestijd

Gericht over de volken rondom.

Hoofdst. 2 vs 4 e.v. Gericht over de volken rondom.

Zoo begint het gericht bij het huis des Heeren en indien het daar begint, welk zal het einde zijn dergenen, die het Evangelie Gods ongehoorzaam zijn ? (1 Petr. 4 vs 17). Eerst heeft de profeet het oordeel aangezegd aan Juda : de Heere zal Jerusalem met lantaarnen onderzoeken en bezoeking doen over alle afgoderij en valsche godsdienst. Maar de Heere regeert ook buiten Juda en Jerusalem; geen volk zal Hem kunnen ontloopen ; niets is er ook wat bij Hem verjaart en niets is er wat door Hem wordt vergeten. Zijn dreigend wee klinkt waarschuwend als een alarmsirene over de volken. Het klinkt allesbehalve zachtzinnig, als de profeet aankondigt, hoe de Heere verdoen zal en hoe Hij vreeselijk zal zijn tegen de volken. Kan het anders ? Dat is Gods antwoord op het doen van Filistijnen en Moabieten. Als het moet, maakt de Heere stukken; Hij grijpt in en van Zijn schelden beeft de aarde ! „Deze herinnering hebben de geloovigen noodig, opdat zij de goddeloozen en verachters des Heeren niet benijden, als zoude hun staat beter en benijdenswaardiger zijn. Waar de Heere de goddeloozen spaart en ons kastijdt, meenen wij, dat niets beter is dan alle juk van ons af te schudden. Opdat dan deze beproeving de geloovigen niet zoude terneerwerpen, herinnert de profeet eraan, dat er voor de goddelooze menschen geen reden is om, zichzelf geluk te wenschen, omdat de Heere hen niet terstond bezoekt". 1) Hun beurt komt wel.

Sterker nog dan in het eerste hoofdstuk, legt de profeet er nadruk op, dat de Heere aan de spits gaat van de oprukkende legerscharen. Zijn hand is tegen de Filistijnen. In den nood, die tegen de Filistijnen als een onweder losbreekt, heeft dat volk niet in de eerste plaats met menschen, maar met God zelf te doen. Zij hebben den Heere tegen, die andere volken in Zijn dienst stelde Oim de zonden van Filistijnen en Moabieten te bezoeken. Hij zal Assur verdoen; Hij zal Ninevé stellen tot een verwoesting, en zoo God tegen ons is, wie zal dan vóór ons zijn ?

Eerst gaat het over de Filistijnen (vs 4). De eene plaats na de andere valt in handen van den vijand : Gaza en Askelon en Asdod en Ekron. 2) Gaza zal dood en verlaten liggen als een ruïne en Askelon zal niet veel meer dan een rookende puinhoop zijn en Asdod zal men in den middag verdrijven. Het, verderf, dat op den middag verwoest (Ps. 91 vs 6), zal tot Asdod wèl genaken. Niemand, die dat tegenhoudt.

Asdod zal men op den middag verdrijven. Meestal meent men, dat de profeet daarbij doelt op het onverwachte en plotselinge van het verderf : het oordeel zou dus komen als een donderslag bij helderen hemel. Zooals een dief in den nacht komt, zonder eenige voorbereiding en zonder eenige waarschuwing, in een verrassende overval. Op zichzelf is deze gedachte volkomen schriftuurlijk. De goddelooze wordt door het oordeel volkomen verrast; de zorgelooze dacht en droomde van vrede, en daarom meende hij dat er nog tijd genoeg was en gelegenheid te over om zich te bekeeren. Maar ineens zette de Heere een eindstreep ! M.i. doelt de profeet echter niet zoozeer op het onverwachte, maar op het haastige. Ieder rust op den middag van wege de groote warmte. Maar de vijand, die komt, zal van geen rusten en uitblazen willen weten; voor hem zal het parool gelden : voort, voort. Het bevel des Heeren dringt aan en daarom, kent de vijand, als het instrument, waarvan God zich in de uitvoering van Zijn oordeelen bedient, geen rust. (Jer. 6 vs 4; zie ook vs 26) *3)

Met totale uitroeiing wordt het gansche volk bedreigd, (vs 5). De Filistijnen worden hier genoemd het volk der Kerethieten, d.i. der Cretenzen. Vanuit Kaftor heeft de Heere de Filistijnen geroepen, zooals Hij de Syriërs opvoerde uit Kir (Amos 9 vs 7). Ook elders in de Schrift lezen we van het nauwe verband tusschen Filistijnen en Creta. Zie, Ik strek mijn hand uit tegen de Filistijnen en zal de Kerethieten uitroeien (Ez. 25 vs 16), en Jeremia kondigt in zijn profetie tegen de Filistijnen aan, dat de Heere het overblijfsel van Kaf tor zal verstoren. (Jer. 47 vs 5). *4)

Rondtrekkende herders zullen in het verlaten gebied weide vinden voor hun beesten en er hun kudde rondleiden en des avonds zullen de herders achter de ruïnes van de verwoeste plaatsen dekking zoeken. '5)

