De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Kerk, School, Vereeniging

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Kerk, School, Vereeniging

20 minuten leestijd

beroepingswerk e.d.

Nederlandsche Hervormde Kerk.

Beroepen te Broek op Langendijk A. S. Bijlsma te Rijswijk (Gld.) — te Poortvliet A. Vroegindewey te Loon op Zand.

Aangenomen naar Roordahuizen E. A. A. Snijdelaar te Nieuw Scheemda.

Bedankt voor Groot-Ammers (toez.) T. H. Oostenbrug te 's-Grevelduin-Capelle — voor Huissen (Gld.) E. Chr. Baart te Lathum — voor Houten W. L. Mulder te Veenendaal.

Gereformeerde Kerken.

Aangenomen naar Eemdijk cand. A. I. Krijtenburg, thans hulppred. te Bunschoten.

Gereformeerde Gemeenten.

Beroepen te Amsterdam P. Honkoop te 's-Gravenhage.

Bedankt voor Vlaardingen J. van den Berg te Krabbendijke.

Afscheid, bevestiging en intrede.

Ds R. W. Steur, die het beroep naar Oldebroek aannam, preekt op 12 Oct. a.s. te Oud-Alblas afscheid; hij doet op 19 Oct. te Oldebroek zijn intrede; bevestiger Ds P. de Looze van IJsselmuiden.

Ds D. Bouman, die het beroep naar Arnhem aannam, nam Zondag j.l. afscheid van Spannum; tekst Col. 1 vers 23a.

Dr J. M. van Veen, te Franeker, die het beroep naar Rijswijk aannam, doet op 12 Oct. aldaar zijn intrede, waar hij door Ds J. van Veen, van Tzummarum en Firdgum bevestigd zal worden.

Cand. mej. K. van Drimmelen, die tot hulppredikante te Den Helder benoemd werd, zal Zondag 31 Aug. door Ds H. A. Enklaar, van Den Helder, aldaar tot haar werk ingeleid worden.

Ds J. D. Kleijne, van Alkmaar, zal den heer J. van der Hoek, komende van Capelle, op 7 Sept. als voorganger-Evangelist der Ned. Herv. Gemeente te Wormerveer bevestigen.

Jubileum Ds J. M. E. Steenbeek.

Ds J. M. E. Steenbeek, emer. pred. te Hummelo, herdenkt op 30 Aug. a. s. den dag, waarop hij vóór 50 jaar te Wijnjeterp in het predikambt bevestigd werd. Ds. Steenbeek stond nadien te Steenderen, Mijdrecht en Hummelo, waar hem in 1932 eervol emeritaat verleend werd.

Jubileum Ds W. A. Dekker.

Ds W. A. Dekker, te Scharnegoutum en Loënga, herdenkt op 10 Sept. a.s. den dag, waarop hij vóór 25 jaar te Melissant het predikambt aanvaardde. Voordien was hij vier jaar hulpprediker te Hollandscheveld (Dr.). Na Melissant stond Ds Dekker te Nieuw-Beijerland, Krabbendijke, Hollandscheveld en (sinds 8 Sept. 1929) te Scharnegoutum.

Jubileum Ds P. van der Linden.

Ds P. van der Linden, emer. pred. van Sint Michielsgestel, thans wonende te Hilversum, herdenkt op 6 Sept. a.s. den dag, waarop hij vóór 45 jaar te Nieuwerkerk op Duiveland het predikambt aanvaardde, welke gemeente hij tot 1929 diende. Hij vertrok daarna naar Sint Michielsgestel, waar hem op 15 Sept. 1937 eervol emeritaat verleend werd.

Ds J. Visser Kzn. overleden.

In den, ouderdom van 75 jaar overleed te Amsterdam Ds J. Visser Kzn., van Enkhuizen. Ds Visser aanvaardde in 1892 te Woudenberg het predikambt. Hij diende sinds 1902 de gemeente te Enkhuizen.

In eere hersteld.

Afgaande op geruchten, en naar aanleiding van een aanklacht van één der kerkeraadsleden, had het Class. Bestuur van Dordrecht Ds H. C. P. M. Wiebosch, te Giessen-Oudekerk en Peursum, geschorst. Genoemde predikant ging van deze uitspraak in hooger beroep bij het Provinc. Kerkbestuur van Zuid-Holland.

