De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Geest en leven

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Geest en leven

8 minuten leestijd

Onze vaderen hebben zich dus laten leiden door het Woord en den Heiligen Geest. Zij hadden zooveel te strijden met leeringen en inzettingen van menschen, dat zij met alle kracht zijn opgekomen voor de onderwijzing, die uit God is. Door Gods genade waren daar mannen, die een klaar inzicht hadden in de dingen van het Koninkrijk Gods en een wereldoverwinnend geloof, zoodat zij de kracht en den moed hebben gevonden om het met God en Zijn Woord te wagen.

Zooals wij hebben aangetoond, wilden zij niet alleen discipelen wezen van Zijn Woord om den weg Gods na te speuren, maar zij kenden ook het leven van Gods kinderen, daar zij door den Heiligen Geest wilden geleid worden. De waarheid was voor hen een levende werkelijkheid, waaraan zij door de genade Gods deel hadden in Hem, die het gezegd heeft: Ik ben de Weg en de Waarheid en het Leven.

Dat kan niet zóó worden genomen, dat alle geerformeerden in den reformatorischen tijd doorgeleide Christenen waren, zoodat zij één voor één een geloofsbelijdenis hadden kunnen opstellen, zooals Guido de Bres dat deed. Maar er waren behalve de groote voorgangers en leidslieden als Luther en Calvijn, begaafde mannen, die daartoe wel in staat waren, zooals de schrijvers van den Catechismus, Zacharias Ursinus en Caspar Olevianus, de genoemde Guido de Bres en andere bekwame mannen, wier namen de geschiedenis der kerk bijzonderlijk noemt.

Men weet ook, dat deze mannen niet een belijdenisgeschrift voor de kerken hebben willen saamstellen. Dat was niet de taak, die zij zich zelf hebben voorgenomen. Guido de Bres was in de gevangenis en had slechts het doel den koning bekend te maken met de menschen, die om hun geloof werden vervolgd. Maar toen zijn geschrift in handen viel van zijn vrienden, hebben zij daarin hun geloof zoo klaar en duidelijk gevonden, dat het niet lang duurde, of het werd „als een algemeen gevolgde standaard, als het Symbolum, het Parool der strijdende en lijdende gemeente, waaraan men elkander en bepaaldelijk de leidslieden der gemeente herkennen zou, in de eerste Synoden gebracht. (De Symbolische Geschriften, door Dr J. J. van Toorenenbergen. XIII).

Deze belijdenis is dus niet kerkelijk opgesteld en van boven af aan de kerken opgelegd. Neen, wat Guido de Bres geschreven heeft, leefde in het hart der reformatorische gemeenten. Men viel daar van ganscher harte bij, stemde daarmede in.

En op een dergelijke wijze was het ook met den Catechismus. Men hongerde naar zulk een onderwijzing.

Wanneer wij op deze geschiedenis letten, zal daardoor meer in het oog springen, wat wij in het voorafgaande stuk hebben uiteengezet. Als er in het geheel geen formulier van belijdenis zou zijn, zou er toch een belijdenis der levende kerk zijn. En wanneer er iemand kwam als Guido de Bres, die de gave had bij geschrifte te stellen, wat er in zijn hart leefde aangaande de dingen van het Koninkrijk Gods, dan zouden allen, die eenzelfde leven deelachtig zijn, met instemming zulk een geschrift ontvangen en als confessie aanvaarden.

Het geloof is niet aan eenig geschrift van menschen gebonden, maar het wil getuigen, en als er een getuigenis is, dat juist treft, vindt het de instemming, die het reeds had, voordat het bekend was.

Niet alle menschen in den reformatorischen tijd waren even ver gevorderd in den weg des geloofs, of dermate begaafd, dat zij deze dingen ordelijk zouden kunnen te boek stellen. Doch de menigte, waarin dezelfde gevoelens leven en dezelfde overtuiging doorbreekt in de worsteling des geloofs, hoort de stem der Waarheid en voegt zich daar bij. En dat niet alleen, maar zij wil daardoor ook geleid worden.

Als wij deze dingen nader indenken, kan het ook duidelijk worden, dat de reformatorische vaderen met instemming begroetten, wat in de oudere belijdenissen denzelfden geest ademde en hetzelfde getuigenis droeg. Zij stonden vrij tegenover alle geschriften der menschen, omdat zij in het geloof der Schriften waren gefundeerd. Zij maten hun geloof niet aan de belijdenisgeschriften, maar deze werden gemeten aan het geloof, dat in hun harten leefde. Eilieve, zal iemand vragen. Deden zij dan niet precies zooals velen ook in onzen tijd, die naar eigen gevoelens de belijdenis der kerk beoordeelen? Dan zouden zij toch wel hoogmoedige vrijgeesten geweest zijn, die verdienden, dat wij hun leeringen op onze beurt als inzettingen van menschen verwierpen.

