De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

NIENKE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

NIENKE

FEUILLETON

5 minuten leestijd

VERHAAL UIT 'T FRIESCHE VOLKSLEVEN

(Met toestemming Uitgever J. H. Kok te Kampen) 97)

„Niks anders dan kou gevat, op die groote reis naar Amsterdam", waarover zij niet uitgesproken raakte en waarover aan heel de buurt al vrij wat verhalen waren gedaan, waarnaar, in den beginne, allen nieuwsgierig hadden geluisterd, in de hoop, iets bizonders over haar dochter Liesbet gewaar te worden en een enkele had niet kunnen nalaten nu en dan een opmerking te maken, waaruit jalouzie en spijt en teleurstelling, en óók wel eens een beetje venijnige haat of bittere spot sprak, omdat vrouw Paulussen wel veel losliet, doch het allernaaste voor zichzélf hield.

„k Dacht, dat je mij niet gehoord had", gromde de bode. „'t Is anders tegenwoordig maar drukke verkeering, hé ? "

„Watblief ? " vroeg het oudje, dat in dit verband de beteekenis van dit woord niet begreep.

„'k Wil zeggen, dat je nu dikwijls een brief krijgt. Dit is de derde al, sedert dat telegram van je dochter, en deze komt zeker ook weer van haar, is 't niet? Kijk, „Amsterdam" staat op het poststempel. Kan je hem wel lezen? ''

„O, jawel hoor. Zeker ; hij is van onze Liesbet, moet je weten, 't Meiske is zoo blij, dat zij weer beter is geworden en zoo dankbaar, dat ik haar tijdens haar ziekte heb opgezocht".

„Nou, dat mag ook wel. Vooreerst zoo'n reis en dan die kosten ! 'k Vind anders, dat het met de meeste kinderen zóó is, dat, wanneer zij eens onder de vleugels van de ouders weg, en de groote wereld in zijn gegaan, dat zij dan van het nest, waaruit zij kwamen, vaak niet veel meer moeten hebben en vergeten de zorg, die in de kinderjaren aan hen is besteed".

„'t Gaat wèl eens zoo, buurman; heb je dat misschien ondervonden ? " vroeg het oudje plotseling, met iets guitigs in haar oog, omdat zij begreep, waar hij heen wilde.

Maar zoo bedoelde de oude postbode 't niet. „Gelukkig niet, hoor; ik heb kinderen, die in elk opzicht een eer zijn voor hun ouders, al zeg ik het zelf, maar daar zijn te veel anderen. Melle is óók een goede jongen. Wat die verdient, zal hij wel thuis brengen, maar mij dunkt, zoo'n meiske als jullie Liesbet kon wel wat beter voor haar oude moeder zorgen. We weten allen wel, hier daalde zijn stem en trachtte hij vrouw Paulussen vertrouwelijk te naderen — ik zeg, we weten allen wel, wat het beteekent van de „bedeeling" te moeten leven. Wanneer je het beleven moogt, dat je de vijf-en-zestig haalt, en je een Staatspensioentje krijgt, dan wordt het wat beter, maar zoolang is het „schrobben om den kant''. En daarom, wil ik maar zeggen, zou zoo'n meisje, die in Holland wel veel verdienen zal, haar moeder mooi kunnen bijspringen. Of doet ze wel eens een zilverbonnetje in zoo'n couvert? "

Bij het hooren van deze laatste woorden hield 't oudje den brief krampachtig vast, om het volgende oogenblik hem onder haar schort te doen verhuizen, alsof zij bang was, dat die vrijpostige postbode hem weer ontnemen zou. Zij wist niet precies, hoever zijn macht ging, maar had altijd eerbied voor ieder, die in een uniform liep en gladde knoopen droeg.

„'k Wil je maar even zeggen, dat dit volstrekt niet mag, zie je, en als het ontdekt wordt, dan ben je alles kwijt en boeten bovendien. Omdat het belastingontduiking is, weet je, en wij den keizer hebben te geven wat des keizers is". Bij dit laatste woord kwam er iets van een spotlach over het gelaat van den ambtenaar. Blijkbaar overtrof hij zichzelf.

„'k Zal het haar bij gelegenheid wel eens schrijven, antwoordde het oudje en liep meteen een paar passen de gang in. Zij wilde wel alléén zijn. „Dus je hebt mij niets bizonders te vertellen", nijdigde de besteller, geheel uit zijn humeur, omdat hij niets gewaar kon worden van hetgeen dat brievenzakje verborgen hield. „Nu, lees hem in gezondheid en het beste met je mooie dochter".

Daarop keerde hij, zonder antwoord af te wachten, haar den rug toe en strompelde verder, in zichzelf druk pratend over dat volk uit de voogdijkamertjes, dat ondertusschen maar druk brieven ontving, alsof dat geen geld kostte.

Intusschen sloot vrouw Paulussen de deur. Dat laatste woord van den man had een weerhaak en had haar pijn gedaan. „Je mooie dochter", zei hij. Wat had die oude brompot met haar dochter te maken ? Zou hij ook zoo spreken, als hij bij boer Santema, of aan de pastorie, of bij den dokter, of meester De Bruin kwam ? Maar vanzelf, dat arme volk kon er altijd wel van hebben. Dat dorst elk aan en daar veegde elk zijn voeten op af. Vooral wanneer het een weduwe gold en dan zoo een uit een Armvoogdijkamertje ! Daarom was het maar goed, dat Liesbet een uitweg gezocht en gevonden had; hier was zij al haar levensdagen toch gebleven de verschoppeling, of in elk geval de arme dochter eener arme moeder. Enfin, zij wilde daar niet meer over denken en zich den avond niet laten vergallen door een bitter woord van zoo'n likkebroer, die er voor bekend stond dat hij bij de groote lui met den stroop­ pot liep.

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 juli 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

NIENKE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 juli 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's