De aanklacht bleek ongegrond.

Bij de schorsing had bovendien het Classicaal Bestuur van Dordrecht vele reglementaire incorrectheden begaan, o.a. toegelaten, dat de consulent van Giessen- Oudekerk, Ds J. Haring, van Giessendam, tegelijkertijd als scriba van het Class. Bestuur van Dordrecht fungeerde.

Het Prov. Kerkbestuur van Zuid-Holland heeft in zijn laatste vergadering de schorsing als ongegrond opgeheven en Ds Wiebosch in zijn eer hersteld.

Bijzondere kerkdiensten.

De kerkeraad van de Ned. Herv. Gem. te Arnhem besloot om in de eerste weken van Sept. drie bijzondere kerkdiensten te doen houden. Deze diensten worden op 3 achtereenvolgende Donderdagavonden in de Groote Kerk te Arnhem gehouden. Er wordt over drie actueele onderwerpen gesproken. Ds Joh. Gerritsen Jr., van Antwerpen, spreekt op 4 Sept. over „Onze Kerk en ons volk", op 11 Sept. spreekt Ds J. C. Koningsberger, van Amsterdam, over „Onze Kerk en de jeugd'' en op 18 Sept. hoopt Prof. Dr H. Kraemer, van Leiden, over „Onze Kerk en de wereld van 1941" te spreken.

Om deze aangelegenheid op zeer breede schaal bekend te maken, heeft de kerkeraad besloten om aan allen, die volgens het kerkelijk bevolkingsregister tot de Ned. Herv. Gem. behooren, een eenvoudige, doch smaakvolle circulaire over deze zaak toe te zenden en wel in gesloten enveloppe. Voor deze verspreiding zijn in alle wijken daartoe vrijwillige hulpkrachten gemobiliseerd, die zorg dragen dat alles tijdig op zijn plaats terecht komt.

Activeering.

De Ned. Herv. Gem. te Eindhoven verspreidde een boekje, waarin alle gegevens omtrent de gemeente aldaar vermeld staan. Het werkje is op keurige wijze verzorgd en trekt daardoor onmiddellijk de aandacht. In de ingesloten circulaire schrijven de Eindhovensche predikanten Ds H. J. F. Wesseldijk en Ds P. A. van Stempvoort :

„Het betrekkelijk groote aantal Hervormde gezinnen, dat zich jaarlijks te Eindhoven vestigt, maakte het noodzakelijk een boekje te laten verschijnen, waarin deze gegevens konden worden samengevat, om aldus , de nieuw-ingekomenen de gelegenheid te geven zich eenigermate te oriënteeren.

Aangezien echter deze gegevens met de daarbij voorkomende adressen ook van dienst zouden kunnen zijn voor de reeds langer hier ter stede gevestigde leden der Herv. gemeente, besloten wij het boekje te laten verschijnen in een oplage van 5000 exemplaren en het toe te zenden aan alle adressen van leden der Herv. Gemeente, die ons bekend zijn. Daar volgens onze gegevens ook u, of een der leden van uw gezin, tot de Hervormde Gemeente behoort, zenden wij u hiermede een exemplaar van dit boekje toe. Wij spreken daarbij de wensch uit, dat het u van nut zal kunnen zijn".

Chr. Geref. Diakenenconferentie.

Woensdag 20 Aug. werd in het kerkgebouw aan de Lauriergracht te Amsterdam een conferentie van diakenen der Chr. Geref. Kerk gehouden.

Deze conferentie werd door den voorzitter van de Diaconie van Amsterdam- West, den heer A. L. de Bruyne, geopend. Hierna las de voorzitter 2 Cor. 8 : 1—9. Vervolgens werden de vragen behandeld, die tevoren door de Diaconieën waren ingezonden en waarover aan andere Diaconieën een prae-advies werd gevraagd. De prae-adviseurs lichtten hun antwoorden kort toe, waarop een gedachtenwisseling plaats had en na nadere toelichting getracht werd tot een algemeene conclusie te komen. De eerste vraag, die behandeld werd, was : Hoe dient onze verhouding te zijn tot de burgerlijke armenzorg. Vervolgens werd de vraag besproken : Is het niet gewenscht, met het oog op den nood der tijden, dat de mogelijkheid van centralisatie van ons werk in eigen Kerk onder het oog worde gezien ? Naar aanleiding van de vraag : Is het niet wenschelijk een commissie van advies in te stellen in diaconale aangelegenheden, werd besloten aan de Generale Synode een adhaesiebetuiging te zenden met de instructie van de Particuliere Synode van het midden, die de wenschelijkheid van een dergelijke commissie heeft uitgesproken.

