De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Gereformeerde Kerken en de éénheid

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Gereformeerde Kerken en de éénheid

8 minuten leestijd

II.

In ons voorgaande artikel hebben wij kunnen constateeren, dat Dr Sietsma de nadruk gelegd heeft op de zoogenaamde „voorloopige Synode'' en de „open Synode''. Nu stelt hij echter vast, dat tusschen 1905 en 1930 de gedachte van de „open Synode" niet meer zoo sterk naar voren komt. De discussie over de z. g. n. pluriformiteit zou dit dan volgens Dr S. illustreeren. De verschillende kerken in Nederland worden min of meer beschouwd als „verscheidenheden, openbaringen van de ééne Kerk, meer of minder zuiver". Dr S. denkt hierbij o.a. aan uitspraken van Dr A. Kuyper. Hierin spreekt dan een andere houding en kijk dan uitkwam in de „voorloopige Synode" van 1887 en in latere uitspraken. De begeerte om te spreken en samen te leven met de meer zuivere kerken blijft dan wel — maar door dit beginsel is er toch schade voor de eenheid.

Niet waar, de kerken zijn toch allen min of meer zuivere openbaringen van de ééne Kerk ? Waarbij de Synode niet langer „open Synode" blijft, neen, de gescheidenheid wordt betrekkelijk als rechtmatig erkend, waardoor de Synode voor „gesloten'' wordt verklaard. Niet allen zien het echter zoo. Er zijn er ook, die geneigd zijn om de Gereformeerde Kerken „te zien en te benoemen als de ware of als de wettige Kerk des Heeren in Nederland". Tenslotte moeten bij deze beschouwing de andere kerken gezien worden lals valsche kerken of als scheurkerken en onwettige kerkformaties. Ook hier is vanzelf voor de „open Synode" minder goed plaats. Men kan toch, als andere kerken zóó gezien worden, moeilijk zeggen : „Kom bij ons zitten aan de Synodale tafel en laat één verband ons omsluiten". Het kan natuurlijk wel gezégd worden. En de principieele bereidheid tot samenspreken doet toch het karakter van scheurkerk te niet. Terwijl de weigering dit karakter dreigt te handhaven. Hoe het nu ook gezien wordt, de herleefde activiteit van nu om tot eenheid te komen heeft deze overeenkomst met het boven genoemde, dat men met het kerkvraagstuk klaar wil komen en tot een besliste positiekeuze wil dringen.

De Synode van Middelburg deed een getuigenis uitgaan tot alle Gereformeerden in het land, om zich te bezinnen over het gescheiden leven en over de eenheidsvraag. Deze zelfde Synode besloot om — na 25 jaren — zich nog eens tot de Christelijke Geref. Kerk te richten om tot verzoening en samenspreking te geraken. De Chr. Geref. Kerk heeft deze uitnoodiging nog niet aanvaard. Het zwaartepunt van de bezwaren ligt, volgens de Christelijk Geref., in de verbondsbeschouwing van 1905 en wat daarmee is of zou zijn verbonden. Volgens Dr S. zou er meer gebeurd zijn, als de Gereformeerden in de Herv. Kerk over vereeniging hadden kunnen spreken, „anders dan na verbreking van het verband met de onchristelijke besturen".

Dr S. meent, dat.het weinig zin zou gehad hebben, ja, stelt de vraag of het nu nog een juiste geste van de Geref. Kerken kan worden geacht, in den tijd van „Kerkopbouw" en „Kerkherstel'', op te wekken om het verband met de besturen te verbreken. Terwijl samenspreking voortaan met kerken, die niet Gereformeerd zijn, of die de Geref. Kerken niet ten volle als Kerk van Christus willen erkennen, niet meer dan een gebaar zou zijn geweest.

Misschien zouden hier de gebeurtenissen van dit jaar een „radicaal neen" kunnen veranderen in een „min of meer beslist ja". Dr S. vindt dit een weemoedige gedachte.

Toch wordt in vrij breeden kring er aan getwijfeld of de Gereformeerde Kerken zich werkelijk op den weg naar de eenheid bevinden en zij daar hun woord kunnen meespreken. Waarom is deze twijfel er ? Waarom wordt door meerderen gemeend, dat de Gereformeerde Kerken het met de eenheidsbeweging niet zoo ernstig nemen óf dat de Roomsche houding er achter schuilt: „vereenigen wil zeggen : opsmelten in en terugkeeren tot onze Kerk ? " Dr S. noemt de gronden, welke voor deze twijfel aangevoerd worden. Hier zijn ze. De Gereformeerden voelen, niet voor de oecumenische beweging ; zij zitten niet in den Raad der kerken; ze maken bezwaar tegen gemeenschappelijken evangelisatiearbeid ; zij zenden slechts toehoorders naar den Zendingsstudieraad; doet ergens een predikant of iemand anders mee aan een eenheidsvergadering, dan gaan daarover allerlei afkeurende stemmen op in de Gereformeerde Kerken. Is de conclusie, die men hieruit nu trekt, juist, zooals deze boven genoemd is ? Is de twijfel gerechtvaardigd ? Neen, zegt Dr S.

Om dit „neen" te staven, wijst hij op het volgende.

De Gereformeerde Kerken meenen niet, dat zij de eenig ware Kerk, laat staan de alleenzaligmakende Kerk zijn. De Gereformeerde Kerken nemen deze houding ook niet aan. De ervaring van vele jaren heeft Dr S. geleerd, dat de Gereformeerden in den regel minder kerkistisch zijn dan anderen.

