De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE HISTORIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE HISTORIE

Luthers verklaring van Paulus' Brief aan de Galaten

6 minuten leestijd

Hoofdstuk IV.

De vrucht van het Evangelie, dat vrijmaakt van de Wet. Vers 1—7.                 Vervolg  vers 4 en 5.

Wanneer Paulus zegt : „opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden", dan bedoelt hij het kindschap Gods. De apostel geeft hier een omstandige en duidelijke verklaring van Genesis 22 vers 18, waar gesproken wordt: „in uwen zade zullen alle volkeren der aarde gezegend worden".

In het voorgaande heeft Paulus de zegen van Abrahams zaad „gerechtigheid'', „leven", „de belofte des Geestes", „de bevrijding van de Wet" en een „testament" genoemd.

Hier spreekt hij over „het kindschap Gods", doelende op het eeuwige leven.

Dit alles ligt in den zegen, aan Abraham geschonken, besloten.

In de plaats toch van den vloek Gods is Zijn zegen gekomen, namelijk gerechtigheid, leven en alle geestelijke goederen.

Krachtens welke verdienste hebben wij dezen zegen echter gekregen, die bestaat in het kindschap Gods en de erfenis des eeuwigen levens ?

Antwoord : in het geheel niet door eenige verdienste ! Wat toch zouden menschen, die besloten liggen in de zonde, den vloek der Wet torsen, en den eeuwigen dood schuldig zijn, als verdiensten kunnen aanvoeren?

Wij ontvangen dus als onwaardigen alles om niet, maar toch ook niet zonder verdiensten.

Wat voor verdiensten zijn dat dan?

Antwoord : niet die van ons, maar die van Jezus Christus, den Zoon Gods, die geworden is onder de Wet : niet voor mij alleen, maar voor ons allen, opdat wij, die onder de Wet waren, door Hem verlost zouden worden.

Het kindschap Gods wordt slechts ons deel door de verlossing van Jezus Christus. Hij is onze overvloedige en eeuwige verdienste.

Tegelijk met dit uit genade ontvangen kindschap werden wij den Heiligen Geest deelachtig, welken God door middel van Zijn Woord in onze harten gezonden heeft, waardoor wij roepen : Abba, lieve Vader !

En overmits gij kinderen zijt, zoo heeft God den Geest Zijns Zoons uitgezonden in uwe harten. Vers 6.

De Heilige Geest wordt gezonden op tweeërlei wijze.

In de eerste Christelijke kerk kwam Hij openlijk en in zichtbare gestalte, gelijk Hij bij den Jordaan op Christus nederdaalde in den vorm van een duif ; op de apostelen daalde Hij neer als vuur.

Dit was de verschijning van den Heiligen Geest in Zijn eerste openbaring. Deze was in de eerste Christelijke kerk noodzakelijk, omdat de gemeente door uiterlijk waarneembare teekenen moest worden gesticht en gefundeerd met het oog op de ongeloovigen.

In 1 Korinthe 14 vers 22 zegt Paulus : „De vreemde talen zijn tot een teeken niet dengenen, die gelooven, maar den ongeloovigen".

Nadien echter, toen de kerk eenmaal gesticht was, was het niet meer noodig dat de zichtbare zending van den Heiligen Geest bestendigd werd.

De tweede vorm, waarin de Heilige Geest komt, is de openbaring van het Woord Gods in de harten der geloovigen, gelijk in dezen tekst gezegd wordt.

Een en ander geschiedt in onzichtbaren vorm, wanneer wij door de mondelinge verkondiging van het Woord warmte en licht ontvangen, waardoor wij andere, nieuwe menschen worden, een nieuw oordeel en nieuwe inzichten deelachtig worden, enz.

Deze verandering van gezindheid en opvatting is geen werk van 's menschen rede, noch een product van eenig mensehelijk vermogen, maar gave en werking des Heiligen Geestes, die door middel van de prediking des Woords tot ons komt, onze harten door het geloof reinigt en geestelijke bewegingen in ons opwekt.

Er bestaat dus een groot onderscheid tusschen ons en degenen, die de leer des Evangelies vervolgen en tegenstaan.

Door Gods genade kunnen wij met stelligheid uit Zijn Woord de conclusie trekken, en ook beoordeelen, wat de Heere van ons eischt, en hoe wij te staan hebben tegenover allerlei leeringen, de Wet en het leven.

De papisten, de dwaalgeesten, zijn tot het vormen van een dergelijk oordeel niet in staat. Zij vervalschen het Woord, en draaien het om ; ook staan zij het tegen, en lasteren het.

Zonder de kennis van het Woord Gods kunnen wij er over geen enkele zaak een oordeel op na houden.

Hoewel de wereld niet op de hoogte is van het feit, dat wij in ons gemoed vernieuwd zijn, en den Heiligen Geest bezitten, — toch blijkt zulks uit onze beschouwing der dingen en uit onze belijdenis, want te voren misten wij in alles een oordeel.

Destijds erkenden wij niet, dat alles onder het oordeel besloten ligt, en dat alleen Christus onze verdienste was ; doch nu ons de zon der Waarheid is opgegaan, — nu staan we heel anders tegenover deze zaken.

Wij worden er dan ook in het minst niet door bewogen, wanneer de wereld, wier werken boos zijn, oordeelt, dat wij ketters en oproerige lieden, verstoorders van den godsdienst en den vrede zijn. Het deert ons niet, al zegt men, dat wij van den duivel bezeten zijn, en dat hij door middel van ons spreekt en werkt.

Tegenover dit valsche oordeel der wereld evenwel, staat de overtuiging rotsvast in ons gemoed, dat ons geloof in Jezus Christus Gods gave is. In Hem gelooven wij niet alleen, maar Hij wordt door ons ook gepredikt en beleden ten overstaan van de gansche wereld.

Wat wij van harte gelooven, spreekt onze mond, en met den dichter van Psalm 116 vers 10 zeggen we : „Ik heb geloofd ; daarom sprak ik. Ik ben zeer bedrukt ge­weest". Zoo oefenen wij ons in een Godzaligen levenswandel door het mijden van zonden, voor zoover dat ten minste in ons vermogen ligt.

Zondigen wij namelijk, dan doen wij dat niet opzettelijk, maar uit onwetendheid ; wij hebben leed over door ons begane ongerechtigheden.

Ook nadat wij den Heiligen Geest deelachtig werden, blijven wij, wat het vleesch aangaat, zondaren, en het verschil tusschen een echt christen en een burgerlijk goed mensch is dan ook, uitwendig beoordeeld, zoo groot niet.

De Geest Gods blijft voor de wereld verborgen ; daarom beoordeelt zij de Godzaligen verkeerd. Goede werken, in het geloof verricht, houdt zij soms voor de grootst mogelijke goddeloosheid en ongerechtigheid.

De wereld gelooft er niets van, dat wij den Heiligen Geest deelachtig zijn. Alleen in tijden van beroering, wanneer het er op aankomt, ons geloof te belijden, wordt het openbaar, dat wij Christus en Zijn Woord kennen, en in de kracht des Heiligen Geestes voor onze overtuiging durven uitko­men.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 augustus 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE HISTORIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 augustus 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's