De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE HISTORIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE HISTORIE

Luthers verklaring van Paulus' Brief aan de Galaten

5 minuten leestijd

De vrucht van het Evangelie, dat vrijmaakt van de Wet. Vers 1—7.

Hoofdstuk IV.

Vervolg vers 6.

Wij twijfelen er niet aan, of de Heilige Geest woont in ons; zonder eenig voorbehoud gelooven we, dat wij, gelijk Paulus zegt in 1 Korinthe 6 vers 19, tempelen zijn des Heiligen Geestes.

Wanneer iemand liefde heeft voor Gods Woord, gaarne over Christus hoort spreken, en over Hem wil nadenken en schrijven, dan mag worden aangenomen, dat zulks geen vrucht is van menschelijke overwegingen of van 's menschen wil. Zooiets is een gave des Heiligen Geestes. Want zonder dien komt men niet tot een en ander.

Hier staat tegenover, dat waar haat en verachting ten opzichte van het Woord Gods gevonden wordt, de duivel regeert : de god dezer wereld. De Satan verblindt het hart des menschen ; hij neemt het onder zijn heerschappij gevangen, opdat het licht des Evangelies, hetwelk spreekt van Christus' heerlijkheid, niet helder schijnen en stralen kan.

Dit zien wij ook heden ten dage bij de groote massa, die zich door het Woord Gods niet laat beïnvloeden, doch het veracht, en doet, alsof het haar niet aangaat. Degenen echter, in wier binnenste liefde en verlangen naar het Woord Gods woont, bekennen dankbaar, dat hun .gezindheid gewerkt is door den Heiligen Geest. Met eene dergelijke gezindheid wordt een mensch namelijk niet geboren; geen wetten kunnen er ons toe brengen.

Bedoelde verandering ligt uitsluitend besloten in de hand des Almachtigen. Wanneer wij dus gaarne het Woord Gods hooren verkondigen, en wenschen, dat er gesproken wordt over den Heere Jezus Christus, den Zoon Gods, die om ons mensch geworden is, en die zich der Wet heeft onderworpen, om ons te verlossen, dan zendt God door deze prediking stellig en , gewis den Heiligen Geest in onze harten.

Het is den geloovigen tot groot nut, om te weten, dat zij den Heiligen Geest deelachtig zijn.

Ik zeg dit alles, om daarmede de schadelijke leer der Sophisten en monniken te weerleggen, die leeren en het er voor houden, dat niemand met stelligheid weten kan, of hij Gods genade deelachtig is, wanneer hij naar vermogen goede werken doet en onberispelijk leeft.

Deze opvatting wordt onder het pausdom algemeen gehuldigd. Zij is een der voornaamste stukken der leer, en zou een soort geloofsartikel genoemd kunnen worden, waarmede de leer des geloofs geheel onderdrukt wordt, en waardoor het geloof zelf aan de vernietiging wordt pijsgegeven. Voorts wordt 's menschen geweten verontrust ; Christus uit de kerk weggenomen ; alle weldaden des Heiligen Geestes worden verdonkerd en geloochend; de ware godsdienst heeft in een dergelijke beschouwing afgedaan, en afgoderij, verachting en lastering van God gaat in het hart des menschen een plaats innemen.

Wie aan Gods genadige gezindheid jegens hem twijfelt, en er niet stellig van overtuigd durft zijn, dat hij genade deelachtig is, die kan ook niet gelooven dat zijn zonden vergeven zijn, dat hij door God als kind aangenomen is, en dat hij derhalve zalig kan worden.

Augustinus heeft terecht zeer christelijk gezegd: wie geloof bezit, die is er zich ook helder en klaar van bewust.

Dit nu ontkent men.

Het is er ver vandaan, zoo betoogt men, dat ik met stelligheid weten zou, Gods genade deelachtig te zijn, heilig te wezen, den Heiligen Geest te bezitten.

Deze goddelooze meening waarop het gansche pausdom gebaseerd is, moeten onze jonge menschen vlieden als de schadelijkste pest ; zij moeten haar verafschuwen, wanneer zij er nog niet door aangetast zijn.

Wij ouden zijn van onze jeugd af in dergelijke opvattingen grootgebracht; wij hebben die zoó, ingezogen, dat ze diep in ons hart vastgeroest zitten. Ze af te leeren, is voor ons even moeilijk als het aanleeren van het juiste geloof.

Wij moeten ons het bezit der genade stellig bewust zijn ; wij moeten weten, dat wij Gode welbehagelijk zijn in Christus, en dat wij den Heihgen Geest deelachtig werden.

In Romeinen 8 vers 9 lezen we : „Zoo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe".

Zoo is dus alles zonde, wat iemand doet, denkt of spreekt, wanneer hij in twijfel leeft. Want alles, wat niet uit het geloof is, is zonde.

Ge moogt dus dienaar des Woords zijn, of ge moogt den Staat regeeren, — ge moet er van verzekerd zijn, dat uw ambt Gode welgevallig is. Tot deze ontwijfelbare wetenschap zult ge echter nimmer komen, wanneer ge er niet van overtuigd zijn, dat ge den Heiligen Geest bezit.

Mogelijk zegt ge: ik twijfel er niet aan, of mijn ambt Gode wel behaagt; daaromtrent verkeer ik niet zoozeer in onzekerheid, want Hijzelf heeft mij daartoe geroepen ; maar omtrent mijn persoon leef ik in twijfel. Het is de vraag, of ik Hem welgevallige ben.

Op dit punt moet men de theologie raadplegen, wier voornaamste werk het is ons de zekerheid bij te brengen, dat niet alleen ons ambt, maar ook onze persoon Gode welgevallig is. Wij zijn toch gedoopt ; wij gelooven in Christus; wij zijn toch door Zijn bloed van alle zonden gereinigd ; wij leven toch in de gemeenschap der kerk !

En voorts: wij hebben toch de zuivere leer lief; en wij verheugen er ons toch in, dat het Woord Gods allerwegen verbreid wordt, en dat het getal der geloovigen toeneemt!

Daarentegen haten wij toch den paus en de dwaalgeesten met hun goddelooze leeringen, in overeenstemming met Psalm 119 vs 113 : „Ik haat de kwade ranken, maar Uwe Wet heb ik lief".

Wij moeten dus ook onzen persoon voor Gode welgevallig houden. Want alles, wat we doen om Christus' wil, behaagt God. En wijl wij zeker weten, dat God een welbehagen heeft aan Zijn Zoon, ern wij in Hem begrepen zijn, weten wij ook, dat God een welgevallen in ons heeft.

Hoewel de zonde steeds ons vleesch blijft aankleven, zoo is toch Gods genade rijker en machtiger.

De barmhartigheid en waarheid Gods heerscht over ons tot in alle eeuwigheid.

Wanneer het gaat over Gods genade, kan de zonde ons niet verschrikken of tot vertwijfeling brengen. Want Christus, de machtigste Held, heeft overwonnen ; Hij heeft de Wet te niet gedaan, de zonde veroordeeld, en den dood ganschelijk uit­ gebannen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 augustus 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE HISTORIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 augustus 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's