Pas op, vergeet nu het voornaamste niet. Want in de worsteling der kerk om haar geloof, hebben de reformatoren op de bres gestaan om niets zoozeer af te breken als menschenwerk. Het is de strijd van hun leven geweest om dat geloof deelachtig te mogen zijn en dat leven te genieten, hetwelk God voor de Zijnen heeft weggelegd in Christus Jezus.

Wat zij zelven betracht hebben, vermanen zij steeds ook de anderen te doen, n.l. hun geloof aan den toets der Schriften voortdurend te onderwerpen, opdat zij niet op zand bouwden, maar op den hechten bodem van het fundament, dat gelegd is door Christus Jezus den Heere.

Neen, neen, zij hebben gemeten naar den maatstaf des Woords. Zij begonnen bij zich zelf persoonlijk en wezen de kerk op haar roeping om dat alzoo te doen en te leeren.

Dat is het nu, wat niet alleen zij allen noodig hebben, die in onze dagen in de worsteling om de belijdenis betrokken zijn, maar ook zij, voor wie dit eigenlijk geen worsteling meer is, omdat zij het zoó niet de confessie eens zijn, dat zij er niet de minste moeite mede hebben. Dit laatste kan nog wel eens erger zijn dan het eerste. De Drie Formulieren, de belijdenis. Schrift én belijdenis, het wordt zoo vaak als de meest eenvoudige zaak voorgesteld. Handhaaf de belijdenis, en de kerk is in orde. Allen, die er mede worstelen en die zonder bedenken gereed staan om te volgen, mogen zich wel voor oogen stellen, dat het in de eerste plaats gaat om de belijdenis der kerk als niet aan eenig menschelijk formulier gebonden.

En op dezelfde wijze als de reformatorische kerk die belijdenis in het geschrift van Guido de Bres en in den Catechismus en in de oude formulieren ontdekte, moet het met ons zijn. Wij moeten de belijdenis der kerk in de formulieren ontdekken. En dat is allermeest voor dé voorgangers en leidslieden noodig.

Doch hoe nu, als men die daarin niet vermag te vinden, omdat men eigenlijk vreemd is aan de belijdenis der kerk ? Dezulken toch gaan van hun eigen gevoelens uit en dan zullen zij wel een en ander tegenkomen wat daartegen ingaat.

Zoodanigen kunnen nu toch niet wenschen, dat de kerk haar belijdenis loslaat, omdat zij er hun gevoelen niet in vinden. Daar zijn zoovele anderen, die hun eigen gevoelens leerden verwerpen, omdat zij de stem der Waarheid leerden kennen haar werkingen in het hart gevoelen. En zij nu vinden het getuigenis der Waarheid in de belijdenis der formulieren. 

Zij zullen haar dus niet eeren en aanhangen, omdat zij door de vaderen zijn aanvaard, maar zij erkennen de belijdenis der vaderen omdat zij daarin het getuigenis van het waarachtig Christelijk geloof vinden.

Wij willen trachten onze bedoeling met een voorbeeld toe te lichten.

Iemand leest een boek over een geschiedenis, die hij heeft medegemaakt en waarbij hij ook zelf betrokken is geweest. En een ander, die het niet medegemaakt heeft, leest het ook. De eerste kan beoordeelen, dat het werkelijk zoo is geschied, en zoo daar dingen zijn, die anders waren, kan hij daarvan rekenschap geven. De tweede echter kan zulk een getuigenis omtrent de waarheid niet geven. Hij kan slechts over de geloofwaardigheid oordeelen hij vergelijking van wat hij gebeurlijk acht of voor inkleeding van den schrijver houdt.

In dit voorbeeld schuilt een hinkende vergelijking, naar men zal wellicht de bedoeling begrijpen. Wie uit het geloof in den Christus der Schriften leeft, kan oordeelen, of hij dat in de Formulieren terugvindt. Mogelijk erkent hij ook, dat hij het zoo voortreffelijk niet had kunnen uitdrukken, zoodat hij gaarne door de belijdenisgeschriften wil onderwezen worden.

Zoo volgt daaruit, dat men in verschillende betrekking tot de belijdenisgeschriften der kerk kan staan. Men staat op den grondslag der belijdenis, omdat men in haar het getuigenis van het ongetwijfeld Christelijk geloof vindt, en hartelijk daar mede instemt.

Daar zijn anderen, die zich onder haar voegen, omdat zij van huis uit zoo geleerd zijn en naar het voorbeeld van ouders en van den kring, waarin zij verkeeren, eerbied en waardeering voor de leer der belijdenis koesteren en die ook voor de waarachtige leer der zaligheid houden. Het is overigens een verborgen zaak, in hoeverre daar levende betrekkingen des geloofs in werkzaam zijn. Immers daaromtrent is ons het oordeel niet gegeven, . Voorts zijn daar menschen, die uitgesproken bezwaren tegen de belijdenis der ormulieren hebben, omdat zij van andere gezindheid zijn.'

Ten slotte hebben ook deze navolgers, die hoewel niet zoo zeer op grond van zelfstandig onderzoek, doch uit een zekere geestesverwantschap zich onder de tegen­standers van de belijdenis voegen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 augustus 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Geest en leven

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 augustus 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's