Vervolgens werd nog gesproken over het gebed in het ambtelijke werk der diakenen.

Na de pauze werd door Ds L. S. den Boer, van Amsterdam-West, een referaat gehouden over „Het diakenambt". Spreker bepaalde zich tot principieele gegevens. Het diakenambt wortelt in het goddelijk mededoogen met het lijden, dat om der zonde wil Gods schepsel overkomt. Het komt van den Vader der barmhartigheden en den God aller vertroosting. Alle barmhartigheid, die niet gegrond is op de waarachtige liefde, heeft dan ook geen be­staansrecht. Het specifiek priesterlijke karakter van Christus komt tot zichtbare openbaring in het diakenambt. Wanneer dan ook de diaken op bezoek komt, komt Christus door middel van hem. Daarom is het zulk een gewichtige zaak diaken te kunnen en te mogen zijn. Vervolgens ging spreker na, welke de vereischten zijn voor het diakenambt naar aanleiding van 1 Tim. 3. Straks moeten we ook van ons ambtelijk werk rekenschap geveni en zullen wij verantwoording af moeten leggen van de wijze, waarop wij met ons talent hebben gewoekerd, aldus eindigde spreker zijn inleiding. Naar aanleiding van dit referaat ontspon zich nog een aangename gedachtenwisseling, waarna de vergadering gesloten werd.

De zonde der Kerk.

De heer P. Haagsma te Vreewijk schrijft in de Vredeskerk, Kerkbode der Nederl. Herv. Gemeente te Vreewijk :

„Verleden najaar heeft onze Synode een boodschap uitgegeven. In deze boodschap stond : „In diepen ootmoed wil zij met de Kerk haar zonde belijden tegenover haar Hoofd en Heer. Daarom erkent zij met groote dankbaarheid Gods singuliere genade, nu zoovelen zijn bewogen te bidden en te werken voor onze Vaderlandsche Kerk".

Wij hebben destijds betreurd, dat de zonden der Kerk niet met name werden genoemd. En nu, nog geen tien maanden later, moeten wij helaas constateeren, dat er geen algemeene inkeer is gekomen, maar dat onze Kerk blijft volharden in de aanbidding van den mammon.

Reeds meer dan 30 jaar geleden is door wijlen Prof. Slotemaker de Bruine in zijn Christelijke Sociale Studiën betoogd, dat het anders moest worden, opdat weggewenteld zou worden het verwijt van den profeet Ezechiël 34 vers 4 : „De zwakken sterkt gij niet en het gebrokene verbindt gij niet en het weggedrevene brengt gij niet weder en het verlorene zoekt, gij niet".

Trots de toewijding van tal van predikanten, ambtsdragers en gemeenteleden, heeft de Kerk nog door geen daden getoond, dat het haar ernst is om haar roeping te vervullen. De ontkerstening heeft groote afmetingen aangenomen en van een krachtige bestrijding daarvan is geen sprake, ja, wat erger is, de Synode, die in haar boodschap van 1940 komt met belijdenis van zonden, aanvaardt in Mei 1941 het eindrapport van de werkgroep „Kerk en financiën" met algemeene stemmen.

In dat eindrapport lezen wij, dat de werkgroep zich tot taak heeft gesteld zich te beraden inzake de vernieuwing van het financieele leven der Kerk.

Uitgaande van het feit, dat er een ontwaking is van algemeen kerkelijk besef en meeleven, behoort o.m. aan de plaatselijke bestuurs- en beheersorganen leiding gegeven te worden, opdat deze ontwaking ook door onderlinge samenspreking dier organen ten goede kome aan de Kerk in haar geldmiddelen, in de overtuiging, dat daaruit de uiteindelijke regeling van de goede verhouding tusschen bestuur en beheer zal groeien".

