NIENKE
FEUILLETON
VERHAAL UIT 'T FRIESCHE VOLKSLEVEN
(Met toestemming Uitgever J. H. Kok te Kampen) 100)
Men zou zeggen : hoe komen daar niet meer dooden. Ik durfde haast geen voet te verzetten en als Melle niet bij mij geweest was, dan geloof ik niet, dat ik weer thuis was gekomen. Maar dominé weet dat vanzelf óok wel".
„Was uw dochter in het Wilhelminagasthuis ? "
„Ik geloof het wel. Ze noemen het tenminste een gasthuis, maar dat is het niet. Het is een ziekenhuis, hoor. Wat we daar ook niet gezien hebben, dominé ! Wat een gangen en deuren en kamers! Ook een wagentje, daar lag er een op, maar vanzelf geheel in de dekens gepakt, zoodat wij die niet zien konden. Die kwam uit de operatiezaal, zeiden ze later tegen ons. En toen die groote zaal met al die bedden, waarop onze Liesbet lag. Ik kende haar eerst niet, zoo was zij veranderd''.
„En herkende zij u ? "
„Ja, dominé, aanstonds, 't Was zoo'n wonder ; net alsof zij op ons lag te wachten, zei de Zuster, en vanaf dat oogenblik is zij beter geworden. Zoo blij was zij, dat ze moeder zag".
„'t Kan wel; 't gebeurt wel eens meer, dat een enkel woord of een enkele blik van zoo groote beteekenis wordt, dat vanaf dat oogenblik een geheele wending in het leven komt".
„'t Was ook wel wat geweest, moet dominé denken'. Hier zweeg zij een oogenblik, alsof zij met zich zelf in tweestrijd was. Maar was een dominé niet een man, dien men alles zeggen mocht en voor wien men niets behoefde te verbergen ?
Zwijgend keek Ds Buitenveld haar aan. Toen vervolgde zij :
,,Onze Liesbet is een best meiske, dominé, en werken of zij kan! Maar Amsterdam is een gevaarlijke stad, en er zijn altijd menschen, die er niets om geven, wat zij doen. Een van hen wist haar met mooie woorden en beloften voorbij te komen, en de rest begrijpt u wel. O, wat dat arme kind geleden heeft! Vanwege de vrees en de onrust en de schande en het bedrog, en toen vanzelf de gevolgen...."
„En heeft zij dit alles alléén moeten doorworstelen ? " vroeg Ds Buitenveld deelnemend.
„Geheel alleen, dominé, want ik wist van niets, niet eerder dan toen dat telegram kwam. Alleen in het laatst, toen de nood op het hoogst was, kreeg zij de hulp van een Zuster, bij wie zij nu nog is en die als een moeder over haar waakt".
„Dus ligt zij nog altijd in het Ziekenhuis ? "
„Neen, dominé, maar door de goede zorg van Zuster Ina, zoo heet zij, heeft zij daar een betrekking gekregen en kan daardoor meteen het kind bij haar blijven, 't Is ook een heel godsdienstige Zuster en zoodoende is Liesbet ook aan de kerk gekomen, dominé. Ik ben daar zoo blij mee, want 't is voor een moeder veel geruster, als zij weet, dat haar meiske naar de kerk gaat, dan misschien op andere plaatsen komt, maar waar gewoonlijk niet veel goeds gebeurt''.
Thans was het de tijd voor Ds Buitenveld om in te grijpen, 't Moederhart had zich voor hem ontsloten en was vatbaar voor indrukken en deze gelegenheid mocht hij niet voorbij laten gaan. Hij sprak haar van de verdorvenheid van het menschelijk hart en van de verleidingen des levens en de lokstemmen der wereld en van de noodzakelijkheid om God te leeren kennen in het aangezicht van Zijnen Zoon, om zoo met Hem verzoend te worden en den weg des levens te leeren bewandelen, welke uitloopt op Gods verheerlijking en de zaligheid.
Eerbiedig de handen in den schoot gevouwen, luisterde vrouw Paulussen naar de woorden van den prediker. Zoó had hij nog nooit met haar gesproken, 't Was haar, alsof hij heel dicht bij haar leven zocht te komen, om dit te brengen, waar hij zeide, dat het komen moest en het zijne zeker óok was : aan het Vaderhart van God. „Precies zooals Nienke van Gurbe Schoenmaker het mij ook gezegd heeft" — viel zij plotseling in. Dus het was wèl waar, wat Pier Boukes hem verteld had ; Nienke deed hier het werk van een Evangelist.
„Flink van Nienke", zei dominé. „Juist het evenbeeld van die Zuster in Amsterdam, die zoo voor mijn dochter opkomt" — vervolgde zij. „Toen ik met onzen Melle bijna half ziek weer thuis kwam, waren hier genoeg nieuwsgierige menschen die graag iets wilden weten, maar niet één, die naar mij omkeek toen ik daarop dagen aaneen te bed lag en bijna niets gebruikte. Anders niet dan m'n eene buurvrouw, die nog eens een kopje thee bracht, en dan Nienke. Die mij ook gesproken heeft van God en eens iets voorlas uit den bijbel en die mijn bed nu en dan heeft opgemaakt. Zij mag er voor gezegend worden''.
Weer kwam er beweging in het nauwe straatje en werd de klink van de voordeur opgelicht. Ditmaal was het Melle. Met een zwaren zak op den nek, de onmisbare pijp in den mond, de pet scheef op éen oor, schommelde hij het nauwe gangetje in en stond juist op het punt om te zeggen : „Zie eens, wat ik hier heb!", toen hij hoorde, dat er bezoek was en dadelijk daarop Ds Buitenveld zag zitten. Verlegen zette hij den last neer, nam eerbiedig zijn hoofddeksel tusschen duim en vinger, moffelde het rookgerei achteruit en zei toen heel vriendelijk: „'n Avond, dominé"
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 augustus 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 augustus 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's