De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE HISTORIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE HISTORIE

Luthers verklaring van Paulus' Brief aan de Galaten

6 minuten leestijd

De vrucht van het Evangelie, dat vrijmaakt van de Wet. Vers 1—7

Hoofdstuk IV.

De vrucht van het Evangelie, dat vrijmaakt van de Wet. Vers 1—7.

Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijnen Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de Wet, opdat Hij degenen, die onder de Wet waren, verlossen zou. Vers 4 en 5.

Met „de volheid des tijds'' wordt bedoeld : het tijdstip van de vervulling der Wet; de openbaring van Christus, die ons van de Wet bevrijd heeft, en de belofte, welke onder alle heidenen verkondigd is. Men lette er wèl op, hoe Paulus hier Christus beschrijft.

Christus, zoo zegt hij, is de zoon van God en tegelijk de zoon eener vrouw; Hij is ter wille van ons zondaren geworden onder de Wet, opdat Hij ons, die onder de Wet waren, verlossen zou.

Met deze woorden heeft de apostel zoowel den persoon als het ambt van Christus samengevat.

De Persoon van Christus bestaat uit een Goddelijke en een menschelijke natuur. Duidelijk blijkt dit uit de formuleering : God zond Zijn Zoon, geworden uit een vrouw. Christus is dus waarlijk God en waarachtig mensch.

Christus' ambt wordt omschreven in de passage : Hij is geworden onder de Wet. opdat Hij ons, die onder de Wet zijn, verlossen zou.

Het schijnt, alsof Paulus over de maagd Maria, de moeder van den Zoon Gods, een weinig minachtend spreekt, als hij haar „vrouw" noemt. Vele vaderen hebben dan ook de meening geuit, dat zij liever gezien hadden, dat de apostel over „maagd" en niet over „vrouw" gesproken had.

We moeten echter in het oog houden, dat Paulus in dit hoofdstuk spreekt over de meest belangrijke en gewichtige aangelegenheden, die er zijn, te weten over het Evangelie, het geloof en de christelijke gerechtigheid. Voorts handelt hij over den Persoon van Christus, namelijk over Zijn ambt en over hetgeen Hij ter wille van ons gedaan en op Zich genomen heeft, en ten slotte over de weldaden, welke Hij voor ons zondaren verwierf.

De zaken, waarover het hier gaat, zijn zoó verbazend groot en belangrijk, dat Paulus niet in het bijzonder bij het maagd zijn van Maria heeft kunnen stilstaan. Het was hem namelijk genoeg, de niet te waardeeren en oneindige barmhartigheid Gods te prijzen, die zóó nederbuigend is geweest, dat Hij Zijn Zoon uit een vrouw heeft willen doen geboren worden.

Oim deze reden heeft de apostel niet gelet op de waardigheid van het geslacht, waaruit Christus is voortgekomen, doch hij heeft slechts gememoreerd, dat Hij uit een vrouw geboren werd, om daarmede de aandacht er op te vestigen, dat Christus waarlijk mensch is geweest.

Het is, als wil Paulus zeggen : Christus is niet geboren uit een man en een vrouw; Hij is geworden uit een vrouw. Omdat Paulus alleen over het vrouwelijke geslacht spreekt, zegt hij eigenlijk hetzelfde, als wanneer hij gezegd had, dat Christus geboren is uit een maagd.

Ook Johannes denkt niet zoozeer aan de moeder van Jezus, als hij schrijft: „en het Woord is vleesch geworden".

Verder betuigt deze tekst, dat Christus de Wet te niet gedaan heeft, toen Hij deze vervuld had; en hierdoor heeft Hij bevrijd degenen, die door de Wet verdrukt werden. Ook blijkt hier, dat Christus geen nieuwe Wet ingesteld heeft: naast en overeenkomstig de oude Wet van Mozes.

