Het Evangelie
De vraag, wat eigenlijk Gereformeerd is, is in haar onderscheidende beteekenis nog niet beantwoord. Alles wat wij tot nog toe in de confessie hebben gevonden, beweegt zich op het algemeene reformatorische en wij mogen wel zeggen, op het Christelijke standpunt.
Het ging tot dusver allermeest over het gezag der Heilige Schrift en de beteekenis van de kerkelijke belijdenis. Het eigenlijk onderscheidende van de gereformeerde belijdenis kan uiteraard worden gevonden uit de vergelijking met andere kerkelijke belijdenisgeschriften. En waar wij ons bezig houden met de reformatorische religie, kan deze vraag worden beperkt tot de reformatorische belijdenisschriften.
Ook dan is er nog een algemeene overeenkomst, in zooverre zij alle reformatorisch zijn, d.w.z. terug gaan op de Oude Christelijke kerk en met deze op de Schrift. Vandaar dat de belijdenis van het Schriftgezag algemeen mag genoemd en zooals wij gezegd hebben, der kerk eigen is. Zij kan daar niets in veranderen, zonder haar eigen fundament weg te slaan, want de kerk des Heeren staat op het fundament der apostelen en profeten.
Het is daarom van belang nog eens de aandacht te vestigen op het Evangelie. Immers allen, die meenen op den grondslag der reformatie te staan, scharen zich om het Evangelie. Zij noemen en roemen het Evangelie als de boodschap der kerk en zien in de verkondiging des Evangelies ook de eerste en voornaamste opdracht der kerk. Daaruit komen zij tot een roeping der kerk jegens de wereld. Dat alles heeft zijn beteekenis te midden van de opvattingen, die men richtingen noemt.
En nu het kerkelijk besef in deze dagen wordt opgewekt en naar het schijnt ook inderdaad meer levend wordt, dringt het gevoelen eenerzijds sterker op den voorgrond, dat de tegenstellingen der richtingen op een conflict wijzen, hetwelk met de kerkelijke gemeenschap niet wel te vereenigen is. Reeds uit dit gevoelen wordt men tot bezinning op den aard en. het wezen der kerk uitgedreven. Deze dringt op haar beurt ook de vragen aangaande Schrift en belijdenis weer op den voorgrond, zoodat deze niet alleen belangstelling vragen in de kringen, die dienaangaande een gevestigde overtuiging aanhangen. Die belangstelling gaat verder. Ook in andere kringen komt beweging, waardoor genoemde vragen een nieuwe actualiteit verkrijgen. De Catechismus heeft opnieuw de aandacht gewonnen bij velen, die weinig of geen kennis van zijn inhoud droegen, wijl het kerkelijk onderwijs, dat zij genoten, dit leerboek had veronachtzaamd. Deze hernieuwde belangstelling wekt, zooals wij hebben opgemerkt, ook andere reacties, die een eigenaardig tegenbeeld van de genoemde verschijnselen doen zien. In vrijzinnige kringen gaat een stem van protest op, die de vrees voor een opkomend confessionalisme verraadt. Eenerzijds mag dit er op wijzen, dat men een verschuiving naar de confessie waarneemt, anderzijds teekent zich in dit protest een tegenstelling af, die op innerlijke controversen tusschen het kerkelijk geloof en het vrijzinnig uitgangspunt wijst.
De uitgesproken tegenstelling met wat men confessionalisme noemt, of wat men daarvan vreest, is echter niet de eenige reactie, welke men kan waarnemen. Er zijn er ook, die de „Bijbelsche Boodschap'' en het „Bijbelgezag" op een wijze verstaan, welke ruim genoeg is om met de confessioneel-gezinden in den geest vereenigd te zijn zonder hun vrijzinnig critisch standpunt prijs te geven.
Nu zal niemand ontkennen, dat ook zelfs binnen den kring van de kerkelijke gemeenschap, welke confessioneel bepaald is, altijd nuanceeringen en verscheidenheid van opvattingen zullen worden gevonden. Het leven vertoont altijd en overal verscheidenheid. Dat heeft echter zijn grenzen en mag nimmer leiden tot dogmatisch indifferentisme. Nimmer kan de kerk onverschillig zijn voor het dogma. De geschiedenis van het dogma is een stuk van haar leven. Indien zij zich daartegenover onverschillig betoonde, sneed zij in eigen vleesch. En daarom mag er nog wel eens op het Evangelie gewezen worden, opdat men zich rekenschap geve, dat het Evangelie van Christus een vrijzinnig critisch standpunt jegens dit Evangelie ten eenenmale uitsluit.
