De Hervormde Kerk en de eenheid der kerken
De zelfstandigheid der plaatselijke kerken
III.
De zelfstandigheid der plaatselijke kerken
Ons vorig artikel eindigde met te wijzen op de zelfstandigheid der plaatselijke Kerk. Prof. Severijn wijst er nu op, dat dit beginsel prijsgegeven is door de organisatie van 1816. Als we het strikt nemen, dan zijn in 1816 de plaatselijke kerken opgeheven. Ze zijn afdeelingen geworden van het geheel der Hervormde Kerk „als de afdeelingen van een door het gansche land verspreide vereeniging". De Hervormde Kerk aïs geheel wil zoo een openbaring van Christus' lichaam zijn. Wanneer wij nu letten op de gemeenschapsoefening der kerken, dan neemt de Hervormde Kerk slechts de plaats in van een kerk onder de kerken. Met het oog op het buitenland doet dit niet zoo vreemd aan, maar wèl met het oog op het binnenland, omdat de Hervormde Kerk toch alle plaatselijke kerken vereenigen wil in een gesloten gemeenschap.
Hiermee in strijd is vanzelf het bestaan van de Gereformeerde Kerken, die van de Hervormde Kerk zijn uitgegaan. Daardoor komt een conflict tot openbaring met de organische eenheid der Kerk.
Nog ingewikkelder wordt het, als we hierbij de belijdenis betrekken, omdat de belijdenis der Hervormde Kerk nog steeds dezelfde is als van de gescheiden kerken. We mogen uit dit alles wèl concludeeren, dat de organisatie der Hervormde Kerk de eenheid als de gemeenschap der Gereformeerde Kerken van weleer niet heeft kun nen bevorderen of behouden. Toen door de organisatie van 1816 de zelfstandigheid der plaatselijke kerken werd opgeheven, is tevens de voorwaarde der gemeenschap mede opgeheven.
Hierdoor zien we, dat de erkenning van de zelfstandigheid der plaatselijke kerken van bijzonder gewicht is. Christus vergadert, beschermt en regeert Zijn Kerk en Hij doet dat door middel van de ambten en bedieningen. Hij is daaraan wel niet gebonden, maar dat doet niets af van Christus' ordening om door de ambten gediend te worden. Daarin vervult Hij Zijn drievoudig ambt van Profeet, Priester en Koning. „Christus predikt door den dienst des Woords, Hij regeert door het regeerambt en doet barmhartigheid door de bediening der liefde". Hier hebben we de ambten van dienaar des Woords, ouderlingen en diakenen.
Dit nu is van groote beteekenis. Prof. S. wijst er op, dat in het eenheidsinstituut de ambtelijke bediening niet tot haar recht kan komen. Onder de huidige synodale organisatie zijn ook wel de ambten in iedere godsdienstoefening, maar deze komen niet tot haar recht.
Christus is immers de Wijnstok en gij zijt de ranken, zegt Christus tot Zijn gemeente. Waar Christus is, de Wijnstok, daar zijn de ranken, en omgekeerd. De ranken zijn niet ergens op een bundel vergaderd, terwijl de Wijnstok er buiten staat. Dit beeld gebruikt Prof. S. om aan te toonen dat deze betrekking van Christus tot Zijn Gemeente alleen tot haar recht kan komen in de zelfstandige plaatselijke Kerk. In de Hervormde Kerk als geheel onder de huidige organisatie, worden de plaatselijke gemeenten gemaakt tot twijgen van den wijnstok, maar de wijnstok is er niet. Alleen in het hoogste bestuur der Kerk zou het drievoudig ambt in het volledig gezag der ambten tegenwoordig zijn. In de lagere besturen kan dit drievuldig ambt dan slechts een min of meer afgeleid gezag doen gelden. Dit komt vooral uit in het regeerambt, b.v. in de bevoegdheden der besturen. Deze zijn trapsgewijze geregeld en vastgelegd in de reglementen der Kerk. Zij hebben een afgeleid gezag volgens de bestuursorde, maar de ambten hebben onder het onmiddellijk gezag van Christus hun roeping te vervullen. Hier hebt ge de tweeslachtigheid, „die telkens weer tot conflicten moet leiden tusschen de geestelijke roeping en de reglementaire orde". Als men immers het reglement loslaat, dan is de eenheid stuk. De eenheid van de organisatie van 1816 heeft haar wortel in het kerkelijk statuut, in het kerkelijk reglement. Dit nu is fout. Want de eenheid der Kerk is geworteld in de religie, zooals de Kerk deze belijdt in haar belijdenis.