De monniken en sophisten dwalen dan ook, en zij doen Christus smaad aan, wanneer zij zich inbeelden, dat Hij een nieuwe Wet gegeven heeft: buiten die van Mozes om. Zij dwalen als de Turken, die er zich op beroemen, in Mohammed een nieuwen en beteren wetgever te bezitten, dan Christus is.

Hij is niet gekomen om de oude Wet af te schaffen en een nieuwe in te stellen, maar Christus is door den Vader in de wereld gezonden, opdat Hij degenen, die onder de Wet van Mozes zuchten, bevrijden zou.

In deze woorden teekent de apostel Christus, zooals Hij werkelijk is. Zijn bediening bestaat in „verlossen'', en niet in het geven van een nieuwe Wet.

Christus zelf zegt in Johannes 8 vers 15: „Ik oordeel niemand".

En in Johannes 12 vers 47 spreekt Hij : „Ik ben niet gekomen, opdat Ik de wereld oordeele, doch opdat Ik de wereld zalig make".

Dit alles wil zeggen: Ik ben niet gekomen om een wet te geven, en om de menschen daarnaar te oordeelen, gelijk Mozes en andere wetgevers gedaan hebben, doch Mijn ambt staat hooger en heeft een verhevener bedoeling. De Wet doodt u; Ik daarentegen veroordeel de Wet en doe haar te niet. Op deze wijze bevrijd Ik u van haar tirannie.

Christus heeft ons dus van de dienstbaarheid en de tirannie der Wet verlost. De opvatting, dat Christus zonder meer een wetgever, een tiran en een rechter is (nog vreeselijker dan Mozes), kan zelfs in deze dagen, waarin het licht der Waarheid zoo helder straalt, niet geheel uit het menschelijk hart gebannen worden.

Bedoelde gedachte is ons van onze jeugd af voorgehouden, en daarom kunnen wij ons moeilijk van haar losmaken.

Gij, jongelingen, die nog met nieuwe vaten vergeleken kunt worden, en die nog niet besmet en aangestoken zijt door goddelooze opvattingen, — gij jongelingen, zeg ik, gij kunt met minder moeite Christus recht leeren kennen, dan wij, ouderen, die verkeerde denkbeelden en voorstellingen niet meer zoo gemakkelijk van ons kunnen zetten. Een en ander wil echter niet zeggen, dat gij de listige raadslagen van Satan geheel zoudt kunnen ontgaan. Want hoewel gij nog niet door de goddelooze opvatting, als zou Christus zonder meer een wetgever zijn, vergiftigd en aangetast zijt, — zoo wordt in u toch alles gevonden, dat bedoelde verkeerde opvatting bevorderen kan. Uw vleesch, uw menschelijk verstand en uw verdorven natuur leiden namelijk gemakkelijk, tot het denkbeeld, dat Christus een wetgever is. Met alle kracht, die in u is, moet ge er dus naar streven, Christus te leeren zien, zooals Paulus Hem schildert.

Het is derhalve nuttig, om alle liefelijke en troostrijke uitspraken aangaande Christus, welke Hem juist en duidelijk teekenen, steeds voor den geest te hebben, opdat wij in alle omstandigheden en gevaren des levens (zoowel, wanneer wij ons geloof belijden ten overstaan van een of anderen tiran, als in de ure van onzen dood) zeggen kunnen: Wet, gij hebt op mij geen recht meer ; ge klaagt mij dus tevergeefs aan, en ge kunt mij niet meer veroordeelen. Ik geloof namelijk in den Heere Jezus Christus, den Zoon van God, welken de Vader in de wereld gezonden heeft, opdat Hij ons, ellendige zondaren, die gebukt gingen onder de heerschappij en tirannie der Wet, van dien druk bevrijden en ver­lossen zou. Wanneer ik uw bedreigingen en verschrikkingen hoor, o Wet, dan neem ik mijn toevlucht tot de wonden, het bloed, den dood, de opstanding en de overwinning van Christus!

Buiten Hem wil ik van niets weten!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 juli 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE HISTORIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 juli 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's