De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Geestelijk en ongeestelijk

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Geestelijk en ongeestelijk

6 minuten leestijd

Een en andermaal hebben wij gewezen op het geestelijk karakter des geloofs en op den eisch van geestelijk leven, waarop ons ook de belijdenis wijst. Voorts werd de aandacht telkens gevestigd op het persoonlijk karakter des geloofs.

Dit persoonlijke neemt echter de voorwerpelijke waarheid en inhoud des geloofs niet weg. Ik geloof een heilige, algemeene. Christelijke kerk.

Die kerk is er, afgezien van onze persoonlijke overtuiging. Die kerk is er, omdat haar Hoofd en Heere leeft en omdat zij in het eeuwig voornemen. Gods is gegrond. Hoe wij daarover nu persoonlijk denken, is niet onverschillig, maar het doet aan de waarheid en werkelijkheid dezer dingen niets af. 

Die kerk is er en die kerk weet, dat zij gelooft en wat zij gelooft. Zij heeft een eigen leven, dat met Christus verborgen is bij God. En uit dat leven getuigt zij. Dat getuigenis kunnen wij vernemen uit  haar belijdenis en zij geeft daaromtrent rekenschap overeenkomstig den regel des geloofs, dat is de Heilige Schrift.

Wij kunnen daarvan alzoo verstandelijk kennis nemen en wij kunnen ons eigen geloof en onze gevoelens daaraan toetsen. Hier komt alzoo ons persoonlijk geloofsleven in het geding.

Hoe is nu de verhouding van ons persoonlijke geloofsleven tot die voorwerpelijke waarheid ? Misschien kan een voorbeeld dit duidelijk maken.

Overal staan wij persoonlijk tegenover het gemeenschappelijke der menschheid. Als wij spreken van wij, treedt steeds een gemeenschap naar voren. Wij ziet op een bepaalden kring, op een gezelschap, op een volk, op de menschheid in het geheel.

Zoo zijn er van die algemeene waarheden, waaronder een iegelijk besloten is. Wij zijn sterfelijk, dat beteekent, dat een iegelijk onzer sterfelijk is.

Zoo algemeen zijn niet alle waarheden. Men kan b.v. wel zeggen : alle menschen hebben een besef van God, dat er een Godheid is. Maar als wij zeggen: wij gelooven, dat God Zijn Zoon in de wereld gezonden heeft tot een Middelaar en Zaligmaker, dan wordt door dat wij een door dat geloof bepaalde kring aangewezen. Zien wij op het wij in de belijdenis, dan is daarmede de belijdende kerk aan het woord.

Nu kan men reeds gevoelen, dat het een persoonlijke zaak is, of wij ons daarbij kunnen- voegen met een persoonlijk : ik geloof.

Nog een ander voorbeeld. Men zegt vaak: de wetenschap, de ervaring, de historie leert dit of dat. Daarbij doet men een beroep op de wetenschap, de ervaring, de historie. Zulk een beroep ontleent zijn kracht aan het algemeene. Men bedoelt daarmede de wetenschap, de ervaring, de historie der menschheid. Men zou kunnen zeggen: wij, menschen, de mensch, weet, ervaart en, ondervindt, dat het zoo is. Zulk een beroep wekt vertrouwen en wordt gemakkelijk aangenomen, ook door hen, die uit eigen ervaring en wetenschap niet zouden kunnen spreken.

Indien echter die ervaring wèl ons deel is, stemt ook onze persoonlijke overtuiging met het gegeven oordeel in. Wij nemen het dan niet over, maar gevoelen ons in ons eigen oordeel bevestigd door die generale uitspraak.

Zoo ook wat de wetenschap betreft. Daar is veel wetenschap in de wereld. De bibliotheek is er vol van. Dat is onze wetenschap, maar daarom heeft niet een iegelijk daaraan in gelijke mate deel, en zeker niet aan alle wetenschap.