't Is wel ontstellend ! Terwijl de Kerk een onzichtbaar tekort heeft van over de 100 predikantsplaatsen, terwijl in de nieuwe woonwijken kerk en wijkgebouwen ontbreken, waardoor jaarlijks voor meer dan één millioen gulden aan de geestelijke bearbeiding van ons volk wordt onthouden, komt hier een commissie, die zoekt naar den groei van een goede verhouding tusschen bestuur en beheer. Inderdaad, gaat het dien weg uit. Als er niets meer te besturen of te beheeren valt, dan is de goede verhouding gevonden. Maar de gemeente, de Ned. Hervormde Kerk, de volkskerk, is weg.

Juist deze werkgroep had met klem moeten betoogen, dat het de zonde der Kerk is, dat zij nalaat op te komen voor de goddelijke zaken. Dat het de roeping van ons volk is. God de eerste plaats in ons leven te geven. Dat de dienst van den geldgod worde nagelaten en heel ons volk en de overheid wordt opgeroepen om God te eeren. Dat er komen kerken, huizen des gebeds, dat op al de scholen godsdienstonderwijs wordt gegeven en dat er bovenal kome herderlijke arbeid. En dat niet uiteindelijk. Neen, onmiddellijk. Er zijn in onze Kerk nog tal van flinke, jonge predikanten. Er is nog een overvloed van candidaten, die uitzien naar een beroep. Er zijn overal mannen en vrouwen, die zidh geheel willen geven voor den opbouw der Kerk. En er zijn nog talrijke fondsen, waaruit in dezen overgangstijd kan worden geput, om de Kerk te brengen op de plaats, die zij dient in te nemen te midden van ons volk. Er is een groote geestelijke nood. En het is voorzeker de zonde der Kerk, dat zij daarin niet voorziet, maar dat zij blijft aanbidden het gouden kalf".

Aan het tweede artikel van den heer Haagsma ontleenen wij :

„In het eerste is naar voren gebracht, dat als de zonde van de Kerk moest worden aangemerkt „de mammondienst", dat wil zeggen, dat voor allerlei dingen geld wordt uitgegeven, maar voor het dienen van God geen geld beschikbaar is, zoodat er in onze groote steden een tekort is aan 100 predikanten en in de nieuwe woonwijken bedehuizen en wijkgebouwen ontbreken.

Bovenstaande wil niet zeggen, dat dit de eenigste zonde van de Kerk is.

Het richtingsvraagstuk, de zondige verdeeldheid, is er ook. Maar Gode zij dank, zulks is beleden en deze ziektekiem wordt reeds bestreden.

De werkgroep „Gemeenteopbouw'' heeft vertegenwoordigers van de meest uiteenloopende richtingen om „de ronde tafel" bijeengeroepen. Het resultaat der besprekingen is, dat men is gekomen tot een gemeenschappelijken wensch voor nauwere samenwerking tusschen Kerkeraden en Evangelisaties. Het resultaat is vervat in een 7-tal punten. Met uitzondering van den Geref. Bond, hebben alle vereenigingen en comité's hun volle medewerking en instemming betuigd.

Het moet worden toegejuicht, dat op deze wijze wordt gewerkt, als maar niet vergeten wordt, dat hier niet de grondfout ligt. Er kan ook een éénheid zijn in den mammondienst. Daarvan getuigen de ontworpen reglementen. Want het is de aanbidding van den geldgod, die onze Kerk tot achteloosheid doemt. Immers de Synode van 1935 wees de zelfstandige éénmansgemeente af, omdat 't teveel zou kosten. De moederlijke zorgen der Synode wees om de kosten het geneesmiddel af en deed niets tot herstel.

In de voordracht, welke in het Synodegebouw over het groote stadsprobleem is gehouden, lezen wij over Amsterdam : „Als wij eens niet uit de spaarpot van onze voorouders aan rente en huren jaarlijks een bedrag van ƒ 100.000.— konden putten, was de Ned. Herv. Gemeente te Amsterdam ten onder gegaan. Zoodra het kapitaal moet worden aangesproken. Is 't nog maar een kwestie van enkele jaren en de Amsterdamsche gemeente is bankroet".

