NIENKE
FEUILLETON
VERHAAL UIT 'T FRIESCHE VOLKSLEVEN
(Met toestemming gever J. H. Kok te Kampen) 98)
Bij het theelichtje eerst even zien, of alles goed was; vanavond bij de lamp kon de brief wel verder gelezen worden. Voorzichtig met een breipriem het zakje losgemaakt. Dat had ze van buurvrouw geleerd ; je beschadigde dan niets van wat daarin zat. Kolossaal, wat begon dat kind mooi te schrijven! 't Kwam zeker, doordat zij het zoo vaak deed. „De derde brief al", had die oude baas gezegd, en daarin had hij gelijk. Zulk brievenvolk wist eigenlijk alles van een ander. Hij zou ook nog wel graag geweten hebben, wat er binnen in geschreven stond, maar dat was lekker mis. Oude vrouw Paulussen was wel goed, maar niet gek. En wat lag hem aan haar zaken gelegen ? Ziezoo, daar was het los. Hé, wat mooi van binnen ! 't Leek wel blauwe zijde. En daar zat het papiertje midden in. Even uithalen. Wat was dat ? Warempel, een bon. „Twee gulden en vijftig cent" stond er op. Zou die oude het geweten hebben ?
Maar het zakje zat toch goed dicht. Daar kon zij niet bij. En dan zoo'n heele, dikke rijksdaalder ! Dat was haar nog nooit gebeurd, zoolang Liesbet diende. Nu moest zij toch ook gauw lezen, wat daar geschreven stond. Even het theelichtje wat hooger en eerst de gordijnen wat beter dicht. Vanzelf, daar stond buurvrouw al weer tusschen haar geraniums door te gluren, om te zien wat zij deed. Zou ze gemerkt hebben, dat er geld uit den brief kwam ? En wat had de postbode ook weer gezegd ?
Hij had het over belasting, en over den keizer, en over alles weer kwijt worden en nog boete bovendien. Als buurvrouw haar nu eens aanklagen ging. Bij den Armmeester, of bij de Voogden, of, wat nog erger was, bij de politie! Zenuwachtig werd enveloppe, brief en zilverbon haastig in de tafella geborgen en toen maar verder gewacht tot het niet in het oog zou loopen, wanneer de lamp ontstoken werd. 't Was anders erg, dat een mensch in zijn eigen kamer nog niet veilig was en niet wist, waar hij met het zijne heen moest!
Ternauwernood kon dan ook het oogenblik worden afgewacht waarop, als naar gewoonte, de gordijnen dichtgehaald werden en licht gemaakt. De klok was nog niet koud, of 't somber vertrek, waar evenwel bij allen eenvoud en armoede de zindelijkheid niet ontbrak, was aan de donkerheid onttrokken. Nog even een turf je bij het vuur voor het koffiewater, om den avonddrank klaar te hebben als Melle kwam. Toen nog eens gezien of werkelijk de buurvrouw niets meer gewaar kon worden, wanneer zij nog eens probeeren mocht haar te bespieden en toen de schat te voorschijn gehaald. Langzaam werd het papier ontvouwd. Nog even de bril schoon geveegd en toen las zij, woord voor woord wegend, en soms herhalend: „Lieve Moeder en Melle.
Gij zult zeker wel vreemd opzien met al weer een brief van mij te ontvangen, maar dat komt zoo, omdat ik mij weer aardig gezond voel en hoop van u hetzelfde, en denk, dat jelui wel blij zult wezen, als dat 't zoo goed met mij gaat. Zooals ik dat al eerder geschreven heb, is die lieve zuster Ina altijd voor mij in de weer en heeft het klaar gespeeld, dat ik hier voorloopig blijven kan, eerst voor 't lichte werk en dan later denk ik in de keuken.
Ik ben daar zoo blij mede en moeder en Melle zeker ook, die zuster is een engel, daar is haar niets te veel en altijd vriendelijk en goed voor elk, en met de kleine baby, zoo noemen ze hier zoo'n kleine, gaat het ook goed. Och, het is zoo'n lieve schat, waar ik elken dag meer van begin te houden. Vanzelf had ik het graag anders gezien, maar het is nu eenmaal zoo en dat arme schaap kan het niet helpen en daarom heb ik het lief als mijn eigen kleine meid. Zuster Ina is er ook gek mee en zij komt vast elken dag wel even op de zaal, waar baby is, om ze even te zien en op den arm te nemen ; zij zegt, dat ze hoopt, dat ik bij de kleine mag blijven, omdat het mijn eigen kind is en dat mag ik toch wel liefhebben, nietwaar ? Ik geloof, dat onze lieve Heer het mij vergeven heeft en hij maakt het nu weer zoo goed met mij, daarom ben ik ook zoo dankbaar en stuur hierbij wat van mijn eerste verdiende loon in het ziekenhuis ; zuster zei, dat dit goed van mij was en dat een kind zijn ouders heeft te eeren en dat God dit zegent, zooals ook in de wet staat; en nu moet moeder daar maar iets voor koopen, waar zij zin in heeft, zooals een stukje vleesch of wat anders, en Melle een half pond tabak.
En wordt de rheumatiek ook al weer wat beter ? 't Zal in Zevenhuizen ook wel koud beginnen te worden, het is op die dorpen altijd zoo koud, veel kouder dan in de groote steden. Nu, nieuws weet ik ook niet meer, als dat ik Zondag voor het eerst met zuster naar de kerk geweest ben. Wat was het mij daar alles vreemd, maar die dominé sprak zoo mooi, precies alsof hij mij kende en wist wat er gebeurd was en nu tot mij sprak. Ik moest er van schreien en als ik weer een vrijen Zondag heb, ga ik weer; jelui gaan zeker ook naar de kerk?
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 augustus 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 augustus 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's