De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Der ijdelheid onderworpen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Der ijdelheid onderworpen

8 minuten leestijd

Tot dusver werd er aan de hand van de belijdenis op gewezen, dat de reformatoren geen ander gezag in de dingen des geloofs kennen dan dat van Gods Woord en dat zij alleen de canonieke boeken als heilige en Goddelijke Schrifturen ontvangen. Dat is niet alleen gereformeerd, maar reformatorisch. Ook Luther heeft niet anders geleerd. Dit beginsel, of liever dit fundament, zal ook heden ten dage nog de grondsteen des geloofs zijn voor allen, die reformatorisch zijn. Men kan nu eenmaal geen gemeenschap des geloofs oefenen met de kerk van Christus, terwijl men niet buigt onder Zijn Woord. Het is dus werkelijk Christelijk, d. w. z. het is der kerk van Christus eigen uit het Woord te leven en dat Woord te bewaren.

Alle andere gezag van menschen en geschriften, hoe heilig zij ook mochten zijn, wordt achtergesteld bij het gezag des Woords. De belijdenis geeft daarvan verschillende voorbeelden in Art. 7. Noch de groote menigte, noch de oudheid, noch de successie van tijden of personen, noch de conciliën, decreten of besluiten.

Dat wil nog al wat zeggen, en wij kunnen begrijpen, dat het voor vele menschen in den tijd der reformatie een heel moeilijke zaak is geweest om zich los te maken van leeringen en besluiten, die in de reuke van heiligheid stonden en door het gezag der kerk werden gedragen.

Denken wij ons eens in, dat de reformatorische prediking uitging tot menschen, die van der jeugd aan zoo geheel anders hadden geleerd. Wie den brief aan de Galaten (Uit de historie) heeft gevolgd, zal hebben opgemerkt, dat Luther daarop ook wijst, als hij den weg der zaligheid naar de Schriften uitlegt en zich moeite geeft om de werkheiligheid te bestrijden.

Wat doet toch de belijdenis in dit artikel ?

Niet alleen wijst zij met grooten nadruk op het eenig en goddelijk gezag des Woords, maar zij breekt allerlei gezag, dat als heilig gold, af. En als daarbij conciliën en besluiten worden genoemd, die n.l. van het kerkelijk gezag uitgingen, beteekent dat niet minder dan dat ook hun eigen belijdenis aan het gezag van Gods Woord en daaraan alleen wordt onderworpen.

Geen leeringen van menschen kunnen hier gezag doen gelden, waardoor Gods Woord op zij zou worden gezet. Zou de reformatorische belijdenis een of ander leeren, hetwelk door Gods Woord niet wordt bevestigd, het zou verwerpelijk zijn en moeten worden prijsgegeven voor de waarheid.

De eenige en afdoende grond, waarop de reformatoren zich beroepen, is alweer de Heilige Schrift zelf: want alle menschen zijn leugenaars en ijdeler dan de ijdelheid zelve. Men heeft daarbij gedacht aan Rom. 7 : 18, hoewel het er met dezelfde woorden niet staat. Men kan ook denken aan Rom. 3 : 4. Doch wat zal men zich op een enkelen tekst beroepen, waar de macht der zonde juist in de leugen schuilt en de mensch een ijdel beeld vertoont van wat hij naar zijn schepping en bestemming wezen moest ? De verleider wordt door Christus de menschenmoorder van den beginne en de vader der leugen genoemd. Door de zonde is de mensch in zijn gansche natuur verdorven, verlengend en verijdeld. Hij is der ijdelheid onderworpen. Als wij acht slaan op wat de Heilige Schrift omtrent den mensch leert, dan zal men toegeven, dat de belijdenis niet te veel heeft gezegd. En allermeest omtrent de geestelijke dingen verkeert de mensch in duisternis, vervreemd als hij is van de kennisse Gods en van zich zelf.

Hoe zal dan de mensch, die het oor heeft geleend aan den vader der leugen en zijn God heeft verlaten, een leermeester kunnen zijn aangaande de dingen van het Koninkrijk Gods. Want het schepsel is der ijdelheid onderworpen. (Rom. 8 : 20). Zulk een schepsel kan uit zich zelf geen goede vrucht voortbrengen. Daarom zal ook alle menschenwoord getoetst worden aan de Waarheid Gods.

Der ijdelheid onderworpen. Ernstiger kan de toestand, waarin de mensch verkeert, niet worden geteekend. Want daarin wordt uitgedrukt, dat hij juist niet is, wat hij naar zijn schepping en bestemming behoort te zijn. Hij is verijdeld geworden, d.i. hij mist zijn levensbestemming. Hij schiet in alles zijn doel voorbij. Het is vergeefs al wat hij uit zich zelf beraamt en voortbrengt. En dit oordeel treft den ganschen mensch, zoo voor het tijdelijke als het eeuwige leven. Indien God hem- ganschelijk aan zijn ijdelheid had overgeleverd, zou zelfs het aardsche leven onmogelijk zijn, wtot al wat er tïog aan goeds en waarheid wordt gevonden, vloeit hem toe uit de Fontein van alle goed. Het is alzoo een ijdel pogen om op den mensch te bouwen en op hem zijn vertrouwen te stellen.