Wie de belijdenis der kerk nagaat, zal tot de ontdekking komen, hoe de reformatoren het Evangelie der Schriften verstaan. Het Evangelie is de Boodschap des heils, de goddelijke belofte der verlossing, en strikter nog de belofte Gods van den Verlosser der menschheid.
Het is bekend, dat de verwachting van een Verlosser of Heilbrenger ook onder andere volkeren reeds in de oudheid heeft geleefd. Op zichzelf wijst dit op het algemeen besef van de ellende, waarin de mensch verkeert. Dat echter niet alleen, want indien het menschelijk geslacht niet anders wist dan de werkelijkheid, waaronder het bestaat, verklaart dit op zich zelf nog niet het gevoelen, dat het zoo niet blijven kan en eigenlijk anders moest wezen. In deze gevoelens zijn religieus-ethische factoren werkzaam, die op het abnorma; le wijzen en naast de waardeering als kwaad ook de hoop op verlossing deden opkomen. Ten deele wortelen zulke gevoelens diep in het algemeen menschelijk bewustzijn, hoewel de verwachting van een Heilbrenger bezwaarlijk is te verklaren uit een Godsbesef, dat voor alles met vrees is vervuld.
Het is dus begrijpelijk, dat het onderzoek zich richt op den oorsprong van zulk een verwachting. Waar en wanneer werd die verwachting geboren. Dr Edelkoort behandelt in zijn pas verschenen boek over : „De Christusverwachting in het Oude Testament" (H. Veenman & Zonen, Wageningen, 1941) ook deze vraag. Hij komt tot de conclusie, dat Israels heils- en Heilandsverwachting niet uit Egypte en evenmin uit Babylonië kan worden afgeleid, maar alleen verstaan zal kunnen worden uit Israels eigen geestelijk bezit. (blz. 35). Van stap tot stap teruggaande in de periode vóór de Koningen van Israël langs de aartsvaders, over Noach, komt hij tot de bekende plaats in Genesis 3 : 15. Hij merkt daarbij op, dat tot het einde der negentiende eeuw deze plaats als Messiaansche profetie heeft gegolden en dat eerst daarna dit woord uit de rij der Messiaansche teksten verdween (n.l. in het oog der onderzoekers). Daartegenover zegt hij o.i. terecht: „Wij zouden juist willen opmerken, dat directer belofte van een komenden Heilbrenger wel niet gegeven kon worden, als wij dit woord maar niet met Westersche, maar met Oostersche oogen lezen. Dan zien wij in Gen. 3 : 15 een lijn aanvangen, die is geëindigd in de vleeschwording van Hem, die tegelijk God en mensch was. En wij nemen de oude benaming over en noemen dit woord het prot-evangelium, den aanvang, de kiem, den oorsprong van het Evangelie", (blz. 105)
Dit komt overeen met wat wij onlangs over deze zaak schreven en dat is, zooals men kan weten, ook in overeensteniming met de reformatorische belijdenis.
Het Evangelie begint in Gen. 3 : 15. Daar vindt men zijn eerste openbaring niet alleen in een woord Gods, maar in een daad. Woord en daad is bij God een en hetzelfde. Het Evangelie is een kracht Gods tot zaligheid. Daarom is het maar niet een woord, maar het doet wat, het werkt wat uit, het schenkt vertroosting, werkende een waarachtige bekeering tot God. Waar de belofte Gods ingang vindt, gaat zij ook in vervulling. Daarom heeft de kerk altijd van den beginne aan uit het Evangelie geleefd. Zij heeft het niet getoetst op zijn waarheidsgehalte, maar zij heeft het als een kracht Gods ervaren. Adam en Eva hebben uit wat men dan het prot-evangelium noemt, geleefd. In de kiem lag het geheele Evangelie.
Zoo hebben ook de reformatoren het verstaan. De boodschap der kerk is het Evangelie, dat in Genesis 3 : 15 door God aan den gevallen mensch geschonken, daarna nader heeft geopenbaard en in Zijn Zoon vervuld. Dat blijkt heel duidelijk uit de belijdenis. Men leze Art. 17 en 18 der Ned. Geloofsbelijdenis.
„Wij gelooven, dat onze goede God, door Zijn wonderlijke wijsheid en goedheid, ziende dat zich de mensch alzoo in den lichamelijken en geestelijken dood geworpen en geheel ellendig gemaakt had, zich zelven begeven heeft om hem te zoeken, toen hij al bevende voor Hem vlood, en heeft hem getroost, beloovende hem Zijnen Zoon te geven, die worden zou van een vrouw, om het hoofd der slang te vertreden en hem gelukzalig te maken".