De houding der Gereformeerde Kerken in de bovengenoemde feiten komt uit heel andere gronden voort. Hier moet allereerst gelet worden op de oecumenische beweging, met al wat daaraan verbonden is. De Gereformeerde Kerken zijn n.l. „niet bereid samen te werken en samen te spreken als Kerk zonder een te voren vaststaande basis, of met een basis, die door de Kerk van Christus voor kerkelijken of semi-kerkelijken arbeid niet kan worden aanvaard''. Men kan niet vergaderen met een basis, die nimmer als grondslag voor werkelijk samenwonen en samenwerken kan dienen. Men kan ook niet samenkomen en samenspreken over de grondwaarheden van het geloof zonder eenigen band. De Kerk kan toch niet op voet van gelijkheid over den Christus der Schriften discussieeren ? De Kerk „kan alleen haar geloof belijden en de tucht handhaven over allen, die Hem niet als den Christus Gods belijden met volle overgave". Vervolgens gaat Dr S. nog in op de weigering om deel te nemen aan eenheidsdemonstraties hier in ons land op kerkelijk gebied. Dr S. ziet hier geen voordeel, maar nadeel, n.l. een „ernstige vertroebeling der dingen en een verzwakking, waar het de kerkvraag betreft". Men gaat er heen, en vindt dat de eigen dominee het toch beter gezegd heeft dan de andere en dus doet men goed kerkelijk apart te blijven staan. Of men luistert niet critisch genoeg en zegt: al die kerkelijke verdeeldheid heeft maar weinig te beteekenen. De verbazing is dan begrijpelijk, wanneer dezelfde spreker van deze samenkomst door naiddel van de Synode zijner Kerk zegt, dat er van een samenspreking over de eenheid niets kan komen, omdat er zulke ernstige bezwaren zijn.

't Gaat derhalve tegen de demonstratie van eenheid, waar geen eenheid is of erkend wordt. Dit heeft ook betrekking op kanselruil en evangelisatie. Die Kerken, die waarlijk Gereformeerd zijn, moeten samen wonen en anders niet doen alsof. Dat is het standpunt der Gereformeerde Kerken.

Wie niet waarlijk Gereformeerd zijn, moeten zich reformeeren, opdat zij allen één kunnen zijn. Met een „doen alsof" is de eenheid niet gediend. Bij bezwaren moet er zijn de ernstige begeerte om gezamenlijk terug te keeren tot het Woord Gods en tot den Heere van dat Woord.

Dr S. is echter allerminst van de gedachte, dat de Gereformeerde Kerken of de leden daarvan geen schuld hebben aan het verdeeld voortleven dergenen die naar den eisch des Heeren samen behooren.

Officieel en officieus ziet Dr S. groote schuld en reden tot verootmoediging. Op het officieele is reeds gewezen. De Synode is te spoedig en te zeer tot een „gesloten Synode" gemaakt. Er ds te zeer geleefd naast andere Geref. Kerken zonder smart en zonder schuldbelijdenis. Er is officieel te weinig getreurd om de breuke Sions.

Wanneer Dr S. ziet op de leden der Gereformeerde Kerken, ook dan heeft hij zijn bezwaren. Een bezwaar is niet, dat zij hun Kerk liefhebben. Deze hebben ze te weinig liefgehad. Te weinig biddend en dankend is beseft „hoe rijk en groot dat is, dat de Kerk tot — gedeeltelijke — reformatie gekomen is". Het bezwaar van Dr S. is, dat de Gereformeerden de van hen gescheiden broeders niet voldoende hebben liefgehad en niet genoeg met hen hebben meegeleefd. Of als er meeleven was, dan ging het zóó, alsof het niet heel belangrijk was hoe men kerkelijk leefde en stond. Er was weinig gebed en weinig vermaan. Er was wel gedebatteer met de „achtergeblevenen". Met de Chr. Geref. is getwist over 1892, over de bezwaren, de „ligging" en levensernst. 

Ook de Gereformeerden deden mee aan een statistiek van geloovigheid en „zwaarheid". Vergelijkingen zijn gemaakt. Maar hierachter werd de zaak van de kerkelijke gehoorzaamheid en van het zich voegen bij de ware Kerk, ook in haar institutaire openbaring, verborgen. Niet altijd is door de Gereformeerden verstaan „dat er broeders in de Herv. Kerk zijn, die hun geweten kwellen, omdat zij daar niet kunnen handelen in alle dingen naar den eisch van Christus, en toch niet meenen te kunnen heengaan ook". Ook is niet altijd begrepen noch gepoogd te verstaan, dat er Chr. Geref. zijn, die waarlijk meenen dat er ernstige bezwaren tegen vereeniging zijn. Nog te noemen zoudeni zijn wereldgelijkvormigheid en oppervlakkigheid inzake de weg des heils. Hierop verder in te gaan, is niet noodig. Dr S. houdt den Gereformeerden geen vermeende vlekkeloosheid voor, die hen zou typeeren, maar wèl de waarachtige begeerte om naar de Schrift te leven en het verlangen om niet langer met het zelfde vaandel en denzelfden krijgszang gescheiden op te trekken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 september 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De Gereformeerde Kerken en de éénheid

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 september 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's