Jezus de Christus
Het Evangelie is even weinig reformatorisch, hetzij men dit naar Luther, Calvijn of Zwingli belijdt, dan Roomsch of wat anders. Het is van Christus. Het Evangelie is niet van deze aarde, maar het is voor de aarde. Wie het Evangelie belijdt, is Christen. Dat is van ouds zijn naam. Hij behoort tot de kerk van Christus en zoo het hem een kracht Gods tot zaligheid is geworden, is hij van Christus en een levend lidmaat Zijner gemeente. Wij hebben er op gewezen, dat Christus zelf het Evangelie bedient door Zijn Heiligen Geest. Het is het voorrecht der kerk bij die bediening betrokken te worden niet alleen in het belijden, maar ook in het bedienen. Dientengevolge is zij geroepen tot de prediking des Evangelies. Reeds uit de dagen der apostelen wordt deze dienst als arbeid in het Woord onderscheiden. De ouderlingen, die in het Woord arbeiden, zijn dubbele eer waardig. Daaruit kan men tevens verstaan, dat de prediking des Evangelies naar hun voorbeeld aan het Woord is gebonden.
Hoe men dat Woord heeft te verstaan, kan daarom geen twijfelachtige zaak zijn. De Evangelieprediking naar het bevel van Christus is het Woord bedienen en het Woord bedienen is het Evangelie prediken. De prediking der apostelen aan de Joden geeft daarvan dan ook duidelijk blijk. Immers Paulus, optredende in hunne synagogen, begon telkens weer uit de Schriften aan te toonen, dat Jezus is de Christus. Ook bij Petrus in zijn Pinksterprediking merken wij dat op. Het Evangelie was den Joden niet onbekend. Zij verwachtten de verlossing naar de beloften Gods, en zij hoopten ooit op den Verlosser, die komen zou, zooals hen door de profeten geleerd was.
Paulus, in de Schriften onderwezen en naar de strengste secte der Joden opgevoed, wist deze dingen, maar verstond ook den tegenstand, omdat hij dien in eigen gemoed had gekend: n.l., dat die Jezus, dien hij thans predikte, de beloofde, de Gezalfde des Heeren, de Christus was. Daarom beijverde hij zich om hen aan te toonen, dat Hij het w, as, opdat zij in Hem gelooven zouden. Niettemin stuitte hij bij hen veelal op ongeloof. Met droefheid spreekt hij over de verharding, die over zijn volk was gekomen.
Jezus de Christus. Het is niet alleen een ergernis voor de Joden en een dwaasheid voor de Grieken. Evangelie, heilsverwachting, ontbreekt niet in de wereld. De ellende drijft uit naar ontkoming en voedt altijd weer de verwachting van een heilbrenger. Zij houdt ook den mensch werkzaam. Men wil nog wel van een evangelie weten, en zoekt het zoowel binnen als buiten de kerk en het meest bij de menschen. Maar het Evangehe wekt ergernis, want het Evangelie komt met de boodschap, dat Jezus is de Christus. Dat is de ergernis van het Evangelie. Die Jezus, welke ons in de Schrift wordt voorgesteld, die door de apostelen is gepredikt als de eenige Middelaar en Zaligmaker, buiten Wien geen heil te zoeken of te vinden is. Die Jezus, de Heiland der wereld, de Verlosser en Vervuller van het Evangelie, het middelpunt van de verwachting der eeuwen ? Dat is zoo geheel anders, als de mensch het zou wenschen. Daarom, wordt het Evangelie voor velen onaannemelijk, niet maar een enkele ergernis, of een enkele dwaasheid, maar een opeenstapeling van struikelblokken. Gods Zoon, en toch waarachtig mensch, de geboorte uit de maagd. Zijn wonderen. Zijn lijden en sterven, het kruis en vooral Zijn opstanding en hemelvaart.
Kan dat nu alles zoo zijn? Is dat misschien geen inbeelding, geen mythe, waarin de menschen hun religieuse en geestelijke ervaringen en gedachten hebben neergelegd, zoodat het alles anders en geestelijk moet worden verstaan ?
Zoo kan de ergernis zich tegelijketijd openbaren en verschuilen in een geestelijk gewaad. Maar daarom is de prediking der apostelen van zooveel beteekenis, die deze ergernis voorop stelt; aantoonende uit de Schriften, dat Jezus is de Christus. Welken Jezus zij als de Christus hebben gepredikt, is onweerlegbaar duidelijk. Het is dezelfde, van Wien Petrus te Jeruzalem: getuigt tot de Joden, die Hem gekruisigd hebben, de Christus der Evangeliën. Deze Jezus is de Christus van het Evangelie Gods, de Zaligmaker der wereld. Daaraan ontkomt men niet. En daaromtrent is ook geen twijfel in de kerk. De kerk des Heeren belijdt in al haar confessioneele schakeeringen dezen Jezus als Christus, de Heere.
Er kan dus nog geen sprake zijn van confessionalisme, als de kerk bij deze belijdenis volhardt en over haar prediking waakt, opdat haar getuigenis van den Christus geen ander zij dan de apostolische, dat Jezus is de Christus.
Op dit cardinale punt wijzen wij telkens weer, omdat het nog altoos voor velen moeilijk is dezen Jezus als de Christus te belijden. Zij hebben daarom ook bezwaar tegen de Apostolische belijdenis, tenzij een ieder de daarin genoemde heilsfeiten naar eigen interpretatie mag nemen. In de tweede plaats moge de aandacht nog eens worden gevestigd op het algemeen Christelijk geloof, hetwelk in dit eene stuk : „Jezus de Christus'' wordt uitgedrukt.
Bezien wij de z.g. richtingen in het stuk van deze algemeene Christelijke belijdenis, dan maakt zij sciheiding tusschen wat nog als kerkelijke richtingen kan worden aangemerkt en wat niet. Met deze algemeene belijdenis staan wij op algemeen kerkelijk terrein. Richtingen, die in andere stukken afwijken, kunnen, mits zij in deze algemeene belijdenis overeenstemmen, als kerkelijke richtingen worden aangemerkt. Onder dit aspect zijn b.v. de Luthersche, de Gereformeerde of Zwingliaansche richting kerkelijke richtingen. Doch een richting, die reeds in dit capitale stuk bedenking heeft en niet onomwonden medegaat met de belijdenis, dat de Jezus der Evangeliën, de Christus is, inclusief de heilsfeiten, kan zelfs als kerkelijke richting niet gelden, omdat zij zich buiten het fundament van het algemeen Christelijk geloof stelt. De houding der vrijzinnigheid jegens de Apostolische belijidenis kan dit illustreeren. Behalve den afkeer van alles wat naar een vastgestelde belijdenis zweemt, staat zij negatief ten aanzien van geloofsstukken, die voor de kerk van Christus boven allen twijfel verheven zijn. Wanneer vrijzinnige woordvoerders spreken van de „gangbare" beteekenis in orthodoxen zin, geven zij daarin blijk, althans theologisch wel te kunnen begrijpen, dat deze tegenstellingen niet meer vallen binnen de fundamenteele gemeenschap van het algemeen en ongetwijfeld Christelijk geloof. De handhaving van het vrijzinnig standpunt is dan ook onvereenigbaar met de fundamenteele stukken van het algemeen Christelijk geloof en in strijd met den aard en de roeping der kerk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 augustus 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 augustus 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's