Dat is het Evangelie in één zinsnede. Genesis 3 : 15 gelezen van uit het geloof der kerk, die daaruit van meetaf heeft geleefd. Het Evangelie niet alleen als belofte, maar als de zoekende daad Gods, waarin reeds de vervulling der belofte uit Zijn eeuwige liefde wordt betoond. Bovendien schuilt daarin nog een verborgenheid van het Evangelie, dat men veeltijds over het hoofd ziet, n.l. dat God zelf Zijn Evangelie als een kracht Gods tot zaligheid bedient. De belijdenis laat daarop het accent vallen door niet met de belofte aan te vangen, maar met de zoekende daad Gods. De bediening des Evangelies is aan den Christus, den Middelaar en Verlosser zelf opgedragen en het volgt uit deze bediening, dat Hij Zijn kerk bevel gegeven heeft het Evangelie te prediken aan alle creaturen. Reeds uit dien hoofde is het volkomen schriftuurlijk te gelooven, dat deze Middelaar zelf tot den gevallen mensch kwam, zoodat deze uit den mond van den hoogsten Profeet en Leeraar het Evangelie ontving. Het begin des Evangelies van Christus is hier en deze belijdenis gaat bij gevolg over den ganschen inhoud der prediking van het Oude en Nieuwe Testament.
De belijdenis wijst verder in Art. 18 alleen op de belofte, aan de Oud-vaderen gedaan door den mond Zijner heilige profeten, doch de Catechismus is wat uitvoeriger. Vr. 19 : „Waaruit weet gij dat ? Antw. : Uit het heilig Evangelie, hetwelk God zelf eerstelijk in het paradijs geopenbaard heeft en namaals door de heilige patriarchen en profeten laten verkondigen, en door de offeranden en andere ceremoniën der Wet laten voorbeelden, en ten laatste door Zijnen eeniggeboren Zoon vervuld".
Hier wordt in het kort het Evangelie in den gang zijner openbaring en in zijn eenheid geteekend, zooals het geloof der kerk van Christus dat ziet. Tevens werpt dit zijn licht op het Schriftgeloof en het Schriftgezag, waaruit de confessie spreekt, terwijl de belijdenis niet anders op het oog heeft als dit Evangelie, waarvan de Schrift is vervuld. Daarom zijn Schrift en belijdenis verbonden door de levende betrekking des geloofs naar het Evangelie van den Heere Jezus Christus, als een kracht Gods tot zaligheid. Christus, heeft dat Evangelie aan Zijn kerk van den beginne aan geopenbaard en bediend door Zijn Woord en Geest. In dat Evangelie wortelt de eenheid en gemeenschap der kerk, welke allen vereenigt, die datzelfde Evangelie deelachtig zijn.
Dat Evangelie laat zich niet uit elkander scheuren. Wie van de boodschap der Kerk spreekt, spreekt van dit Evangelie, hetwelk slechts in gehoorzaamheid aan den Christus der Schriften kan worden gepredikt, omdat het in Zijn hand is en het werk der bediening aan Hem is opgedragen.
De gemeenschap en overeensternming in de capitale vragen aangaande Schrift en belijdenis komen in den grond der zaak neer op het gemeenschappelijk geloof in dit Evangelie. Deze capitale vragen hebben met confessionalisme niets uit te staan. Zij worden beslist door de eenigheid, goddelijken oorsprong en de bediening van het Evangelie, waarvan de kerk de levende openbaring is. Het eerste, wat zij belijdt, is het Evangelie der verlossing als een kracht Gods tot zaHgheid. Daarin is gelooven en belijden één. Die van de Boodschap der kerk gewaagt, belijdt reeds, want de Boodscihap der kerk is het Evangelie der Schriften.
Zoo iemand de Boodschap der kerk anders neemt, of naar eigene uitlegging en opvatting wil verkondigen, hoe kan hiJ rekenen op de bediening des Evangelies door Christus als een kracht Gods tot zaHgheid, die de Middelaar en Hoogepriester des Evangelies is ? Daarom zal de kerk geen andere prediking kunnen toelaten en haar roeping vervullen, dan die met het Evangelie overeenkomt, dat haar door God is toebetrouwd. De nadruk der reformatoren op de leer der apostelen en der profeten heeft dan ook geen andere strekking dan de onderhouding van het Evangelie van Christus naar de Schriften. Dat Evangelie ligt evenals de Christus, buiten het bereik eener wijsgeerige of theologische critiek. De kerk is dan ook niet geroepen om het naar een of anderen menschelijken norm op zijn waarheidsgehalte critisch te onderzoeken. Doch wel is zij geroepen de geesten te beproeven, of zij uit God zijn en het Woord der Waarheid recht te snijden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 augustus 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 augustus 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's