Men wrijft zich de oogen uit, hoe het mogelijk is, dat een onzer zoo hooggeachte voorgangers zulks naar voren kon brengen. In 30 jaar is de kaspositie gelijk gebleven, maar de gemeente is in dit tijdvak meer dan gehalveerd. Hier krijgen wij den indruk, dat de kaspositie, het geldelijk bezit, hooger wordt gesteld dan het verlies van de helft der leden.

En inderdaad wordt de indruk gevestigd, dat het de voornaamste taak der Kerk is, het bezit, de landerijen, huizen, effecten, maar goed en degelijk te bewaren. Heel het organisme is daarop ingericht. Daarvoor hebben we kerkvoogden en notabelen, benevens colleges van toezicht. Oudtijds hadden deze colleges beteekenis. Immers de eeredienst moest uit het bezit worden bekostigd en verder zorg­ de de burgerlijke overheid voor kerkbouw en predikantstractement. Maar dat is thans niet meer het geval. In de laatste jaren is geen nieuw rijkstractement uitgetrokken en in de rijksbegrooting was de post kerkbouw steeds blanco. De Kerk moet zichzelf financieren.

In de jaren, die achter ons liggen, werden ons land en volk bijzonder door God gezegend. Maar voor deze rijke zegeningen kwamen geen blijken van dankbaarheid. Integendeel. Hetgeen voor den godsdienst werd uitgegeven, was gering. Terwijl in de kerken Zondag aan Zondag werd gebeden „God lief te hebben boven alles", kwam die liefde niet tot daden. Dank zij Gods genade was er nog een trouwe, toegewijde kern, maar ons volk, onze volkskerk als geheel, bleef met daden achterwege. En daarvan draagt het organisme mede de schuld. Zoo moest op 17 Dec. 1940 bij het college van toezicht de zelfstandigheid van de Strevelswijk worden bepleit. Het college bezag deze aanvraag uit den gezichtshoek „wat zullen de kosten zijn ? " Terwijl de aanvraag uitging van de gedachte „hoe kunnen wij ons volk weer bepalen bij het dienen van God en het eeren van Jezus Christus, den Redder van een verloren menschheid ? '' Als vanzelf kwam toen naar voren : „Wie dienen wij ? In wiens dienst staan de colleges ? " Ter verdediging van deze houding wordt aangevoerd, dat wij met de werkelijkheid moeten rekenen. Immers de Heilige Schrift geeft aan, dat die een toren wil bouwen, eerst de kosten moet berekenen. Inderdaad. Maar het gaat hier niet om iets, dat wij zouden willen. Het gaat hier om een bevel Gods.

Hoe groot de achterstand in onze Kerk dan ook moge zijn, er is nog verwachting. God kan alles. Hij regeert. Hij doet wonderen. Daarvoor is onze gemeente het sprekende bewijs. Als wij de zonde belijden, en laten, dan kan onze Kerk weer volkskerk worden en Nederland een Christelijke natie".

Het tempo der Zending.

Ds R. C. Harder, Geref. missionair-predikant voor den arbeid onder de hier te lande studeerende Oosterlingen te Leiden, schrijft in „Belijden en Beleven" :

„Wie kennis neemt van den groei van het Zendingswerk gedurende de laatste tientallen jaren, zal moeten toestemmen, dat het gerechtvaardigd is te spreken van een versneld tempo der Zending. Het Zendingsbedrijf, moeizaam eens opgebouwd, klein begonnen, is buitengewoon uitgebreid en er zit thans vaart in.

Dat de Zending een versneld tempo deelachtig geworden is, behoeft niemand te verbazen. Immers : wat gaat in dezen tijd niét in een versneld tempo ? Het Westen is er mee begonnen, en het Oosten ziet zich gedwongen om het over te nemen. „Koloniseeren", zoo zegt Prof. Kraemer, „beteekent tegenwoordig : dynamiseeren, dat wil zeggen : het meededen van een sneller levenstempo".