Juda zal wel in ballingschap gaan (vs 7), maar de Heere zal zijn volk niet eindeloos kastijden. Hij zal Zijn verbond gedenken en een rest keert weer. Voor Juda zal weer een dageraad lichten. De uiteindelijke triomf zal zijn voor Israël en de nederlaag voor de vijanden. — Het eene volk na het andere wordt voor Gods rechterstoel geciteerd : Van het Westen, het land der Filistijnen, wijst de profeet naar het Oosten, waar Moab en Ammon wonen. Ook die landen zullen het zwaar te verantwoorden hebben. Het is niet voor het eerst, dat Ammon en Moab in het profetisch gezichtsveld zijn getrokken. Hoe werden beide volken reeds door Amos gedreigd met de Goddelijke straf. Maar de motiveering van het vonnis was daar anders dan hier. De Ammonieten hebben de zwangere vrouwen in Gilead opengesneden en dat om hun gebied te vergrooten (Amos 1 vs 14) en omdat zij zulk een gruwel hebben gedaan, zal een vuur Rabba's paleizen verteren. En Moab heeft zich aan grafschennis schuldig gemaakt tegenover den koning van Edom. Zoude de Heere deze dingen niet zien ? (Am. 2 vs 1). Heel de geschiedenis door lezen we van de vijandschap, die Ammon en Moab tegenover Juda hebben getoond. Achttien jaar lang hebben de kinderen Israels Eglon den koning der Moabieten gediend en als zij jaren lang overgegeven zijn in de handen der Ammonieten, is het de Heere, die hun Jefta als verlosser beschikt. Denk eens aan het vernederende kwaad, dat Nahas de Ammoniet, de kinderen Israels dacht te doen. (1 Sam. 10). Of denk aan de geschiedenis van Bileam, die door Balak, den koning der Moabieten, gehuurd wordt om Israël te vloeken. En dat terwijl Moab en Ammon, zonen van Lot, nog wel aan Israël verwante volken waren. In stede van mee te leven in lief en leed van het broedervolk, hebben ze altoos met schimp en smaad het volk des Heeren overladen. Zefanja zegt er van, hoe de Heere de beschimping van Moab gehoord heeft en de scheldwoorden der kinderen Ammons, waarmede zij mijn volk hebben beschimpt en zich groot gemaakt hebben tegen hun gebied (vs 8). Vooral als over Juda de groote nood van de ballingschap komt en daarmede den naburen tot een smaad en tot een spot is geworden, dan doen aan dat spotten Ammon en Moab ijverig mede. Waar is nu uw God, op wien gij bouwdet ? Toen is de spot nog erger geworden. Nu had dat volk heelemaal niets meer te beteekenen. Toen de Kerk in het hoekje zat, waar de slagen vielen, heeft de wereld hartelijk gelachen, maar daarmede tastte zij den Heere zelf aan in zijn eer en Hij, die in den hemel woont, zal lachen.

Van de hoovaardij van Moab lezen we ook bij Jesaja. Daarom, zegt de profeet, zal Moab over Moab huilen (Jes. 16 vs 7). Moab, die om Israël lacht, zal zelf een belaching worden (Jer. 48 vs 27) en van Ammons eigenwaan blijkt uit het woord : Wie zoude tegen mij komen (Jer. 49 vs 5). De Kerk des Heeren heeft eeuwenlang met dezelfde vijanden te doen gehad en ook bij Ezechiël lezen we weer tegen Moab en tegen Ammon. Tegen Ammon: Omdat gij gezegd hebt: ha!, over mijn heiligdom als het ontheiligd werd en over het land Juda, als het verwoest werd, daaroim zal ik mijn hand tegen U uitstrekken en u verdelgen. (Ez. 25). Neen, de Heere laat niet over zijn kant gaan de smaad, waarmede de wereld de Kerk heeft overladen! Ammon en Moab hebben een grooten mond opgezet tegen Gods Kerk. Is dat nu zoo erg ? Ze deden hen immers niets en imimers daar haperde toch ook veel aan dat volk ; de Heere voerde hen toch niet voor niets in ballingschap. Volkomen waar, maar laat God maar met zijn volk afrekenen; de wereld zoekt wel eens weg te kruipen ach ter de zonden van de Kerk, ja, gaat met de Kerk om dat alles spotten, maar God verdraagt dat niet, en zonden der tong, die bij ons nu niet erg meetellen, wegen bij den Heere wel zwaar : Daarom zal Moab worden als Sodom en Ammon als Gomorra (vs 9).

Moab, de kinderen van het gedruisch, d.i. de druktemakers, de praalhanzen. (Jer. 48 vs 45), zal met gedruisch vergaan.