Daarvian moet uitgegaan worden. Dan zou ook de zorg der kerkregeering moeten gaan „over de onderhouding van het gemeenschappelijk geloof, naar de beginselen in haar confessie (belijdenis) uitgedrukt en overeenkomstig den daarin beleden regel des geloofs.
Hiertoe zijn twee dingen noodig, n.l. de goede werking der drie ambten en daarom de loslating van het eenheidsinstituut van 1816. Het eenheidsinstituut beantwoordt niet aan zijn opzet, zooals wij zagen. Als we 't oog op andere kerken slaan, dan kan het dus am deze eenheid niet gaan. Het gaat dan om de geloofseenheid, om de geloofsgemeenschiap, die zich verder uitstrekt dan de Hervormde Kerk.
De belijdenis biedt hier allereerst een gewenschte uitkomst.
Zooals we weten, hebben verschillende kerken, b.v. de Ned. Hervormde Kerk, de Chr. Gereformeerde Kerk enz., dezelfde belijdenis, n. 1. de Drie Formulieren van Eenigheid. Omi nu de gemeenschap te onderhouden, wijst Prof. S. op een algemeene synode van de gemeenschappelijk belijdende kerkformaties. Dat er afzonderlijke kerkformaties zijn, behoeft dan ook geenszins het eerste punt voor bespreking te vormen. Men moet ook niet allereerst beginnen met die afzonderlijke kerkformaties op te heffen. Neen — 't ware reeds veel, als de verschillende kerken op de grondslag der belijdenis eens bijeenkwamen. De voornaamste zaken van de gemeenschappelijke belijdenis zouden voldoende stof bieden voor zulk een Synodevergadering. In alle kerken zou van genomen beslissingen kracht uitgaan en ook de prediking des Woords zou, wegens eensgezindheid in de leer, mits deze naar de Schrift is, aan kracht winnen. Vanzelf zouden te zijner tijd ook verschilpunten aan de orde komen — om liturgische aangelegenheden nog niet te noemen.
Hier rijzen allerlei bezwaren. Prof. S. wijst daarbij inzonderheid op de toestand in de Ned. Hervormde Kerk. Is deze een gereformeerde Kerk ? Als wij naar haar belijdenis oordeeleni wel, maar als wij op haar organisatie zien — „maar wij zouden deze om practische redenen nog even laten rusten", zoo voegt Prof. S. er aan toe.
De Hervormde Kerk moest dan toch haar belijdenis laten gelden. En van de kansels mag niet verkondigd worden wat iemand naar eigen inzicht meent te moeten zeggen, maar het getuigenis der Kerk zal moeten worden vernomen. De Kerk is gebonden aan de opdracht, welke zij van Christus ontving. In het stuk van de leer is de plaatselijke Kerk geheel vrij in de Hervormde Kerk. Men late die vrijheid bestaan. Maar, wanneer dan eenige Kerk in de kernpunten afwijkt en daarin blijft afwijken, dan zal de vergadering der kerken haar zoo noodig van de gemeenschap uitsluiten. In de Hervormde Kerk nu treedt de bestuursorganisatie op in de plaats der kerkelijke vergaderingen. Daarmee is het gemeenschappelijk overleg der kerken aangaande de leer opgeheven. Wat intusschen niet wil zeggen, dat de bestuursorganisatie zich ontslagen kan achten van de zorg voor en de handhaving van de leer. Heeft ze hierbij een opvatting, zooals deze te vinden is in Art. 11, dan komt de zorg voor en de handhaving van de leer op het tegendeel neer. Neemt de bestuursorganisatie wèl de zorg voor en de handhaving van de belijdenis ter hand, dan doet zij wat der Kerk is. Waarbij komt, dat de synodale organisatie niet bevoegd is om beslissingen inzake de leer te nemen. Zij is alleen bestuur der Kerk, niet de Kerk zélf. Hoogstens kan zij maatregelen treffen om de leer te handhaven. Moeten er beslissingen in leergeschillen worden genomen, dan moet de synodale organisatie toch weer een instantie in het leven roepen, waardoor de Kerk zélf spreken kan en een beslissing kan nemen en ook tucht kan oefenen. Wanneer de huidige bestuursorganisatie dus de Kerk wil dienen, dan zal zij de leiding moeten nemen om de Kerk weer aan haar recht en orde te brengen.