In de eerste plaats moeten, ter verklaring van het versnelde Zendingstempo, bepaalde factoren in rekening worden gebracht. Om te beginnen hebben we te denken aan de mogelijkheden van het moderne snelverkeer. Pearl Buck, de bekende en begaafde schrijfster over China, roemt er gens de dapperheid en ondernemingszin der oude Zendelingen, die alle mogelijke gevaren trotseerden om de plaats van hun bestemming te bereiken. Ze heeft maar weinig waardeering voor den modernen Zendeling, voor wien het reizen bijna een ontspanning is. Niettemin zal ieder, die het einde aller dingen nabij heeft gezien, zich over de mogelijkheden van het moderne snelverkeer verblijden.

In verband met de ontwikkeling van het snelverkeer staat een tweede feit, dat tot verklaring van het versnelde Zendingstempo dienen kan : het wegvallen van zoovele belemmeringen voor het geestelijk verkeer. Men kent tegenwoordig de wereld zooveel beter dan vroeger. In den tijd van de Hervormers was de wereld buiten Europa nauwelijks meer dan een zwarte vlek. Men had geen idee van wat zich daar afspeelde en voordeed. Sindsdien is deze wereld in kaart gebracht, letterlijk en figuurlijk. De moderne Zendeling gaat thans niet meer op reis naar het volslagen onbekende. Met behulp van allerlei middelen kan hij zich met zijn toekomstig arbeidsterrein vertrouwd maken. Hij kan zich voorbereiden op de ontmoeting met het heidendom in zijn velerlei gestalten, op de ontmoeting met bepaalde buiten-christelijke godsdiensten evenzeer.

Een en ander heeft vanzelfsprekend geleid tot een versnelling van het Zendingstempo.

Maar — behalve deze natuurlijke factoren zijn er ook andere te noemen.

Onmiskenbaar is in de „oudere kerken" de Zendingsbelangstelling toegenomen. Natuurlijk kan het met die Zendingsbelangstelling altijd beter. En somtijds vraagt men zich wel eens af : „is de Zendingsbelangstelling werkelijk zoo groot en zoo levend, als wel eens wordt beweerd ?" Maar, een eerlijke beschouwing voert toch tot de dankbare erkenning van een toenemende Zendingsbelangstelling. De „oudere kerken" zijn niet onwillig om, waar het noodig is, ruimer middelen te verschaffen. En het aantal dergenen, die daadwerkelijk de Zending zouden willen dienen, neemt toe.

Tenslotte valt te wijzen op de inschakeling der „jonge kerken" in het Zendingsbedrijf. In 't begin van deze eeuw was de Zending bijna uitsluitend nog een Westersche aangelegenheid. Op de eerste. Wereldzendingsconferentie, in 1910 te Edinburgh gehouden, waren alleen de vertegenwoordigers van de kerken in Amerika en Europa aanwezig. Sindsdien is er heel wat veranderd ! Op de laatst gehouden Wereldzendingsconferentie, die van Tambaram in 1938, overtroffen de afgevaardigden van de „jonge kerk" die der oude.

Wij moeten over de deelname van deze jonge kerken aan het Zendingswerk niet gering denken!

In Britsch-Indië is, sinds nog niet zoo langen tijd, een massabeweging gaande in de richting van de Christelijke Kerk. De „jonge kerk", onder leiding van den bekenden bisschop Azariah Dornakal, doet alles om deze massabeweging op te vangen en zuiver te houden. Het is bekend, hoe de kerken in China en in Japan zich beijveren om het Evangelie te prediken aan de volkeren, waaronder zij geplant zijn. Helaas, ontbreken ons over dezen arbeid de laatste berichten. Maar wat ons hieromtrent uit vroeger jaren bekend is, doet ons vertrouwen, dat ook dit werk voortgaat. We herinneren ons, hoe eenigen tijd geleden ons werd medegedeeld, dat de inheemsche kerken van Midden-Java een arbeidsterrein wilden zoeken in de Lampongsche districten, waarheen velen van hun leden uitzwermden.

Zoo zou veel meer te noemen zijn. Ter verklaring van het toenemend Zendingstempo kan niet nadrukkelijk genoeg worden gewezen op de medewerking der jongere kerken.

Beschamend dikwijls is haar ijver !

Niemand onzer zal zich over het toenemend Zendingstempo verontrusten. Integendeel. Hier ligt voor ons een reden tot groote blijdschap. Dikwijls wordt onder ons met eenige beklemming vastgesteld, dat er zoo'n ontzaglijke vaart in de geschiedenis zit. Men vraagt zich dan af, waar dit naar toe moet.