Reeds krachtens zijn schepping is de mensch op zich zelf niets, omdat hij in alles afhankelijk is van zijn Schepper. Wat hij zijn moet, kan hij alleen zijn in zijn roeping, die uit God is en daarom in de kracht Gods. Indien hij dat niet erkent en in waarde houdt door Godzaligen wandel, staat hij reeds op zich zelf, d.i. in zijn nietigheid. Zoo is het dan zijn ijdelheid, dat hij zich ook nog inbeeldt, in zijn nietigheid wat te zijn.

Ook voor ons heeft deze belijdenis nog altijd wat te zeggen, want in de zaken des geloofs is geenszins zulk een eenstemmigheid. De gezindheid om door Gods Woord geleerd te willen zijn en verstand en hart daaraan te onderwerpen, is ook niet zoozeer toegenomen, dat het overbodig kan heeten op deze zaak te wijzen.

De vraag mag zelfs gesteld, of ook degenen, die met den mond deze belijdenis roemen, in eigen leven betrachten, wat zö met den mond belijden. Geen profetie is van eigen uitlegging. In de werkelijkheid blijkt echter, dat het Woord Gods ook gebruikt wordt om zijn eigene uitlegging te handhaven. Zoo kan er nog veel verschil van leer zijn, terwijl men zich toch op het Woord beroept. In allerlei kring komt het voor, dat men een godsdienstigheid onderhoudt, welke men met Schriftverklaringen meent te kunnen dekken, hoewel zij toch aan de ware religie vreemd is, of althans daarvan slechts enkele waarheden aanhangt. Niet te vergeefs is ook de spreekwijze, dat iedere ketter zijn letter heeft.

De verwarring op kerkelijk en geestelijk terrein geeft bovendien een duidelijk sprekend voorbeeld van veelheid van leeringen, welke zich als Christelijk aandienen. Het kerkelijk besef en het gevoelen van de eenigheid des geloofs is bij velen zoó zeer weggezonken, dat zij tevreden zijn met wat in een kring van geestverwanten wordt geloofd en als vroomheid wordt geëerd. Een iegelijk, die daaraan behoefte gevoelde, schikte zich in zijn kerkdijken schuilhoek of bij zijn geestelijk gezelschap. Bij velen echter was geen lust of genegenheid om zijn.geloof en dat van den kring, waarin zij zich bewegen, aan de belijdenis der kerk te toetsen. Zonder zich klaar bewust te zijn van den inhoud der belijdenis, nemen sommigen een afkeerige. houding aan jegens haar. Dezulken hieldejj haar klaarblijkelijk voor verouderd of versleten, terwijl anderen weer niet gediend waren van zulk een „zware" leer, welker zwarigheid hun niet verder dan van hooren zeggen bekend was.

Ook een terecht of ten onrechte gekoesterde tegenzin tegen waf men corifessionalisme noemt, werkte er toe mede de belijdenis in onbruik, vergetelheid en oneere te doen vervallen.

Misschien zou iemand deze verschijnselen niet zoo ernstig nemen, daar de belijdenis ons zelf voorgaat geen ander gezag dan Gods Woord te erkennen. Men vergete echter niet, dat zij pretendeert dat Woord achter zich te hebben. Men kan zich dus niet zonder meer beroepen op Gods Woord en de belijdenis links laten liggen. De belijdenis toch wil rekenschap geven van het geloof der kerk van Christus. Zij spreekt uit dat geloofsbewustzijn, hetwelk zij ajs het haar eigene algemeen en ongetwijfeld Christelijk geloof deelachtig is. De eenigheid des geloofs is dus in bet geding. En nu is. de vraag, of allen, die vervreemd of afkeerig van de confessie zijn, en toch meenen in de gemeenschap van het geloof der kerk van Christus te staan, inderdaad op het fundament der Heilige Schrift staan.

Het geloof in Christus is toch een zaak, die niet uit den mensch is en aan het menschelijk goeddunken niet is overgelaten. Reeds uit dien hoofde is het getuigenis der reformatoren van groote waarde en verdient zij gekend en onderzocht te worden onder het aspect, waaronder zij zich zelf aandierit. Het geloof, dat uit God is, kan heden niet anders zijn dan toen, want Christus is gisteren en heden Dezelfde en tot in eeuwigheid. En als wij van het geloof spreken, kan ons geloof slec^hts waarachtig zijn, als het overeenkomt met de Waarheid Gods. En zoo niet, dan kan het slechts steunen op de bewegingen van ons eigen verstand en de gevoelens van ons eigendunkelijk hart. Daartegen nu waarschuwt de belijdenis, als zij den mensch voor oogen stelt, dat hij der ijdelheid onderworpen is. Hij is ijdeler dan de ijdelheid zelve. Zij wil ons afmanen van onze eigendunkelijke godsdienstigheid door ons te richten op de leer der Schriften, opdat wij in haar de eenigheid des geloofs vinden, die de kerk tot een levende openbaring van het lichaam van Christus maakt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 juli 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Der ijdelheid onderworpen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 juli 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's