Het zou inderdaad kostelijk zijn, wanneer de Hervormde Kerk zich van haar roeping bewust werd. Terecht wijst Prof. S. er op, dat niemand dan eischen kan, dat zij die roeping niet zou aangrijpen, omdat zij het zoolang heeft nagelaten. Als de Kerk volgens Gods Woord onderzoek oefende over leer en leven dergenen, die tot den Heihgen Dienst worden toegelaten, gaat zij daarmee niet buiten haar plicht en roeping. Wanneer zij zorgt dat het openbaar getuigenis niet in strijd is met de kernpunten van het gemeenschappelijk geloof, dan deed ze niets meer dan wat de Kerk schuldig is te doen. De eerste stap, die de Kerk heeft te zetten, ligt niet op het terrein van de organisatie, maar de Kerk heeft allereerst te beginnen met haar roeping te vervullen in gehoorzaamheid aan Gods Woord. Waarbij ze heeft uit te gaan van haar reformatorische belijdenis. Bij dit alles moet echter bedacht worden, dat de Hervormde Kerk haar geschiedenis niet in één dag ongedaan kan maken. Dit alles geldt ook ten aanzien van zooveel arbeid die tot de roeping der Kerk behoort, waarin de Kerk leiding moet geven, zooals Zending, jeugdarbeid, diaconale arbeid, inwendige Zending, wat nu door Vereenigingen en Bonden wordt behartigd.
Naar binnen en naar buiten moet het werk worden aangegrepen, opdat de Kerk zich overeenkomstig haar roeping en verantwoordelijkheid openbare. Dat is eenerzijds de conclusie. Anderzijds moet men zich wachten voor overhaaste pogingen tot vereeniging en hereeniging. Plaatselijke besprekingen tusschen verschillende kerken kunnen zeer nuttig zijn „als voorbereiding en tot het opwekken van gezond kerkelijk besef". We moeten naar elkander toegroeien. Hereeniging der kerken is dan een feit geworden, „zoodra de kerken, die thans tot verschillende formaties behooren, in haar ressort als één classis vergaderen". We wijzen nog eens op het beginsel van de zelfstandigheid der plaatselijke kerken. Welnu — aldus Prof. S. — deze zelfstandigheid der plaatselijke kerken, van de Geref. Kerken, de Chr. Geref. Kerk, de Geref. Gemeenten, blijve onaangetast en in de Hervormde Kerk moeten langzamerhand de rechten der plaatselijke kerken en van haar classicale vergaderingen worden hersteld. Op een plaats, waar al deze kerken vertegenwoordigd zijn, behoeven deze niet onder één kerkeraad te worden gebracht. Er is geen enkel bezwaar tegen, dat deze als zelfstandige kerken blijven bestaan.
Prof. S. noemt het een slaafsch begrip der plaatselijke Kerk, wanneer men meent dat in een stad van honderdduizenden of miilioenen inwoners, slechts één plaatselijke Kerk onder één kerkeraad kan zijn. Zoodra een gemeente te groot is voor één herder en leeraar, is er toch geen enkel bezwaar om een tweede zelfstandige gemeente te stichten met eigen kerkeraad en eigen predikant ? In deze richting wil Prof. S. ook nu nog de oplossing van het groote stadsvraagstuk zoeken. Als „de Hervormde Kerk tot deze orde overgaat, is de weg gebaand, welke in de toekomst tot vergadering van alle gereformeerde kerken in dezelfde classes kan leiden".
We hebben in drie artikelen de hoofdzaak van Prof. Severijn's betoog onzen lezers voorgelegd. We hopen, dat het gebodene zal worden overdacht en besproken. Hier is belangwekkende stof voor onze Afdeelingen van den Bond, catechisaties, Vereenigingen van ouderen en jongeren, en vooral niet te vergeten voor onze kerkeraden. Laten onze predikanten eens één of meerdere kerkeraadsvergaderingen beleggen om deze belangrijke aangelegenheden met ouderlingen en diakenen te bespreken. We leven onder de bestuursorganisatie van 1816. Deze kan niet doen, wat der Kerk is. Inderdaad. Maar ze kan toch — zooals Prof. S. opmerkt — „de Kerk bepalen bij haar reformatorische belijdenis en haar op dien grondslag den weg openen tot haar orde. Het kan aan die belijdenis niet tornen en dit zelfs aan de Kerk onder de huidige omstandigheden niet toestaan, maar het kan zich er van bewust zijn, dat de Kerk, die het bestuurt, aan haar belijdenis gehouden is en verantwoordelijk voor de vervulling van haar taak".
We mogen instemmen met de bede : „Geve God, dat zij dien weg moge vinden, opdat door de kracht des geloofs in den eenigen Heere en Zaligmaker, Jezus Christus, de gescheurde kerken in eensgezindheid en gemeenschappelijk geloof als Zijn getrouwe getuige vereenigd, een eenstemmig geluid der bazuin doen hooren van het Evangelie Zijner genade, tot eere Zijns Naams en tot kennis der zaligheid".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 augustus 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 augustus 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's