De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Wat zegt „men

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Wat zegt „men

6 minuten leestijd

De vraag, welke we hierboven schreven, mag geen enkel lid der Kerk koud laten. Evenmin als 't ons koud Iaat, wat „men" van ons zegt. Wanneer er een afkeurend oordeel over de Kerk wordt uitgesproken, dan strekt het steeds tot beschaming, wanneer we moeten erkennen, dat het leven der Kerk zelf tot dit afkeurend oordeel aanleiding gaf. Vooral in dezen zin mag, wat men van de Kerk zegt, ons niet onbewogen laten. En om het heel dicht voor ons te stellen, mag het mij dan vooral niet onbewogen laten wat men van „mijn" Kerk zegt. Van de Kerk dus, waartoe ik behoor. Waarin ik gedoopt ben, waarin ik belijdenis aflegde.

In „Belijden en Beleven" schrijft Ds K. Fernhout een korte overdenking over deze woorden uit Hand. 2 : 47 : en hadden genade bij het gansche volk. Boven deze overdenking schrijft hij: De Reputatie der Kerk. Om te beginnen, ontwikkelt hij de bezwaren tegen het woord reputatie. Dit is een „echt wereldsch begrip, min of meer speculeerend op ijdelheid en eerzucht en daarom hoogstens te dulden in de zakenwereld en in geen geval begeerlijk voor een Christen". Toch meent hij, dat het goed is eens een enkele keer deze term uit het leven van elken dag te gebruiken. Hij ziet hieraan nog deze goede kant, dat daardoor positie gekozen wordt tegen hen, die bang zijn voor het gebruiken van gewone woorden in verband met religie en Kerk, omdat men die Kerk boven 't gewone leven uitheft, zoodat ze er iedere aanraking mee verliest.

Gebruiken we 't woord reputatie, dan ziet Ds F. daarin eene erkenning van de Kerk voor wat de Heere haar deed zijn : „een zeer werkelijke zicht en aanwijsbare gemeenschap op aarde. Daarmede geven we haar de plaats, welke God zelf haar aanwees: midden in de wereld en midden onder de menschen van de wereld. En daarmee aanvaarden we het recht, dat God de wereld gaf, om, naar wat ze van en bij Zijn Kerk hoort en ziet, zich over haar een waardeerings-oordeel te vormen".

Nu is dit oordeel stellig niet 't hoogste oordeel. De wereld toch mist — aldus Ds F. — het orgaan om het innerlijk schoon van Christus' Kerk te onderscheiden. Maar voor zooverre het oordeel der wereld door zedelijke beseffen geleid wordt, heeft het toch zijn waarde.

De geloovigen mogen dit niet ontkennen, want Christus Zelf heft Zijn gemeente niet boven de wereld en haar oordeel uit. Christus heeft die Kerk te lief om onverschillig te zijn voor haar naam in het midden der wereld. De Kerk moet de wereld voor Christus winnen en hierbij hangt veel af van de naam, dien ze bij de wereld heeft; Des te meer moet ons de reputatie van de Kerk, de naam der Kerk, waartoe wij behooren, ter harte gaan. Vooral, omdat de Kerk, waartoe wij behooren, niet ónze Kerk is, maar de Kerk van Christus. Christus en Zijn eer is er bij betrokken. Als wij niet helpen waken voor de achting der gemeente, dan zal Christus dit ons toerekenen als onverschilligheid jegens Hem en Zijn eere. „Leven er niet velen in hun dagelijksche gesprekken met den naam hunner Kerk, alsof ze geen eere te verliezen had ? En is de roekeloosheid waarmee ze hun eigen Christelijke eere in gevaar brengen, niet een droevig bewijs, hoe koud de eere van Christus' Kerk hen laat ? Laat het alzoo onder ons niet zijn. Laat, wat Christus van de Jeruzalemsche gemeente ons zegt, voor ons niet worden tot een verwijtende vraag, gelijk Hij door Paulus tot de Corinthiërs richtte: „Of veracht gij de gemeente Gods? "

Achteloosheid aangaande de naam der Kerk is een zondig euvel, dat in vele kringen voorkomt. Een achteloosheid of onverschilligheid zelfs, welke blijk geeft van een verdorven eni God-niet-vreezend hart. De Kerk wordt gezien als een aangelegenheid van een stuk of wat menschen. Hoort men zelf er ook nog min of meer bij, dan heeft, ingeval er een afkeurend oordeel geveld wordt, de Kerk dit te wijten aan anderen. Zelf is men toch nog een goed lid, een sieraad.... Dat er echter ook nog zooiets is als de Kerk van Christus, dat Christus' Naam en Eere met dit alles gemoeid is, ach, wat wordt dit weinig ingezien en wat wordt er nog minder ernst mee gemaakt. Dit kan het hart zoo benauwen. Voor alles en nog wat zijn velen in de weer, voor veel komt men op — maar ligt de naam van den Zaligmaker den kerkganger na aan het hart ? Doet het ons zeer, als Zijn Naam gesmaad zoude worden, ook door ons doen ? Hier openbaart zich onverschilligheid jegens Gods werk in Christus. Duidelijk komt aan 't licht, dat er zoo wéinig liefde is in het hart voor den Borg, doordat de liefde Gods in onze harten is uitgestort. Want als dat het geval is, neen, dan komt er geen volmaaktheid hier, maar dan zullen we toch teer worden op 's Heeren Naam, op 's Heeren zaak, op 's Heeren Kerk. Dan leeren we bidden, dat we op 't rechte pad gevoerd mogen worden, opdat door ons Christus en Zijn Kerk niet gelasterd, maar veeleer geprezen worde.

Want als de Kerk gesmaad wordt om Christus' wil, dat is niet erg, dat is een eere, dan staat Christus gereed met Zijn „zalig".

Maar als de Kerk gesmaad wordt omdat er afkeurenswaardige dingen in zijn, dat is een schande en een oorzaak tot diepe verootmoediging.

Daarmee hebben wij allen te maken. Als ik niet wandel zooals het behoort, dan wordt dit „mijn" Kerk aangerekend. Wat een schade is er al aangericht door kerksche menschen, bij wie er overigens alles mee door kan! Daarom heeft een iegelijk nauwlettend toe te zien hoe hij of zij wandelt. Maar 't is evenmin een Kerk tot eere, wanneer in die Kerk niet een eenparig belijden gevonden wordt. Wanneer er geen overeenstemming in de leer gevonden wordt. Wat een indruk moet. dat op de buitenstaander maken. Wanneer in de hoofdzaken ja en neen gelijkelijk worden vernomen. Dat moet tot krachtige, biddende actie en trouw oproepen Niet tot een actie op kerkelijk gebied, waarbij de belijdenis wordt genegeerd of opzij gezet. Waarbij de leer wordt achteruitgezet. Waarbij men een eenheid zoekt boven geloofsverdeeldheid. Niets daarvan. Ten stelligste kiezen we hiertegen positie. De Kerk heeft als Kerk te belijden de leer, die naar de godzaligheid is. Ze heeft te strijden voor het geloof, dat den heiligen overgeleverd is. Hier mag geen lauwheid gevonden worden. Hier zullen we ons nooit mee laten voeren door een actie, ., die dit zou willen verdoezelen.

Daarvoor gaat het om te groote en te ernstige dingen.

't Gaat ten hoogste om Christus' Naam en Eere.

Dat een ieder daar goed van doordron­gen zij!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 juli 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Wat zegt „men

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 juli 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's