De wetenschap leert, dat de aarde om de zon draait en wij nemen dat aan, hoewel een ieder, die den dag waarneemt, geneigd is om het andersom te stellen, n.l. dat de zon om de aarde draait. Hoe geheel anders staat nu de sterrekundige tegenover die stelling der wetenschap dan de ongeleerde. Hier spreekt de persoonlijke betrekking tot die algemeene wetenschap wel duidelijk en datzelfde geldt voor iedere wetenschap. Wie op eenig gebied der wetenschap is ingeleefd, staat met een ander oordeel daartegenover dan de man, die alleen maar kan overnemen, wat anderen hebben geleerd.

Ten aanzien van de kerk en haar belijdenis is het eenigermate evenzoo gesteld. De Schrift, de kerk, de belijdenis leert en nu komt daar de gansche inhoud des geloofs. De kerk zegt: wij gelooven met het hart en belijden met den mond.

Weer verder : De predikant, die het Woord bedient overeenkomstig de belijdenis, spreekt niet in twijfelachtige taal, maar stellig : wij weten.

Hoe staan wij daartegenover ? Nemen wij dat alles aan, evenals wanneer wij lezen : de ervaring, de wetenschap, de historie leert, als het de aardsche dingen aangaat ?

Stemmen wiji met innerlijke overtuiging in ? Is er strijd en oneenigheid in het binnenste ? Of raakt het ons eigenlijk niet aan?

Ziedaar het persoonlijke.

Wij willen niet trachten alle overdenkingen en re deneer ingen weer te geven, die zulke vragen kunnen oproepen. Doch op één zaak willen wij thans wijzen. Daar is iemand, die zegt : Gij hebt gesproken over geestelijk verstaan, en dat is het nu juist. Daarop komt het aan.

Inderdaad, daarop komt het aan. Maar, hoor ik dan weer, dat kan een mensch zich zelf niet geven.

Het is waar Niemand komt tot Mij, tenzij de Vader hem trekke.

Men gaat weer verder. Zoo wij dat niet hebben, is het alles de dood in den pot. Ons kerkgaan en ons betrachten doet niets. Misschien voegt men daaraan toe: het maakt ons oordeel zwaarder, want die het geweten zal hebben en niet gedaan, zal met dubbele slagen geslagen worden.

Dit laatste staat er. Dat is waarheid. Doch, wie zoo spreekt, oordeelt zich zelf. Geweten en niet gedaan. Kerkgaan en betrachten geven dan toch wel niets. Zij geven kennis, kennis, welke indien zij onvruchtbaar blijft ten leven, het oordeel zwaarder maakt.

Doeh, waar in Gods Woord vindt men, dat de Heere ons onder Zijn Woord en discipelen brengt om den dood te vinden en ons oordeel zwaarder te maken ?

Hoe geheel anders is de noodiging der hemelsche barmhartigheid en der trouwe Gods door heel de Schrift heen. Hij, die u roept, is getrouw, die het ook doen zal.

Men kan dus ook misbruik maken van de wetenschap, dat het geloof geestelijk en een persoonlijke zaak is. Dat is zeker niet geestelijk, maar ongeestelijk, gelijk daaruit vele ongeestelijke redeneeringen en practijken voortkomen. Immers wie de dingen geestelijk verstaat, zal het Woord niet verachten en weet, dat de profeten den profeten onderworpen zijn. Er is echter een geestelijkheid, die met menschen te rade gaat, wien zij de ware geestelijkheid toeschrijven. Veelal leidt dit tot onttrekking aan het kerkelijk leven, geringachting van de belijdenis en tot een eigendunkelijke vroomheid, die meer op eigen gevoelens dan op de leer der apostelen en profeten is gericht. Zoo kan ook het geestelijke ongeestelijk worden en het Woord tegen zich vinden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 augustus 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Geestelijk en ongeestelijk

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 augustus 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's