Metterdaad kan en moet het versnelde levenstempo ons ernstig stemmen. We merken hierin iets op van de „verkorting der tijden". En onwillekeurig gaan onze gedachten uit naar dat ééne punt des tijds, waarin Hij, Die gekomen is, wederkomt op de wolken des hemels.

Maar — terwijl de versnelling van het levenstempo in het algemeen ons beklemmen kan, kan de versnelling van het Zendingstempo ons verheugen. Wij hooren hierin iets van het woord, van de belofte, die ons geschonken is : „Ziet, Ik kom haastelijk!"

De alumni.

Ds P. van Dijk, Geref. pred. te Zaandam, bespreekt in „Belijden en Beleven" van 15 Aug. j.l. uitvoerig de positie der alumni. Hij schrijft o.m. :

„Het besluit eener Synode om voorloopig geen alumnus (d. i. een geheel of gedeeltelijk door haar onderhouden student) meer aan te nemen, beteekent niet, dat zij aan beter gesitueerden een bevoorrechte positie wil verschaffen.

Ik zou met hetzelfde argument als dat van den inzender, kunnen beweren, dat de huidige overvloed van candidaten oorzaak is, dat „mannen met groote talenten en vurige begeerte naar het ambt" geen kans gelaten wordt „hun gaven dienstbaar te stellen aan de kerken". Want het is volstrekt niet waar, dat de grootste talenten het eerst in aanmerking komen voor een beroep.

Ik durf met het grootste optimisme niet beweren, dat de ver over de honderd naar een beroep snakkende candidaten altemaal „sterren" zijn, maar er zullen zeker tientallen onder hen wezen, wier talenten zoo groot zijn en wier begeerte naar het ambt zoo vurig is, als hier wordt bedoeld.

Daarom zou ik zeggen: geef aan die reeds gebleken talenten een kans, door het aannemen van nog slechts veronderstelde talenten wat te beperken.

Wat betreft die bevoorrechte positie voor de beter gesitueerden, zou ik kiesheidshalve willen volstaan met de vraag, of de tegenwoordige candidatennood niet juist oorzaak dreigt te worden, dat geen enkel beter gesitueerde zijn zoon nog voor dominee laat studeeren !

Wanneer de kans (ik gebruik dit woord met eenigen tegenzin) al grooter wordt, dat een jongeman, na een zelf betaalde kostbare studie van minstens tien jaar, geen beroep krijgt, en hoogstens hulpprediker wordt tegen een salaris, dat nog veel minder is dan dat van iederen vakarbeider, zal het op zijn minst een overwinning op zijn ouders kosten, om hem op te wekken theologie te studeeren.

Een jurist kan nog solliciteeren, een arts zich zelfstandig vestigen, ook zijn er nog onderscheiden mogelijkheden voor deze beide soorten van studiën, maar een theoloog is alleen nog voor de Kerk bruikbaar.

Hij is een man, die evenals de menschen uit de gelijkenis, moet wachten tot iemand hem tot bezoldigd werk in den wijngaard roept, anders staat hij 's avonds tegen zonsondergang nog aan de markt.

Dat iemand talenten heeft, is immers niet altoos van buiten aan een hoog voorhoofd of een paar heldere oogen te zien.

Kost daarentegen de studie heelemaal niets, omdat de jongeman alumnus wordt, dan valt een groot deel van de financieele bezwaren weg. Daarom is er, wanneer men zonder beperking op de oude manier alumni blijft aannemen, veel grooter kans, dat het domineesambt alleen nog waargenomen wordt door jongelui, afkomstig uit minder gesitueerde kringen. Hetgeen evenmin aanbevelenswaardig is, als het omgekeerde.

Waar nog bijkomt, dat voor onbemiddelde jongelieden met groote talenten en vurige begeerte, de kas van artikel XIX — dat is die voor de alumni — volstrekt niet de eenige weg is om tot 't gewenschte doel te geraken.

Hoeveel tegenwoordige predikanten werkten eerst vele jaren op een kantoor of dienden het onderwijs en hebben zich er zelf zonder steun doorheen geslagen, tot zij den kansel hebben bereikt!"

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 augustus 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Kerk, School, Vereeniging

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 augustus 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's