De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het essentieele

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het essentieele

6 minuten leestijd

Het essentieele is het wezenlijke en wat de schrijver van de bovenaangehaalde zinsneden onder het wezenlijke der Christelijke religie verstaat, hebben wij gezien. Wij zouden kunnen zeggen: de idee van de Christuswording.

Daarop berust dan ook zijn pleidooi voor de levenseenheid, welke de tegenstellingen opheffen zou van hen, die de historiciteit, (hier met name den historischen Christus) aanvaarden en hen, die deze verwerpen.

Vooreerst staan aanvaarden en verwerpen hier vierkant tegenover elkander. Men bepleit dus een kerkelijke eenheid, waarin ook zij, die de historiciteit verwerpen, zijn opgenomen.

Wij hebben reeds zooveel en zoo vaak over de heilsfeiten gehandeld, dat wij niet meer behoeven te betoogen, dat de kerk en het kerkelijik geloof daarmede staat of valt. Neem de heilsfeiten weg en de kerk is niet meer. Zonder en buiten den Christus der Schriften geen heil.

Voor de kerk is de levende Christus het fundament en het leven zelf. Ons leven is met Christus verborgen bij God. Hij is gestorven om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking. Het gansche werk der verlossing rust in Hem, is in Hem vervuld en wordt uit Hem en door Hem bediend. Als dat alles geen feit en werkelijkheid is, is de hope der zaligheid in rook verdwenen, het geloof ijdel en zijn wij nog in onze zonden.

Als de kerk dus zou spreken van het wezenlijke, het essentieele, zou zij wijzen op dien Christus, in Wien alle beloften Gods ja en amen zijn. God bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren.

Wordt dus gesproken van degenen, die de historiciteit verwerpen, dan moeten dezulken voor geloof en Christelijke religie houden, waarin zulk een verwerping kan plaats vinden zonder dat wezenlijke aan te randen. Dat is alzoo een Christelijke religie zonder den Christus der Schriften. Wat moet dat dan voor een Christus zijn? In ieder geval een andere. Maar dan wordt ook het wezen van de Christelijke religie, die men leert, een ander. Het wezen wordt dan niet gezien in den Christus der apostelen en profeten, maar in een idee, welke men zich vormt van het Christelijke.

Men houdt dan de opwekking van een Christus-mensch in den aardschen sterveling voor het wezenlijke. Zonder tegenspraak leert de Schriftreligie de noodzakelijkheid der wedergeboorte. (Joh. 3). De vernieuwing des gemoeds is een vrucht van den dood en de opstanding des Heeren, welke Hij de Zijnen schenkt. Maar, zooals gezegd, nergens maakt de Schrift die wedergeboorte los van het vleeschgeworden Woord, van hetwelk zij getuigt.

Hier is geen sprake van een idee van een, Christusgeboorte, welke in het leven des menschen zou worden gerealiseerd, maar van een levend makende Geest, van een in Christus ingelijfd worden, van een met Zijn verheerlijkt lichaam vereenigd worden.

Wie de historiciteit van den Christus en de heilsfeiten verwerpt, loochent ook Zijn verheerlijkt lichaam, den geestelijken mensch, welke is de Heere uit den hemel, en verwerpt evenzeer het leven der religie, zoals dat door Christus en Zijn profeten geleerd wordt. _ Het is ook duidelijk, dat hij zich niet buigt onder het gezag van Gods Woord.

En op welke gronden verwerpt men de historiciteit ?

De religieuze waarden werden verbonden aan historische feiten, van welke geloofwaardig of niet geloofwaardig nimmer bewezen zal kunnen worden, dat en hoe zij plaats gevonden hebben, omdat de beschrijvers nu eenmaal een andere opvatting hadden van geschiedbeschrijving dan wij, en hun feitenvermelding in dienst stond van een geloofspropaganda".

Het gaat dus al weer om de opvatting. De opvatting der historie beslist hier, zooals ook de opvatting der religie over den Christus beslist. Niettemin gewaagt men van feitenvermelding. Er zullen dan toch feiten zijn, waarvan die historiebeschrijvers zijn uitgegaan. Men heeft die echter in religieus licht gezien of gesteld, zoodat van geloofspropaganda wordt gesproken.

De religie verloochent nooit haar praedominant karakter. De historieschrijvers hier bedoeld, stonden klaarblijkelijk zoozeer onder den invloed hunner religie, dat zij ook de historische werkelijkheid in haar licht zagen. Dat is trouwens niet zoo vreemd, als hun religie aanving met het geloof in God, den almachtigen Schepper en Onderhouder der wereld. Dat is zelfs niet tegen de rede, want een ieder kan begrijpen, dat zulk een belijdenis de afhankelijkheid des menschen in alle dingen leert en in alle dingen de leiding en beschikking der Voorzienigheid opmerkt.

Hoe staat het nu echter met de ideëele voorstelling der religie, welke ons in het gegeven fragment wordt geboden ?

Zijn opvatting der historie moge nog zoo onafhankelijk willen zijn, doch deze schrijver over de ontwikkeling der Christelijke religie, geeft daarvan een beeld, dat geheel en al wordt beheerscht door de idee, welke hij daaromtrent koestert. Dit weerhoudt hem niet om de historiciteit van de heilsfeiten, waaruit de kerk leeft, niet van belang te achten.

De waardeering van de Christelijke religie en van de Christelijke kerk, waartoe haar getuigenis en geschiedenis voert, wordt onderworpen aan de critiek van zijn ontwikkelingsidee en daarvoor ingeruild. En dat om deze dienstbaar te maken aan het ideaal eener levens-eenheid, welke even weinig grond vindt in de religie van Christus als in den historischen mensch.

Het is een poging om tegenstellingen op te heffen, welke elkander ten eenenmale uitsluiten. Het Evangelie van Christus wordt gemaakt tot de inkleeding van een idee, welke de voorwaarden voor haar verwezenlijking in zich zelf draagt in den weg der denkende rede.

Indien de kerk een dergelijke idealiseering van de Christelijke religie zou erkennen, zou zij ophouden kerk van Christus te zijn. Hetgeen door dezen vrijzinnigen schrijver als het wezenlijke van de Christelijke religie wordt voorgesteld, zou trouwens evenzeer buiten de kerk als buiten den historischen Christus verwezenlijking kunnen vinden. Het staat op den algemeenen bodem van het religieus gevoel, en stelt ons voor een ideologie, welke bevrediging zoekt voor het heimwee naar een betere toekomst, dat in de diepte van het menschenhart woont. En als zij het Evangelie niet anders kan verstaan dan in zulk een intellectueele bevrediging, verstaat nochtans de kerk van Christus het niet alzoo. In het besef van de verdorvenheid van den mensch, heeft zij geen betrouwen op de verduisterde rede, maar geleid door denzelfden Geest, die de profeten heeft geleerd, is zij den profeten onderworpen in de kennis van den hoogsten Profeet en Leeraar, haar eenigen Middelaar en Verlosser, welke is Christus de Heere.

Zij getuigt niet uit een ideologie, maar uit de levensgemeenschap met den Christus der Schriften, in Wien zij alleen verzoening en de hope eener eeuwige zalig­heid heeft gevonden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 augustus 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Het essentieele

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 augustus 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's