De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE HISTORIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE HISTORIE

Luthers verklaring van Paulus' Brief aan de Galaten

6 minuten leestijd

De vrucht van het Evangelie, dat vrijmaakt van de Wet. Vers 1—7. Vervolg vers 4 en 5.

Hoofdstuk IV.                                                                                                                   De vrucht van het Evangelie, dat vrijmaakt van de Wet. Vers 1—7. Vervolg vers 4 en 5.

Wij worden dus alleen door het geloof gerechtvaardigd, want sedert de worstehng tusschen de Wet en Christus heeft plaatsgevonden, komen werken en verdiensten onzerzijds niet meer in aanmerking; doch Christus heeft alleen in onze plaats zich der Wet onderworpen, en zich, hoewel geheel onschuldig zijnde, aan haar tirannie blootgesteld.

Daar de Wet nu haar recht verloren heeft, en derhalve veroordeeld is, mag zij, waar Christus heerschappij oefent, niet meer genoemd worden, en moet zij wijken, gelijk de duivel vlieden moet voor het kruis.

Zoo zijn wij, geloovigen, vrij van de Wet door Christus, die over haar heeft getriumpheerd.

En de door Christus behaalde zege wordt door ons in het geloof gegrepen en aanvaard.

De beteekenis van de woorden „Christus is geworden onder de Wet" mogen dus wel goed overwogen worden, want zij houden in, dat de Zoon Gods besneden is, voorgesteld is in den tempel, en op gezette tijden zich met anderen naar Jeruzalem begeven heeft, en zich overigens in burgerlijk opzicht aan haar heeft onderworpen. Doch deze woorden getuigen ook, dat Hij zich gesteld heeft onder de tirannie der Wet.

De Wet is namelijk in haar gansche zwaarte op Christus aangevallen, en zij heeft Hem zoodanig beangstigd, dat geen mensch ter wereld ooit een dergelijke benauwdheid heeft moeten doormaken, hetgeen blijkt uit het bloed, dat Hij gezweten heeft; uit het feit, dat Hij' gesterkt is door een engel, alsmede uit Zijn gebed in den hof van Gethsémané en Zijn roep aan het kruis: „Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten ? "

Christus heeft dit alles willen ondergaan, teneinde ons, die onder de Wet waren, te verlossen, dat wil zeggen: degenen, die treuren, in vreeze leven en vertwijfeling kennen, en gebukt gaan onder de zonde. Want dagelijks bezwaren de zonden ons, wijl wij dagelijks tegen alle geboden God's zondigen.

Paulus spoort ons echter aan, moed te grijpen, wanneer hij zegt, dat God Zijn Zoon gezonden heeft.

Zoo is Christus, waarachtig God en mensch als Hij is, uit God van eeuwigheid geboren; uit een maagd echter in den tijd. Hij is niet gekomen om een wet in te voeren, maar om de verschrikkingen der Wet in de hevigste mate te ondergaan, ten einde haar op deze wijze buiten werking te stellen en te overwinnen.

Christus is geen leeraar der Wet geworden, maar een leerling, die aan de Wet gehoorzaam is geweest, opdat Hij verlossen zou degenen, die onder de Wet zijn, hetwelk heel wat andters is, dan de papisten leeren. Zij toch maken van Christus een wetgever, die nog strenger is, dan Mozes was.

Paulus daarentegen leert hier het tegendeel, namelijk, dat God Zijn Zoon heeft laten worden onder de Wet, en Hem heeft doen deelen in het oordeel en den vloek der Wet, in de zonde en den dood.

Christus heeft zich door Mozes laten veroordeelen en dooden, zoodat Hij zich ten opzichte van de Wet lijdelijk gedragen heeft, en om deze reden is Hij dus geen rechter of wetgever; maar door Zichzelf onder de Wet te stellen en haar veroordeeling te dragen, heeft Hij ons van den vloek der Wet bevrijd.

Het feit, dat Christus in het Evangehe geboden geeft en de Wet leert of uitlegt, behoort niet tot het leerstuk der rechtvaardigmaking, maar tot dat der goede werken.

Weliswaar behoort het tot de taak van Christus, om de Wet te leeren, maar zulks is niet Zijn eigenlijk ambt. Een en ander is slechts bijkomstig, gelijk het geen hoofdzaak was, om kranken te genezen, dooden op te wekken, bedroefden te troosten en andere weldaden te bewijzen.

Dit alles zijn wel heerlijke weldaden en daden Gods, maar zij vormen niet Christus' eigenlijke taak en roeping.

Ook de profeten hebben in de Wet onderwezen en wonderen gedaan.

In Zijn strijd met de Wet heeft Christus haar overwonnen, veroordeeld en te niet gedaan, om te verhinderen, dat zij de geloovigen eens voor goed veroordeelen en dooden zou.

Het eigenlijke ambt van Christus bestaat in strijden tegen de Wet, tegen de zonde en tegen den dood der gansche wereld. En de aard van dezen strijd was zoodanig, dat Hij al deze machten wederstaan en overwonnen heeft, zoodat Hij daardoor alle geloovigen van de Wet en haar tirannie heeft bevrijd.

Het leeren van de Wet en het verrichten van wonderen zijn dus niet de eigenlijke redenen van Christus' komst. Beide zijn te beschouwen als apart staande weldaden Gods, die Hij door Christus geschonken heeft.

De profeten en vooral de apostelen hebben grootere wonderen gedaan, dan Christus (Johannes 14 vers 12).

Omdat Christus de Wet overwonnen heeft, moet Hij noodwendig de Goddelijke natuur deelachtig zijn. Want een mensch of een engel staat onder de Wet. God alleen staat boven haar.

Wanneer ge Christus aanneemt naar de wijze, waarop Paulus Hem schildert, dan zult ge niet dwalen of beschaamd uitkomen.

Voorts zal het u niet moeilijk vallen om een oordeel te vellen over allerlei levensverhoudingen, alsmede over de godsdienten en religieuze plechtigheden, welke in de wereld worden aangetroffen.

Heeft men geen juisten kijk op Christus, of is het beeld van Christus verduisterd, dan komt men tot verwarring, want de natuurlijke mensch kan nu eenmaal niet oordeelen over de Wet Gods.

De wijsheid des menschen schiet hier te kort, want de Wet heerscht over ons. De Wet oordeelt nu eenmaal den mensch ; niet omgekeerd.

Alleen een waar christen kan over de beteekenis der Wet oordeelen.

Wat oordeelt hij omtrent haar ? Antwoord : dat zij niet rechtvaardigt. Waarom gehoorzaamt men de Wet dan, als zij niet rechtvaardigt ?

Antwoord : de reden waarom de rechtvaardigen de Wet gehoorzamen, ligt niet in de verwachting, daardoor rechtvaardig voor God te worden, want zij weten, dat alleen het geloof gerechtigheid erlangt; doch bedoelde gehoorzaamheid wordt gebracht, om anderen op te wekken tot geloof in het Evangelie, uit dankbaarheid jegens God, en ter bevordering van den vrede in de wereld.

De paus haspelt de ceremoniëele wet, de Wet der Tien Geboden en het geloof door elkander, en hij weet er geen onderscheid meer tusschen te maken. Zoo komt hij er toe, om de ceremoniëele wetten en die der Tien Geboden te stellen boven het geloof.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 augustus 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE HISTORIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 augustus 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's