De Heere neemt het voor zijn volk op : Hij zal Ammon en Moab schelden. De zaak van Israël is Gods zaak. De Heere is vanuit den hemel geen werkeloos toeschouwer, maar gij grijpt in op Zijn tijd : het loon voor den goddelooze ligt reeds klaar. De hoogmoed is er al : de val komt dra (Spr. 16 vs 18). Straks zal het eens vruchtbare land een toonbeeld van ellende zijn — een verwoesting in eeuwigheid — een distelveld en een zoutgroeve. "6) Verlaten en onvruchtbaar zal het land aan Sodom en Gomorra gelijk zijn. Dreigend gaat het waarschuwende voorbeeld van Sodom en Gomorra door heel den Bijbel heen. '7). Op vele plaatsen wordt er naar verwezen : God laat niet met Zich spotten. Amos verwijst het geruste volk naar de omkeering van de steden der vlakte en Jer. (49 vs 18) verwijst Edom (dat ten Z. van de Doode Zee woonde) naar Sodom en Gomorra : zoo zal het u vergaan.

Dan zullen alle landen het lasteren van Israël en dus ook van Israels God moeten opgeven. In de ondergang van het eene volk na het andere zal de machteloosheid van den god, die dat volk diende, blijken. (2 Kon. 18 vs 34). Maar het gerucht van den Heere der heirscharen zal uitgaan en van den opgang der zon tot aan haren ondergang zal 's Heeren naam groot zijn onder de heidenen en aan alle plaats zal Hem reukwerk worden toegebracht. (Mal. 1 vs 11). De afgoden van Egypte zullen gewogen worden — en die niet alleen — voor zijn aangezicht en het hart der Egyptenaren zal smelten in het binnenste van hen. (Jes. 19 vs 1). Alle valsche goden vermogen niets tegen de hulp van den waren God, den grooten Beschermer van Zijn Kerk.


1) Calvijn, Praelectiones in Sophoniam, a.l.

2) Waarom Gath niet genoemd wordt is niet uit te maken. Sommigen (waaronder Lippl) zeggen, Gath is niet genoemd omdat deze stad in 711 door Sargon verwoest werd. Dat is wel waar, maar al werden de bewoners toen weggevoerd, de stad werd opnieuw bevolkt. Ridderbos meent, dat Gath niet genoemd wordt omdat het geen beteekenis meer had en dat is een zeer voor de hand liggende mogelijkheid.

3) Niet ten onrechte heeft men opgemerkt, dat het onverwachte en plotselinge eerder, zou zijn uitgedrukt door de nacht te noemen en niet zooals nu: midden op den dag. Anderen : De profeet wil te verstaan geven dat de stad slachtoffer zal zijn niet van een aanval van nachtroovers (Ob. vs. 5) die zich tevreden stellen met te rooven wat er van hun gading is, maar van een overwinning van vijandelijke legerscharen die naar oorlogsgebruik verwoesten om te verwoesten. Zoo ook ongeveer Ridderbos in Korte Verkl.

4) Reeds vroeg lezen we van de Filistijnen in het land Kanaan. Denk maar aan Izaak, die optrok naar Abimelech de koning der Filistijnen, in Gerar en aan wat we lezen in Ex. 13 vs. 17, waar ons verhaald wordt, hoe de Heere het volk niet leidde op den weg van der Filistijnen land, hoewel die korter was. De kortste weg was voor Israël niet de beste ! Nu hebben waarschijnlijk de Filistijnen in omstreeks 1200 groote versterkingen gekregen door immigratie van stamverwanten en wel uit Kaftor. Dit wordt algemeen met Creta vereenzelvigd. Prof. V. Gelderen gevoelt veel voor de veronderstelling, dat met Kaftor bedoeld wordt Kefto ; hij wil dit laatste nogal ruim nemen ; hieronder zouden dan vallen de KI. Aziatische en Grieksche kusten en de eilanden ten, W van Cyprus. Toch blijft ook zoo het nauwe verband tusschen de Filistijnen en Creta bestaan, waarvoor ook sterk pleit de naam van Davids lijfwacht : Creti en Plethi, Cretenzen en Filistijnen (Prof. v. Gelderen, Amos, pag. 277 en dezelfde in Bijbelsch Handboek ; Het O. Testament, pag. 106 e.v.).

5) Betuiningen der kudden (vs. 6) d.i. schaapskooien. Het vers wordt meestal ongeveer zoo vertaald : De zeekust wordt een weideplaats der herders.

6) Zoutgroeve staat eenvoudig voor woestijn (Jer. 17 vs. 6). Men kan niet zeker zeggen of dat komt omdat vervloekte streken met zout werden bestrooid, of omdat de woestijn vindplaats was van zout. (Sellin, a.l.). We moeten evenwel niet vergeten, dat de Doode Zee : de Zoutzee, vlak bij Moab was.

7) In de ondergang van Sodom en Gomorra is een vreeselijk teeken opgericht. Weliswaar heeft de Heere in het Noachitische verbond gezworen, dat Hij de aarde niet meer door een zondvloed zoude verderven. Maar Hij behoudt de vrije hand om etterbuilen aan het lichaam der menschheid uit te branden. (Vischer, Christuszeugnis s. 156)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 juli 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Zefanja, de profeet van den dag des Heeren

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 juli 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's